Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206400/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206400/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VABEOG Amersfoort B.V.", gevestigd te Amersfoort,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 23 oktober 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) vrijstelling van de bouwverordening en bouwvergunning verleend voor 55 woningen, een stallingsgarage en bedrijfsruimte op het perceel, plaatselijk bekend Puntenblok A, gemeente Amersfoort, kadastrale aanduiding AMF00, sectie H, nummer 3369 gedeeltelijk, te Amersfoort (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 april 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2002, verzonden op 24 oktober 2002, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 4 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 februari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar appellante vertegenwoordigd door mr. J. Witvoet, advocaat te De Bilt, gemachtigde en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Boelens en mr. D.J. Beens, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Er bestaat geen aanleiding voor inwilliging van het ter zitting door appellante gedane verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak. Artikel 44 van de Woningwet vormt het toetsingskader voor onderhavig bouwplan. Dat bouwaanvragen zijn ingediend voor percelen in de onmiddelijke nabijheid van het perceel maakt dat niet anders.

2.2. Appellante betoogt dat in het Koninklijk Besluit van 5 februari 1993, nummer 93.001177, de bouwhoogte ter plaatse is bepaald op 15 m. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat het college bouwvergunning had moeten weigeren omdat het bouwplan deze hoogte overschrijdt. Dit betoog faalt. Vaststaat dat het de hoogte van bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Centraal Stadsgebied-Noord” van 15 juni 2000 (hierna: het bestemmingsplan). Het betoog van appellante, daargelaten de juistheid ervan, kan daaraan niet afdoen. Het college heeft in de hoogte van het bouwplan dan ook terecht geen grond gezien om de bouwvergunning te weigeren.

2.3. In hoger beroep volstaat appellante met een herhaling van zijn reeds in beroep naar voren gebrachte standpunt dat voor het bouwplan een onjuiste parkeernorm is gehanteerd en dat niet aan die norm wordt voldaan. De rechtbank is daarop in de aangevallen uitspraak ingegaan en heeft op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de in het bestemmingsplan opgenomen parkeernormen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rechtbank van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

17-412.