Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200301583/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200301583/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 21 februari 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Schijndel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) de bedenkingen van appellanten in het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.5.6. van de Algemene wet bestuursrecht tegen het ontwerp van een besluit ongegrond verklaard en appellanten onder oplegging van een dwangsom van € 450,00 per dag met een maximum van € 158.000,00 gelast om vóór 1 april 2003: - het strijdig gebruik als zelfstandige woning in het rechtergedeelte van de [locatie] (hierna: het perceel), te beëindigen en - de woonvoorzieningen in voornoemd gedeelte te verwijderen en de daarbij vrijkomende materialen van voornoemd perceel af te voeren. De volgende woonvoorzieningen dienen te worden verwijderd: sanitaire voorzieningen, keukeninrichting, gas-, water- en elektriciteitsmeter en een aantal wanden die dit gedeelte van het pand de indeling van een zelfstandige woonruimte geven (wand tussen keuken en woonkamer en wand tussen bijkeuken en wc/douche).

Bij uitspraak van 21 februari 2003, verzonden op 25 februari 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 april 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2003, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door [ gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door C.C.P. van Steen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De last onder dwangsom betreft het rechtergedeelte van de woning aan de [locatie], waarin een aantal (woon)voorzieningen is aangebracht. Dit gedeelte wordt bewoond door de dochter van appellanten, terwijl zij zelf het linkergedeelte bewonen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het rechtergedeelte, gelet op de inrichting en de daarin aanwezige (woon)voorzieningen, is aan te merken als een tweede, zelfstandige woning. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat er een aparte toegangsdeur is in de rechterzijgevel. Dat deze deur reeds van oudsher aanwezig zou zijn, doet daarbij niet ter zake. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen maken alle in het rechtergedeelte aanwezige zelfstandige (woon)voorzieningen tezamen dat er sprake is van zelfstandige woning. Dat appellanten voor het rechtergedeelte geen onroerendezaakbelasting betalen, dat daaraan geen huisnummer is toegekend en dat er een verbinding is tussen het linker en rechtergedeelte van de woning, maakt dat, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet anders.

2.2. De Afdeling verstaat het tweede onderdeel van de last – mede gelet op de verklaringen van de vertegenwoordiger van het college ter

zitting - aldus dat alle daarin opgesomde voorzieningen dienen te worden verwijderd, hetgeen voor wat de aanwezige wanden betreft betekent dat (enkel) de wand tussen de keuken en de woonkamer en de wand tussen de bijkeuken en de wc/douche dienen te worden verwijderd.

Niet in geschil is dat appellanten de in de last opgenomen sanitaire voorzieningen en keukeninrichting zonder de ingevolge artikel 40 van de Woningwet vereiste bouwvergunning in het rechtergedeelte van de woning hebben aangebracht. Ten aanzien van de wand tussen de bijkeuken en de wc/douche hebben appellanten betoogd dat niet zij, maar de vorige eigenaar van het perceel deze heeft aangebracht. De gemachtigde van appellanten heeft blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank evenwel verklaard dat ter uitvoering van een overeenkomst van 28 augustus 1995 tussen de gemeente, de vorige eigenaar van het perceel en [appellant] de gehele binneninrichting van het rechtergedeelte is verwijderd, waardoor dit één ruimte werd. Daarnaast kan uit de weergave van de bevindingen van een op 11 januari 1996 door twee gemeenteambtenaren uitgevoerde controle ook worden opgemaakt dat de betreffende muur destijds is verwijderd. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling dan ook niet aannemelijk geworden dat appellanten de muur tussen de bijkeuken en de wc/douche niet zelf (weer) hebben aangebracht. Met betrekking tot de muur tussen de keuken en de woonkamer hebben appellanten betoogd dat deze niet (meer) aanwezig is, omdat deze ter uitvoering van eerder genoemde overeenkomst is verwijderd. De Afdeling acht dit evenmin aannemelijk gemaakt, nu de gemachtigde van appellanten en [appellant] ter zitting in hoger beroep hebben verklaard dat er wel een muur aanwezig is, doch dat dit, in vergelijking met de voorheen aanwezige muur, (nog) slechts een klein stukje muur betreft. Op basis van de ter beschikking staande stukken moet voorts worden aangenomen dat de in de last opgenomen gas-, water- en elektriciteitsmeters ten tijde van de oplegging van de last in het rechtergedeelte van de woning aanwezig waren en ook door appellanten zijn aangebracht. De door appellanten aangebrachte bouwkundige voorzieningen kunnen niet worden aangemerkt als veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet, reeds omdat geen sprake is van handhaving van bestaand, niet-wederrechtelijk, gebruik. Gelet op het vorenstaande was het college bevoegd om appellanten te gelasten de bouwkundige voorzieningen die – zonder de vereiste bouwvergunning - ten behoeve van de tweede zelfstandige woning zijn aangebracht, te verwijderen.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.

