Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200204930/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/361
Milieurecht Totaal 2003/4619
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/4406
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/4606

Uitspraak

200204930/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2002, kenmerk WM/1999-138, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het zagen en afkorten van rondhout, het verwerken, drogen, dompelen alsmede de handel in gezaagd hout en ondergrondse opslag van dieselolie op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 1 augustus 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.O.R. Broek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de geluidsgrenswaarden zoals opgenomen in voorschrift 10 onder j en voorschrift 12 onder l en m. Verweerder heeft tevens gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen het ontbreken van geluidsvoorschriften voor de avond- en de nachtperiode. Verweerder heeft ten slotte gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen voorschrift 59, zowel voor wat betreft de daarin gebezigde terminologie als voor wat betreft de daarin geëiste mate van brandwerendheid.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld vinden de grond inzake de geluidsgrenswaarden in voorschrift 10 onder j en voorschrift 12 onder l en m en de grond inzake het ontbreken van geluidsvoorschriften voor de avond- en de nachtperiode wel hun grondslag in de bedenkingen. Daarin heeft appellante immers aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de in de ontwerp-beschikking vastgelegde geluidsnormering.

Eveneens anders dan verweerder heeft gesteld vinden ook de gronden tegen voorschrift 59 wel hun grondslag in de bedenkingen. Daarin is immers aangevoerd dat de inrichting en de uitvoering van de bedrijfsgebouwen voldoen aan de eisen van de onderliggende vergunningen en aan de eisen van de brandweer. Tevens is daarin aangevoerd dat de in de brandvoorschriften gebezigde terminologie onduidelijk is en dat onduidelijk is hoe de bijzondere “voorschriften in verband met de bewerking van hout” – en daarvan in het bijzonder de voorschriften 183 en 184 van het ontwerpbesluit – zich verhouden tot de algemene brandveiligheidseisen en in het bijzonder tot de voorschriften 59-62 van het ontwerpbesluit.

Het beroep is derhalve in zijn geheel ontvankelijk.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante stelt dat verweerder de revisievergunning ten onrechte heeft geweigerd voor zover het de uitbreiding van de bedrijfstijd van 19.00 uur tot 20.00 uur betreft. Appellante verwijt verweerder dat hij bij deze weigering haar belangen niet of althans onvoldoende heeft meegewogen en dat hij de weigering ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft haars inziens ten onrechte niet de mogelijkheid overwogen om, op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, een geluidsniveau te accepteren dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid te boven gaat.

2.3.1. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit als uitgangspunt genomen dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet overschreden mag worden (verweerder spreekt in het ontwerpbesluit van het “achtergrondniveau (L95)”, maar heeft daarmee kennelijk het referentieniveau van het omgevingsgeluid bedoeld). Aan dit uitgangspunt heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) en de vaste jurisprudentie van de Afdeling ten grondslag gelegd.

2.3.2. Uit de nader door appellante ingediende stukken blijkt dat verweerder bij het bepalen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid het in de directe omgeving van appellante gevestigde [bedrijf] buiten beschouwing heeft gelaten.

De Afdeling overweegt dat op grond van de Handreiking bij de bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid in beginsel alle aanwezige geluidsbronnen moeten worden betrokken. Verweerder heeft ter zitting niet duidelijk kunnen maken waarom hij voornoemd bedrijf bij het bepalen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid buiten beschouwing heeft gelaten. Hieruit volgt dat verweerder het bestreden besluit voor wat betreft de weigering van de uitbreiding van de bedrijfstijd onzorgvuldig heeft voorbereid. De voorschriften 10, 11 en 12 dienen te worden vernietigd.

Het beroep is in zoverre gegrond. Hieruit vloeit voort dat de beroepsgrond inzake voorschrift 10 onder j en voorschrift 12 onder l en m geen behandeling behoeft.

