Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206217/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206217/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoten], beide wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 september 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk de gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 50, vijfde lid van de Woningwet en in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zoals deze gold voor 3 april 2000 (hierna: de Wro) te verlenen voor de verbouw van een graanloods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) tot onderhouds- en klusbedrijf met inpandige woning.

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2002, verzonden op 11 oktober 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 21 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 februari 2003 hebben [partijen] te [plaats] een reactie op het hoger beroepschrift ingediend. Bij brief van 7 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk een reactie op het hoger beroepschrift ingediend. Bij brief van 11 maart 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door P.A.E.M. Hoogenhuis, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar verschenen het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, vertegenwoordigd door F. Hommel en ir. A.M.W. Dirken, beiden ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank naar oordeel van de Afdeling terecht vastgesteld dat op het perceel ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “Bedrijven met bijbehorende erven (B)” met de aanduiding “Agrarisch handelsbedrijf” rust. Eveneens terecht heeft de rechtbank overwogen dat het bouwplan van appellante dat voorziet in de vestiging van een onderhoudsbedrijf ter plaatse, ingevolge artikel 8, lid A onder 1 sub d, van de planvoorschriften, in strijd is met de geldende bestemming, nu het niet is gericht op opslag en handel in producten die nodig zijn in de uitoefening van agrarische bedrijven. Voorzover appellante dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep heeft bestreden, slaagt zij derhalve daarin niet. Dat de rechtbank eerst ter zitting de relevante bestemmingsplanbepalingen heeft geverifieerd, doet daaraan niet af. Het juiste planologische rechtsregime vormde terecht uitgangspunt van haar beoordeling.

2.2. Uit het voorgaande volgt dat om bouwvergunning te kunnen verkrijgen, vrijstelling van het bestemmingsplan dient te worden verleend. Het college heeft de daarvoor benodigde verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wro geweigerd. Het geschil heeft betrekking op dit besluit. Met betrekking tot de weigering van het college om de verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 50, vijfde lid (oud), van de Woningwet, te verlenen, merkt de Afdeling op dat deze niet was vereist nu ten aanzien van de aanvraag om een bouwvergunning geen aanhoudingsplicht gold.

2.3. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit van 9 oktober 2001 niet heeft kunnen baseren op het streekplan “Noord-Brabant 1992” (hierna: het streekplan) aangezien dit streekplan is verouderd en de doelstelling van dit streekplan, het voorkomen van verstening van het buitengebied, niet wordt geschaad, faalt. Dat de uitgangspunten van dit streekplan niet meer actueel zouden zijn, is niet gebleken. Het college heeft er op gewezen dat het planologisch beleid terzake is gehandhaafd in het streekplan “Noord-Brabant 2002”, dat inmiddels, naar ter zitting is gebleken, onherroepelijk is.

2.4. De Afdeling stelt met de rechtbank vast dat het bouwplan van appellante voorziet in de vestiging van een onderhoudsbedrijf dat, gelet op de aard van de werkzaamheden, moet worden aangemerkt als een niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf. Blijkens het streekplan is het provinciaal beleid gericht op het weren van zodanige bedrijvigheid uit het buitengebied, nu daarin is bepaald dat bij nieuw-vestiging niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing dient te worden voorkomen en dat bestaande bebouwing geschikt dient te worden gemaakt voor wel aan het buitengebied gebonden functies. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het bouwplan van appellante niet past in deze doelstelling.

2.5. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Fijnaart en Heijningen bij brief van 20 april 1995 haar de toezegging heeft gedaan, dat geen bezwaar bestond tegen de vestiging van het onderhoudsbedrijf ter plaatse en dat het college aan deze toezegging in redelijkheid is gebonden. Dit betoog faalt. Het college is bij uitsluiting het orgaan dat bevoegd is te oordelen omtrent de verklaring van geen bezwaar in het kader van een vrijstelling met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wro. Het is daarbij niet gebonden aan eventuele toezeggingen van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Fijnaart en Heijningen over de vestiging van zijn bedrijf ter plaatse.

2.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het college de verklaring van geen bezwaar heeft kunnen weigeren.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

47-439.