Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206749/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206749/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 8 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alblasserdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alblasserdam (hierna: het college) de aanvraag om vergunning van appellant voor het bouwen van een serre op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geweigerd.

Bij besluit van 21 mei 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2002, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 februari 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Die zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], architect, en [gemachtigde], adviseur, en het college, vertegenwoordigd door A. Bosselaar, gemachtigde , zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44 van de Woningwet, zoals die gold voor 1 januari 2003, mag de bouwvergunning alleen en moet deze worden geweigerd, voorzover thans van belang, indien het bouwwerk naar het oordeel van het college niet voldoet aan artikel 12, eerste lid.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van die wet, voorzover thans van belang, mogen het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.2. Het college heeft aan de gehandhaafde weigering bouwvergunning te verlenen ten grondslag gelegd zijn oordeel dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van de welstandscommissie Stichting Dorp Stad Land van 29 september 2000 (hierna: het welstandsadvies).

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn negatieve welstandsoordeel niet mocht baseren op het welstandsadvies.

Dat betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet mocht overnemen, ook in aanmerking genomen dat appellant in bezwaar geen tegenadvies van een deskundige heeft overgelegd. De door de architect van appellant ter zitting in hoger beroep gegeven zienswijze op het welstandsadvies doet daaraan niet af, aangezien het college daarmee bij het voorbereiden en nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat het college elk ontwerp voor een serre aan de betrokken woning afkeurt, overweegt de Afdeling nog dat de gemachtigde van het college ter zitting mogelijke alternatieven heeft aangedragen voor de realisering van een aanbouw aan de woning. Er bestaat dan ook geen grond om aan te nemen dat bij de verrichte welstandstoets de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “West” toegelaten bebouwingsmogelijkheden voor het perceel ten onrechte niet als gegeven zijn aanvaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Vasn Ettekoven w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

27-380.