Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206353/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206353/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2002, kenmerk WM02009, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BGM Project Ontwikkeling B.V." een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een discotheek op het perceel Oorweg ongenummerd te Almere, kadastraal bekend gemeente Almere, sectie K, nummer 03314. Dit besluit is op 22 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R. van der Hooft, advocaat te Opmeer, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T.W.M. Bot, ambtenaar van de gemeente, en J.J. Splinter, deskundige, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor een gebouwencomplex met daarin een discotheek en twee zogenaamde themazalen.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten gedeeltelijk niet-ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld vindt het beroep, behoudens de grond inzake de van de inrichting te duchten lichthinder, zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat de discotheek niet alleen geluidgevolgen, maar ook gevolgen voor het nabijgelegen natuurgebied heeft en de noodzaak meebrengt tot de aanleg van een massaal aantal parkeerplaatsen. Ten aanzien van de grond inzake de van de inrichting te duchten lichthinder is het bepaalde onder b en c niet van toepassing. Verder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover het de grond inzake de van de inrichting te duchten lichthinder betreft.

2.3. Appellanten hebben betoogd dat ten onrechte geen milieu-effectrapport is opgesteld.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) en categorie 10.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit, voorzover hier van belang, moet bij de voorbereiding van de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet van een recreatieve of toeristische voorziening in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 500.000 bezoekers of meer per jaar een milieu-effectrapport worden gemaakt.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit en categorie 10.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit, voorzover hier van belang, moet het bevoegd gezag bepalen of bij de voorbereiding van de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet van een recreatieve of toeristische voorziening in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het ruimtelijk plan als bedoeld in de voornoemde bepalingen het bestemmingsplan "Zuidoever Weerwater" is. Deze beroepsgrond richt zich derhalve tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan en kan om die reden niet slagen.

2.4. Appellanten hebben aangevoerd dat de aanvraag geen inzicht verschaft in het aantal bezoekers van de inrichting.

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder f en h, voorzover hier van belang, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag onder meer de maximale capaciteit van de inrichting en de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken.

In de aanvraag is het aantal bezoekers van de inrichting niet expliciet vermeld. Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag daarom uit de bij de aanvraag behorende plattegrondtekeningen afgeleid dat het maximum aantal bezoekers van de inrichting 3000 bedraagt, hetgeen de Afdeling mede gelet op het verhandelde ter zitting niet onaannemelijk voorkomt. Hoewel de aanvraag niet aan de eisen van artikel 5.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voldoet, heeft verweerder, gelet op de in de aanvraag vermelde gegevens, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Gelet op artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht heeft verweerder de aanvraag dan ook in redelijkheid in behandeling kunnen nemen.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellanten hebben aangevoerd dat vergunningverlening leidt tot

aantasting van de landschappelijke of cultuurhistorische waarde van het gebied waarin de inrichting is gelegen.

De vraag of sprake is van aantasting van de landschappelijke of cultuurhistorische waarde van het gebied waarin de inrichting is gelegen komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet een zodanige aantasting van de landschappelijke of cultuurhistorische waarde van het gebied voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.7. Appellanten vrezen hinder van het verkeer van en naar de inrichting.

Verweerder heeft de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting beoordeeld aan de hand van de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” van 29 februari 1996. In deze circulaire, voorzover hier van belang, is een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) opgenomen bij woningen van derden. Blijkens het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek kan aan deze voorkeursgrenswaarde worden voldaan. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare hinder van het verkeer van en naar de inrichting.

2.8. Appellanten vrezen parkeeroverlast.

Gelet op hetgeen uit de stukken en verhandelde ter zitting is gebleken omtrent het benodigde en het beschikbare aantal parkeerplaatsen, ziet de Afdeling, mede gelet op de openbaarvervoersmogelijkheden, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare parkeeroverlast.

2.9. Appellanten hebben betoogd dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften voor de discotheek niet kunnen worden nageleefd.

Ingevolge voorschrift 7.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie behorende bij de discozaal ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemming niet meer bedragen dan 37, 37 en 39 dB(A) op 5 meter hoogte gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 7.1.3, voorzover van belang, mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door muziekgeluid in de representatieve bedrijfssituatie behorende bij de disco ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemming niet meer bedragen dan 10 dB(A) boven de vergunde waarden van het LAr,LT zoals voorgeschreven in voorschrift 7.1.1 van deze beschikking.

Blijkens het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek kan worden voldaan aan de voor de discotheek gestelde geluidgrenswaarden. Daarbij is er van uitgegaan dat de discotheek een equivalent geluidniveau van 105 dB(A) veroorzaakt, aangezien geen houseparty's in de discotheek zullen worden gehouden. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek. Voorzover appellanten vrezen dat de discotheek een hoger equivalent geluidniveau dan 105 dB(A) zal veroorzaken, omdat toch houseparty's in de discotheek zullen worden gehouden, overweegt de Afdeling dat op grond van voorschrift 7.3.1 de muziekinstallatie moet zijn voorzien van een geluidbegrenzer die zodanig is afgesteld dat het geluidniveau in de discoruimte niet meer kan bedragen dan 105 dB(A). Indien niet wordt voldaan aan voorschrift 7.3.1 of enig ander vergunningvoorschrift voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid tot het treffen van handhavingsmaatregelen. Geconcludeerd moet worden dat geen grond aanwezig is voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan de voor de discotheek gestelde geluidvoorschriften.

2.10. Appellanten hebben zich ten aanzien van een aantal bezwaren in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het bestreden besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van deze bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn.

2.11. Het beroep, voorzover ontvankelijk, is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake de van de inrichting te duchten lichthinder betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. M. Oosting

en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

154-399.