Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206017/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206017/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Borne, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 januari 2002, het bestemmingsplan "Tichelkampweg 77 e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 september 2002, kenmerk RWB/2002/740, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en het college van burgemeester en wethouders van Borne. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door O. Westra, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Borne, vertegenwoordigd door A.B.M. Bruins, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. Th.H.W. Juta, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. De beroepsgrond, gericht tegen de categorie-indeling van het autobedrijf, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet in de bouw van vier bedrijfshallen met bijbehorende bedrijfswoningen en nieuwbouw voor het ter plaatse gevestigde autobedrijf met showroom en werkplaats op het perceel [locatie]. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.4. Appellant heeft aangevoerd dat de uitnodiging voor de hoorzitting bij het college van gedeputeerde staten te laat is verstuurd. Appellant is tevens van mening dat de hoorzitting had moeten worden uitgesteld omdat hij deze om gezondheidsredenen niet kon bijwonen.

2.4.1. Ingevolge artikel 27, derde lid, dient het college van gedeputeerde staten degenen die tijdig hun bedenkingen hebben ingediend in de gelegenheid te stellen tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

De Afdeling stelt vast dat appellant op 26 juli 2002 een uitnodiging heeft ontvangen voor de hoorzitting op 14 augustus 2002. Anders dan appellant stelt overweegt de Afdeling dat verweerder hiermee appellant niet op een te korte termijn heeft uitgenodigd. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat niet van appellant verwacht kon worden dat hij de antwoordkaart, waarmee hij kon aangeven of hij van de uitnodiging gebruik wenste te maken, binnen drie dagen terugstuurde.

De Afdeling is voorts van oordeel dat het feit dat appellant om gezondheidsredenen niet aanwezig kon zijn bij de hoorzitting niet betekent dat hij niet in de gelegenheid is gesteld een mondelinge toelichting te geven. Appellant had immers maatregelen kunnen treffen om zijn belangen te behartigen.

2.5. Appellant heeft tevens aangevoerd dat hij tijdens de hoorzitting bij de gemeente amper aan het woord is gekomen en zich geremd en geïntimideerd voelde door de rechtstreekse uitzending hiervan op de locale radio.

2.5.1. Ingevolge artikel 23, onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dient de gemeenteraad degenen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt in de gelegenheid te stellen tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat appellant door de gang van zaken tijdens de hoorzitting in zijn belangen is geschaad. Niet is gebleken dat appellant hierdoor onvoldoende in de gelegenheid is gesteld een mondelinge toelichting te geven op de door hem ingediende zienswijze.

2.6. Appellant voert voorts aan dat de tenaamstelling van het bestemmingsplan misleidend is.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad met de naam van het bestemmingsplan "Tichelkampweg 77 e.o." in voldoende mate heeft aangegeven waar het plangebied ligt. Tevens is in de kennisgeving aangegeven waarop het plan betrekking heeft.

2.7. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. Daartoe stelt appellant onder meer dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op zijn bedenking aangaande de verkeersveiligheid.

2.7.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Verweerder stelt dat de betreffende bedenking van appellant geen grondslag vindt in zijn zienswijze. Verweerder heeft deze bedenking van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

2.7.2. De Wet op de Ruimtelijke Ordening voorziet er niet in dat bij een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, de ingebrachte bedenkingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarom kan verweerder, in het geval dat aan artikel 27 geen recht tot het inbrengen van bedenkingen kan worden ontleend, de desbetreffende bedenkingen slechts buiten beschouwing laten.

De Afdeling zal de niet-ontvankelijkverklaring door verweerder van genoemde bedenkingen opvatten alsof hij deze buiten beschouwing heeft gelaten.

2.7.3. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar heeft gemaakt, alsmede een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest overeenkomstig artikel 23 zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzagelegging bij het college van gedeputeerde staten bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan.

In zijn zienswijze komt appellant op tegen het plandeel met de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. De bedenking van appellant aangaande de verkeersveiligheid vindt hierin zijn grondslag. Verweerder heeft deze bedenking dan ook ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

Gelet hierop en nu verweerder de inhoud van deze bedenking ook anderszins niet heeft behandeld, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.8. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de categorie-indeling van het autobedrijf betreft;

II. verklaart het beroep, voorzover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 24 september 2002, RWB/2002/740, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 133,88; het bedrag dient door de provincie Overijssel te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de provincie Overijssel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

270-445.