Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200203455/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203455/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Beheer- en Exploitatiemaatschappij Boskoop B.V.", gevestigd te Boskoop,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 april 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) appellante geweigerd bouwvergunning te verlenen voor een bedrijvenpark voor handel, nijverheid en verkeer, op het perceel Kloosterstraat 1-3 te Rosmalen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 september 2000 heeft het college daarvoor wederom vergunning geweigerd.

Bij besluit van 29 mei 2001 heeft het college de daartegen door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2002, verzonden op 15 mei 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het beroep dat appellante heeft ingesteld tegen het besluit van 29 mei 2001, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van den Eertwegh, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het besluit van 29 juni 2000 is een aanvraag van appellante van 14 april 2000 geweigerd, onder meer wegens overschrijding van de maximale hoogte van bouwwerken die ingevolge het bestemmingsplan “Graafsebaan” (hierna: het plan) op het betrokken perceel is toegestaan. Die aanvraag omvat vijf gebouwen met een hoogte, gerekend vanaf het bestaande maaiveld, van 12,28 meter. Bij het besluit van 13 september 2000 is een aanvraag van appellante van 19 juli 2000 geweigerd, eveneens wegens strijd met de maximaal toegestane bouwhoogte. Die aanvraag omvat dezelfde gebouwen als weergegeven in de aanvraag van 14 april 2000, zij het dat daarop een liftinstallatie ontbreekt. Gerekend vanaf het maaiveld bedraagt de hoogte van die gebouwen 9,90 meter.

2.2. Een zijde van de gebouwen zal grenzen aan het gedeelte van het perceel waarvan het niveau gelijk is aan het bestaande en omliggende maaiveld. Dat gedeelte loopt schuin af naar een verdiept aan te leggen gedeelte waaraan andere zijden van de gebouwen zullen grenzen.

2.3. De gemeenteraad heeft bij besluit van 29 juni 2000 verklaard dat ten aanzien van het perceel een bestemmingsplan wordt voorbereid (hierna: het voorbereidingsbesluit).

2.4. Ingevolge artikel 14, onder A, aanhef en sub 3, van paragraaf II van de planvoorschriften mag de hoogte van gebouwen op het betrokken perceel niet meer dan 9 meter bedragen. Ingevolge paragraaf I, aanhef en onder i, van de planvoorschriften wordt onder hoogte van bouwwerken verstaan, de hoogte van het hoogste punt van een bouwwerk tot de gemiddelde grondslag van het aansluitende, afgewerkte terrein.

Ingevolge artikel 1, onder I, sub I, van paragraaf III van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de maten van de planvoorschriften, mits de afwijking niet meer dan 10% bedraagt.

2.5. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het verdiept aan te leggen gedeelte van het perceel als aansluitend, afgewerkt terrein in de zin van paragraaf I, aanhef en onder i, van de planvoorschriften heeft aangemerkt. Volgens haar moet de hoogte van de gebouwen worden bepaald vanaf het bestaande maaiveld. Voorts betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het college met toepassing van artikel 1, onder I, sub I, van paragraaf III van de planvoorschriften vrijstelling voor de voormelde bouwplannen kon verlenen.

2.6. Voorop wordt gesteld dat ook bij de uitleg die appellante geeft aan paragraaf I, aanhef en onder i, van de planvoorschriften, de hoogte van de gebouwen, in de aanvraag van 14 april 2000 en in die van 19 juli 2000, in strijd is met de maximale hoogte die ingevolge artikel 14, onder A, aanhef en sub 3, van paragraaf II van de planvoorschriften is toegestaan. Nu het college daarvoor geen vrijstelling heeft verleend, is, anders dan appellante betoogt, geen plaats voor het oordeel dat de rechtbank zou hebben miskend dat het college de aanvraag van 19 juli 2000 diende aan te houden omdat het voorbereidingsbesluit in werking was getreden.

2.7. Met artikel 14, onder A, aanhef en sub 3, van paragraaf II, van de planvoorschriften is beoogd te voorkomen dat vanaf omliggende percelen bouwwerken zichtbaar zijn met een hoogte van meer dan 9 meter. Paragraaf I, aanhef en onder i, van de planvoorschriften is gericht op een eenduidige bepaling van de hoogte van bouwwerken. Mede gelet op de omstandigheid dat het hoogteverschil binnen het perceel zal ontstaan omdat een gedeelte daarvan verdiept wordt aangelegd, brengt een redelijke uitleg van deze voorschriften, bezien in onderling verband, mee dat de hoogte van de gebouwen in dit geval moet worden berekend van het hoogste punt van die gebouwen tot de gemiddelde grondslag van het aansluitende maaiveld. De aldus te berekenen hoogte van de gebouwen, weergegeven in de aanvraag van 19 juli 2000, bedraagt 9,90 meter. Derhalve is wat die aanvraag betreft, voldaan aan de voorwaarde om toepassing te geven aan de vrijstellingsbevoegdheid die het college ingevolge artikel 1, onder I, sub I, van paragraaf III, van de planvoorschriften toekomt. De rechtbank heeft dit miskend.

2.8. Niettemin leidt het betoog van appellante niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

Het college heeft een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het bouwplan, aangevraagd op 14 april 2000, geweigerd nu op dat moment geen voorbereidingsbesluit gold dat ingevolge het vierde lid van dat artikel is vereist om een zodanige vrijstelling van het plan te mogen verlenen.

Het college heeft ter motivering van de weigering van vrijstelling te verlenen voor het bouwplan, aangevraagd op 19 juli 2000, verwezen naar het voorbereidingsbesluit. Het sluit aan bij de daarbij gegeven overwegingen dat, overeenkomstig het mobiliteits- en kantorenbeleid van de gemeente, niet zal worden voorzien in een bedrijvenpark als het onderhavige dat uitsluitend voor kantoordoeleinden kan worden gebruikt. Het toekomstige plan zal volgens dat besluit alleen voorzien in het gebruik van het perceel voor bedrijfsmatige doeleinden.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet met juistheid heeft overwogen dat het college vrijstelling van het plan voor de bouwplannen op deze gronden heeft kunnen weigeren.

2.9. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college bij het besluit van 29 mei 2001, de weigeringen van de aanvragen van appellante wegens strijd met het plan diende te handhaven.

2.10. Uit het vorenstaande volgt voorts dat de overige gronden van appellante, dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwplannen ten onrechte strijdig acht met de bestemming “Bedrijven VII” en dat zij heeft miskend dat het college bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen van onjuiste gegevens en uitgangspunten is uitgegaan, evenmin kunnen leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. van der Meer w.g. Huijben

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

313.