Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200205748/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 178 met annotatie van A.A.J. de Gier
JB 2003/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205748/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 september 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij brief van 16 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bekendgemaakt dat voor zijn aanvraag van 24 oktober 2000 voor een woonhuis op het perceel [locatie], gedeeltelijk te Valkenswaard (hierna: het perceel) van rechtswege bouwvergunning is verleend.

Bij besluit van 19 juni 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de mededeling dat van rechtswege bouwvergunning is verleend teruggenomen, en alsnog bouwvergunning voor de woning verleend.

Bij uitspraak van 23 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 januari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door [ gemachtigde], is verschenen. Het college is daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het besluit van 19 juni 2001, voor zover daarbij is beslist op het bezwaarschrift tegen de mededeling van 16 februari 2001, heeft het college terecht geconstateerd dat voor het bouwplan geen bouwvergunning van rechtswege is verleend als bedoeld in artikel 46, vierde lid, van de Woningwet. Het college heeft gelet hierop terecht bij zijn besluit van 19 juni 2001 de mededeling dat zodanige bouwvergunning was verleend als onjuist teruggenomen. Nu geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan diende het college derhalve nog een primair besluit op de bouwaanvraag van 24 oktober 2000 te nemen. Het besluit van 19 juni 2001 tot verlening van de bouwvergunning is derhalve het primaire besluit op de aanvraag om bouwvergunning. Tegen dit besluit kon bij het college een bezwaarschrift worden ingediend. Nu geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan, staat daarmee tevens vast dat er op 16 februari 2001 geen sprake was van een besluit waartegen appellant bezwaar kon maken. Het college had het tegen de mededeling van 16 februari 2001 gerichte bezwaarschrift van appellant derhalve niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De rechtbank had het besluit van 19 juni 2001, voorzover daarbij is beslist op het bezwaar van appellant, om die reden moeten vernietigen en het bij haar ingediende beroepschrift, gericht tegen het besluit van 19 juni 2001 tot verlening van bouwvergunning ingevolge artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht aan het college moeten doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift. In dat kader kan het standpunt van appellant dat het college bouwvergunning had moeten weigeren wegens het bouwen op verontreinigde grond ten volle aan de orde komen.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank gegrond verklaren, het besluit op bezwaar vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Het college zal alsnog dienen te beslissen op het tegen het besluit van 19 juni 2001 door appellant gemaakte bezwaar.

2.3. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 september 2002, AWB 01/1900;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard van 19 juni 2001, voorzover appellant daarbij in zijn bezwaar ontvankelijk is verklaard;

IV. verklaart het bezwaarschrift van appellant tegen de vermeende fictieve bouwvergunning niet-ontvankelijk;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1319,41, waarvan € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Valkenswaard te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat gemeente Valkenswaard aan appellant het door hem voor de behandeling van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 + € 165 = € 267,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

17-412.