2.4. Appellante keert zich tegen het ontbreken van geluidsvoorschriften voor de avond- en de nachtperiode. Volgens appellante blijkt uit het akoestisch rapport bij de aanvraag dat de droogkamer en het ketelhuis ook buiten de bedrijfstijden onafgebroken in werking zijn. Appellante stelt dat verweerder, door geen geluidsvoorschriften voor de avond- en de nachtperiode op te nemen, het permanent in werking zijn van deze installaties heeft geweigerd.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat verweerder blijkens het bestreden besluit de aanvraag heeft geweigerd voor zover het werkzaamheden in de avond- en de nachtperiode betreft. In het verweerschrift benadrukt verweerder dat de weigering uitsluitend op werkzaamheden ziet en geen betrekking heeft op installaties die continu in werking zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Appellante voert aan dat voorschrift 57 eisen bevat ten aanzien van de buitenopslag van hout, terwijl de brandweer tijdens een bezoek aan de inrichting op 30 januari 2002 aangaf dergelijke eisen niet nodig te vinden. Voorts vindt appellante dat de in het voorschrift gestelde eisen (de maximale omvang van elk afzonderlijk opslaggedeelte bedraagt 750 m2 en de doorgang tussen die gedeelten bedraagt minimaal 4 meter) volstrekt willekeurig lijken, in elk geval niet worden verantwoord in het bestreden besluit en niet berusten op gegevens uit de aanvraag.

2.5.1. Volgens verweerder zijn de betreffende eisen gesteld in het belang van de brandbestrijding: de omvang van een eventuele brand wordt er door beperkt en het bereik van de blusmiddelen wordt er door vergroot. Verweerder merkt overigens op dat appellante aan de maximumomvang van de opslaggedeelten voldoet.

Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat appellante weliswaar op dit moment aan voorschrift 57 voldoet, maar dat hij aan het voorschrift wil vasthouden om bij een eventuele overtreding van het voorschrift in de toekomst te kunnen optreden.

2.5.2. Gelet op de brandgevoeligheid van hout heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 57 uit het oogpunt van brandveiligheid en brandbestrijding noodzakelijk is. Verder leidt de Afdeling uit het gegeven dat appellante reeds aan dit voorschrift voldoet, af dat dit niet als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd.

2.6. Appellante voert aan dat voorschrift 59 onduidelijk is geformuleerd, voor zover het spreekt van “de machinale houtbewerkingsruimte” en “machinale houtbewerkingsruimten”. Aldus is haar onduidelijk voor welke bedrijfsruimten de eisen in het voorschrift precies gelden. Daarnaast stelt appellante dat de in het voorschrift opgenomen eis van 60 minuten weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) uitgaat boven hetgeen de brandweer verlangt.

2.6.1. Verweerder heeft zich over deze gronden niet uitgelaten in (de toelichting bij) het bestreden besluit. Ook in zijn verweerschrift gaat verweerder hier niet inhoudelijk op in, omdat hij van mening is dat de gronden niet-ontvankelijk zijn.

2.6.2. De Afdeling is met appellante van oordeel dat onduidelijk is wat in voorschrift 59 precies moet worden verstaan onder “(de) machinale houtbewerkingsruimte(n)”. Dit begrip wordt niet gedefinieerd in het bestreden besluit, zodat onduidelijk is of alleen de twee zagerijen eronder vallen, of ook andere onderdelen van de inrichting (zoals de chipsopslag en de houtmotafzuiging). Het voorschrift is derhalve in strijd met de rechtszekerheid en dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de in voorschrift 59 geëiste 60 minuten weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) in het belang van de bescherming van het milieu nodig is. Ter zitting heeft verweerder dit evenmin duidelijk kunnen maken. Het bestreden besluit is derhalve in zoverre onzorgvuldig voorbereid en dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.7. Appellante kan zich niet verenigen met het feit dat voorschrift 60, anders dan in het ontwerpbesluit, eist dat ramen in wanden van brandcompartimenten zelfsluitend zijn en verbiedt dat ramen in geopende stand worden vastgezet.

2.7.1. De Afdeling is van oordeel dat verweerder deze eis in het belang van de brandveiligheid in redelijkheid heeft kunnen stellen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. Voorschrift 111 verplicht appellante binnen één jaar na het van kracht worden van de vergunning een energiebesparingsonderzoek te laten verrichten. Voorschrift 112 noemt een zevental onderwerpen waarover dat onderzoek zich ten minste moet uitstrekken. Op grond van voorschrift 113 is appellante verplicht de in voorschrift 112 genoemde maatregelen en/of technieken toe te passen, voor zover die zijn aangegeven in de door verweerder op grond van artikel 8.13 van de Wet milieubeheer te stellen nadere eisen.