2.4. Ingevolge het ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom geldende bestemmingsplan “Buitengebied” rust op het onderhavige perceel de bestemming “Agrarisch bouwblok”.

Ingevolge artikel 3.1 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor agrarische bedrijven alsmede voor de exploitatie van agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 3.2.1 van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend worden opgericht bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken ten dienste van het agrarisch bedrijf met per aangegeven bouwgebied ten hoogste één bedrijfswoning.

Het tot stand brengen van een tweede, zelfstandige (burger)woning is met deze voorschriften in strijd. Anders dan appellanten stellen biedt het bestemmingsplan geen mogelijkheid om voormalige boerderijen (in twee burgerwoningen) te splitsen. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen komt appellanten geen beroep toe op het in artikel 69.1 van de planvoorschriften neergelegde (bouw)overgangsrecht, aangezien het realiseren van een tweede zelfstandige (burger)woning niet kan worden aangemerkt als een gedeeltelijke vernieuwing, verandering of vergroting van ten hoogste 10% dan wel herbouw na calamiteit. Niet in geschil is dat het realiseren van een tweede zelfstandige woning eveneens in strijd is met het ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom goedgekeurde bestemmingsplan “Buitengebied 2000”, waarin aan het perceel een woonbestemming is toegekend, die ter plaatse slechts één (zelfstandige) woning toestaat. Het college is voorts niet bereid om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen, nu het gemeentelijk-, provinciaal- en rijksbeleid erop is gericht om geen nieuwe burgerwoningen in het buitengebied toe te staan. Legalisering van de aangebrachte (woon)voorzieningen ligt derhalve niet in het verschiet.

2.5. De Afdeling is verder van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het tijdsverloop tussen de ingebrachte bedenkingen tegen het ontwerp-besluit en het definitieve besluit tot oplegging van een last onder dwangsom op zichzelf onvoldoende is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat het college in dit verband heeft gehandeld in strijd met enig ander beginsel van behoorlijk bestuur is niet gebleken. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat (onder meer) uit de stukken blijkt dat door de gemeente Schijndel geen toestemming is verleend om het rechtergedeelte van de woning te verbouwen en in gebruik te nemen als tweede, zelfstandige woning.

2.6. Het door appellanten gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank terecht verworpen. In de door appellanten genoemde situatie op het perceel [locatie] is sprake van een agrarisch bedrijf ten behoeve waarvan een tweede woning is opgericht. Voorts is voldoende komen vast te staan dat op het perceel [locatie] bouwvergunning is verleend voor een bij-/inwoonsituatie. Uit de bouwtekeningen blijkt dat in die situatie geen sprake is van een afzonderlijke ingang en dat in ieder geval de badkamer en de toiletten door alle inwoners gemeenschappelijk worden gebruikt. Daarvan is in het voorliggende geval geen sprake. De door appellanten genoemde gevallen zijn derhalve niet met de onderhavige situatie op één lijn te stellen. Ten aanzien van de door appellanten in de brief van 24 maart 2003 genoemde gevallen heeft het college in zijn verweerschrift van 24 april 2003 afdoende gemotiveerd dat daarbij evenmin sprake is van gelijke gevallen.

2.7. Ten aanzien van de inhoud van de opgelegde last is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen gelasten die onderdelen van het rechtergedeelte van de woning die rechtstreeks ten behoeve van de tweede zelfstandige woning zijn aangebracht, waaronder de gas-, water- en elektriciteitsmeter, te verwijderen. Het betoog van appellanten dat de verwijdering van die meters tot gevolg heeft dat aan het gehele pand de nutsvoorzieningen worden ontnomen kan, daargelaten de juistheid van dit betoog, niet leiden tot het oordeel dat het college had moeten volstaan met het opleggen van een minder verstrekkende last. De Afdeling acht het standpunt van het college dat, voorzover al juist zou zijn dat appellanten de aansluitingen op de nutsvoorzieningen uit (het linkergedeelte van) de woning hebben verwijderd en verplaatst naar het rechtergedeelte, dit te wijten is aan hun eigen handelen. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat de twee wanden waarop de last betrekking heeft, geen dragende muren zijn.

2.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen grond is voor het oordeel dat het college had moeten afzien van handhavend optreden tegen de aangebrachte (woon)voorzieningen. Daarmee is in dit geval tevens gegeven dat het gebruik van het rechtergedeelte van de woning als zelfstandige woning, waar de aanschrijving mede op ziet, niet (meer) mogelijk is. Er bestaat dan ook geen grond om nog in te gaan op hetgeen appellanten hebben gesteld over het gebruik(sovergangsrecht) en het opleggen van één dwangsom ten aanzien van bouwen en gebruik.

2.9. Ook in hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

369.