Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206538/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206538/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 5 november 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 3 juni 1998 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam aanvragen van appellanten om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), afgewezen.

Bij besluiten van 18 mei 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 10 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 januari 2001 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2003, waar [appellant B] in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door M.M.C. Laan, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat de draagkracht in het inkomen van appellanten de in artikel 34, eerste lid, van de Wrb gestelde grens overschrijdt en aan het afgeven van een toevoeging in de weg staat. De motivering waarop dit oordeel steunt, luidt dat de schulden, die volgens appellanten op de draagkracht in hun inkomen in mindering moeten worden gebracht, niet vallen onder de in artikel 7, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: Bdr) bedoelde uitgaven noch onder de in het tweede lid van dit artikel bedoelde bijzondere uitgaven.

De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat appellanten de gestelde uitgaven op geen enkele wijze hebben aangetoond. Dat de schriftelijke bewijsstukken zijn ontvreemd dan wel in het ongerede zijn geraakt, zoals appellanten hebben gesteld, is een omstandigheid die voor risico van appellanten komt, aldus de rechtbank.

2.2. Het vorenstaande, uitmondend in het oordeel van de rechtbank dat de raad terecht op grond van de draagkracht in het inkomen van appellanten de toevoegingen heeft geweigerd, is juist en berust op goede gronden. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd vormt in de kern een herhaling van hun betoog bij de rechtbank en kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

238.