2.8.1. Appellante verzet zich tegen voorschrift 113, omdat dit naar haar inzicht een onbegrensde reikwijdte heeft. Uit het voorschrift vloeit haars inziens voort dat alle maatregelen die uit het energiebesparingsonderzoek naar voren zullen komen, uitgevoerd moeten worden. Volgens appellante mag het instrument van de nadere eis van artikel 8.13, onder f, van de Wet milieubeheer niet zo ruim geïnterpreteerd worden dat daarmee de weg wordt vrijgemaakt voor het verbinden van nieuwe, nog onbekende, verplichtingen aan de vergunning waardoor die zou worden gewijzigd.

2.8.2. Ingevolge artikel 8.13, eerste lid, aanhef, van de Wet milieubeheer kunnen in het belang van de bescherming van het milieu aan een vergunning andere voorschriften dan doel- en middelvoorschriften worden verbonden. Die voorschriften kunnen ingevolge het in het eerste lid onder f genoemde inhouden dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde, daarbij aangegeven onderwerpen moet worden voldaan aan nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld.

De Afdeling is met verweerder van oordeel dat de reikwijdte van voorschrift 113 niet onbegrensd is. Appellante is immers slechts gehouden onderzoek te verrichten naar de in voorschrift 112 genoemde aspecten. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling onjuist de stelling van appellante dat uit het voorschrift voortvloeit dat alle mogelijke maatregelen en technieken die uit het energiebesparingsonderzoek naar voren zullen komen, uitgevoerd moeten worden. Ingevolge voorschrift 113 geldt dit immers slechts voor die maatregelen die verweerder opneemt in een nadere eis in de zin van artikel 8.13 van de Wet milieubeheer. Ten slotte wijst de Afdeling er, met verweerder, op dat voor appellante rechtsmiddelen openstaan om op te komen tegen een dergelijke nadere eis. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9. Appellante verzet zich tegen de in voorschrift 189 respectievelijk voorschrift 191 voorgeschreven ontluchtingsopening en overvulbeveiliging in de motopslagruimte. Volgens appellante is een ontluchtingsopening onnodig omdat in de motopslagruimte geen overdruk kan ontstaan. Ook een overvulbeveiliging is haars inziens onnodig. Doordat de aanvoeropening in de motopslagruimte enkele meters lager zit dan het dak en de aanvoerband uitslaat zodra het opgeslagen houtmot het niveau van de aanvoeropening bereikt en de aanvoerband volloopt, kan de opslagruimte nooit overvuld raken.

2.9.1. Verweerder ziet blijkens het verweerschrift geen reden meer de eis van de ontluchtingsopening te handhaven en verzoekt de Afdeling voorschrift 189 te vernietigen.

Verweerder merkt in het verweerschrift tevens op dat de aanwezige voorziening functioneert als een overvulbeveiliging en dat appellante daarmee voldoet aan voorschrift 191.

2.9.2. Voor de Afdeling bestaat geen reden te twijfelen aan het oordeel van verweerder dat er geen reden is om in het belang van de bescherming van het milieu de in voorschrift 189 geëiste ontluchtingsopening te handhaven. Hieruit vloeit voort dat het voorschrift wegens strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond. Uit dit oordeel vloeit voort dat voorschrift 187 gedeeltelijk moet worden vernietigd, in die zin dat de laatste zinsnede, luidende “met uitzondering van de ontluchtingsopening”, moet worden vernietigd.

Ter zitting is komen vast te staan dat uit (de tekeningen bij) de aanvraag blijkt dat de aanvoeropening in de motopslagruimte enkele meters lager zit dan het dak. Partijen zijn het erover eens dat de opslagruimte niet overvuld kan raken, omdat de aanvoerband uitslaat zodra het opgeslagen houtmot het niveau van de aanvoeropening bereikt en de aanvoerband volloopt. Hieruit volgt dat voorschrift 191 niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu en wegens strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.10. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. De voorschriften 10, 11, 12, 59, 189 en 191, en voorschrift 187 voor wat betreft de zinsnede “met uitzondering van de ontluchtingsopening” dienen te worden vernietigd.

2.11. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 16 juli 2002, WM/1999-138, voor zover het de voorschriften 10, 11, 12, 59, 189 en 191 betreft, en voorschrift 187 voor wat betreft de zinsnede “met uitzondering van de ontluchtingsopening”;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Ede op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Ede te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de gemeente Ede aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch. W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

179-442.