Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200200989/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/2638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200989/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 21 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het verbouwen van de garage/berging (hierna: de garage) en het plaatsen van een zadeldak op deze garage, die is gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 mei 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 maart 2002 heeft het college van antwoord gediend. Bij brieven van 28 februari en 24 maart 2002 heeft [vergunninghouder] nog gereageerd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. V.M. Vogel, advocaat te Groenlo, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouder] gehoord.

De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 31 oktober 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door voornoemde Vogel, en het college, vertegenwoordigd door voornoemde Piek, zijn verschenen. Voorts zijn daar voornoemde [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een zadeldak op een bestaande aangebouwde garage. In de aanvraag is de ruimte onder het dak met een hoogte van 2,70 meter omschreven als hobbyruimte. De hobbyruimte zal volgens het bouwplan slechts via de eerste etage van de woning toegankelijk zijn.

2.2. Het bouwplan is gesitueerd op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ”’t Zwering” de bestemming “Woondoeleinden I” hebben.

Ingevolge artikel 4, eerste lid van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zo zijn aangeduid bestemd voor wonen, verkeer-, speel- en groenvoorzieningen.

Ingevolge het vierde lid, onder b, dient de afstand tussen de achtergevel van een woning en de zijgevel van een andere woning ten minste 7,5 meter te bedragen.

Ingevolge het vierde lid, onder d, dient, de afstand van een vrijstaande zijgevel van een woning tot een perceelsgrens ten minste 3 meter te bedragen.

Ingevolge het zevende lid zijn, voor zover thans van belang, bijgebouwen toegelaten van ten hoogste 50 m² en een goothoogte van ten hoogste 3 meter.

Ingevolge het achtste lid is de bouw van bijgebouwen uitsluitend toegestaan op een afstand van ten minste 3 meter achter (het verlengde deel) de naar de weg gekeerde gevel van de woningen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder een bijgebouw verstaan: een gebouw ten dienste van de normaal gebruikelijke huishoudelijke berging en/of hobby en/of stalling.

2.3. Appellant betoogt met recht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan betrekking heeft op de uitbreiding van een bijgebouw. Het bouwplan voorziet in het bouwen van een ruimte die functioneel zo nauw verbonden is met het hoofdgebouw, dat deze niet functioneel ondergeschikt is aan de woning, maar daarvan deel uitmaakt. Ook in bouwkundig opzicht kan die ruimte niet los gezien worden van het hoofdgebouw, reeds omdat deze alleen vanuit het hoofdgebouw kan worden betreden. Het bouwplan ziet daarom niet op een uitbreiding van de garage en derhalve van een bijgebouw, maar van de woning.

Als gevolg van de voorziene uitbreiding van de woning in deze vorm zou het karakter van de bestaande garage veranderen. De garage op de begane grond vormt immers bouwkundig één geheel met de bovenverdieping. De garage moet derhalve als inpandig worden aangemerkt en verliest daarmee het karakter van bijgebouw. De bestaande zijgevel wordt daarmee de zijgevel van de woning, doch voldoet niet aan het vereiste dat de afstand van een vrijstaande zijgevel van een woning tot een perceelsgrens ten minste 3 meter dient te bedragen. Derhalve is het bouwplan in strijd met artikel 4, vierde lid, onder d van de planvoorschriften.

2.4. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellant gegrond verklaren en het besluit van 9 mei 2001 vernietigen, voorzover het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 21 januari 2002 in zaak nr 01/487 WW44;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede van 9 mei 2001, JPO/JO/cbb/mw;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enschede in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1665,95, voor € 1288,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Enschede aan appellant te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Enschede aan appellant het door hem voor de behandeling van beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 267,10 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

58-406.