Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9839

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200300706/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/2226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300706/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 14 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2003 heeft de raad van de gemeente Tilburg (hierna: de raad) het verzoek van appellant om vergoeding van planschade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen..

Bij besluit van 18 februari 2002 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2003, verzonden op 20 januari 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 maart 2003 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2003, waar appellant in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Weerts-van Loon, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten gevolge van de in geding zijnde planologische wijziging in een nadeliger situatie is komen te verkeren. In dit geschil moet de vraag worden beantwoord of de daaruit voortvloeiende schade redelijkerwijze te zijn laste moet blijven.

2.2. Uit de stukken waarover appellant de beschikking heeft gehad dan wel had kunnen hebben, moet worden afgeleid dat, objectief bezien, op het tijdstip waarop appellant het perceel [locatie] te [plaats] kocht, de komst van een omvangrijk garagebedrijf tot de mogelijkheden behoorde. Het feit dat appellant ervan heeft afgezien de tekening, die blijkens het door hem wél opgevraagde voorbereidingsbesluit daarvan deel uitmaakt en waarin de oppervlakte van het perceel is aangegeven waarop dat besluit ziet, op te vragen en te raadplegen, komt voor zijn risico. Gelet op de tekst “garagebedrijf met bebouwingsmogelijkheden” in het voorbereidingsbesluit en de op de bijbehorende tekening aangegeven grootte van het perceel, mocht niet worden uitgesloten dat het bedrijf gebruik zou maken van de mogelijkheid het perceel volledig ten behoeve van de bedrijfsvoering te benutten. Dat uit deze stukken niet exact blijkt op welke wijze en in welke omvang de bebouwing zou plaatsvinden, betekent niet dat, naar objectieve maatstaven bezien, geen rekening behoefde te worden gehouden met een uitbreiding als in geding.

Nu gelet hierop ten tijde van belang de uitbreiding van het garagebedrijf voorzienbaar was, is de conclusie dat appellant door niettemin tot de aankoop van het perceel [locatie] over te gaan, het risico van een planologische verslechtering heeft aanvaard.

De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het standpunt van de raad, inhoudend dat de schade om die reden redelijkerwijze geheel te laste van appellant kan worden gelaten, juist is.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

238.