Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200200315/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 4a
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/496
BR 2003/192
Module Ruimtelijke ordening 2003/3648

Uitspraak

200200315/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], beiden wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellanten sub 7], beiden wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellanten sub 11], beiden wonend te [woonplaats],

12. [appellanten sub 12], beiden wonend te [woonplaats],

13. [appellante sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellante sub 14], wonend te [woonplaats],

15. [appelllanten sub 15], beiden wonend te [woonplaats],

16. [appellanten sub 16], beiden wonend te [woonplaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellanten sub 18], beiden wonend te [woonplaats],

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

21. [appellante sub 21], wonend te [woonplaats],

22. [appellanten sub 22], beiden wonend te [woonplaats],

23. [appellanten sub 23], beiden wonend te [woonplaats],

24. [appellanten sub 24], beiden wonend te [woonplaats],

25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],

26. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],

27. [appellanten sub 27], beiden wonend te [woonplaats],

28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats],

29. [appellanten sub 29], beiden wonend te [woonplaats],

30. [appellant sub 30], wonend te [woonplaats],

31. [appellanten sub 31], beiden wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2001 heeft de gemeenteraad van Zundert, op voorstel van burgemeester en wethouders van 9 april 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Oekelsbos".

Verweerder heeft bij besluit van 11 december 2001, 757385, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 17, sub 18, sub 20, sub 25 en van verweerder.

Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2003, waar appellanten, behoudens appellant sub 1 in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerders en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een terrein van ongeveer 15 ha, het Oekelsbos, dat ligt tussen de Breedschotsestraat en het riviertje de Aa of Weerijs en grenst aan de zuidkant van camping “’t Oekeltje”. Met het plan is beoogd een planologische regeling te geven voor het gebruik van de in het gebied aanwezige woningen.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Verweerder heeft het plan in strijd geacht met het streekplan. Hij stelt dat het plan nieuwe burgerwoningen toestaat alsmede intensivering van functies, uitbreiding van bebouwing en verbreding van wegen mogelijk maakt binnen de provinciale Groene Hoofdstructuur, waarvoor een streekplanafwijkingsprocedure dient te worden gevolgd. In het midden latend of daartoe aanleiding bestaat stelt verweerder in het bestreden besluit vast dat gelet op de termijn waarbinnen het besluit omtrent goedkeuring bekend moet zijn gemaakt, de tijd voor het volgen van een streekplanafwijkingsprocedure ontbreekt. Omdat verweerder slechts kleine gedeelten van het plan aanvaardbaar acht onthoudt hij goedkeuring aan het gehele plan.

2.4. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft onthouden. Zij voeren onder meer aan dat de onthouding van goedkeuring in strijd is met het vertrouwensbeginsel en dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat een streekplanafwijkingsprocedure dient te worden gevolgd.

2.5. Uit de stukken kan worden afgeleid dat het plangebied onderdeel vormt van het buitengebied. Het provinciaal ruimteIijk beleid vermeld in het Streekplan Noord-Brabant van 17 juli 1992 (hierna te noemen: het streekplan) is er op gericht het toevoegen van nieuwe burgerwoningen aan het buitengebied tegen te gaan. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk. Het plan maakt in afwijking van het voorheen geldende plan gebruik van recreatiewoningen als burgerwoning mogelijk, hetgeen in strijd is met dit streekplanbeleid.

Ingevolge artikel 4a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, wordt bij een streekplan bepaald in hoeverre gedeputeerde staten binnen bij het plan te bepalen grenzen van het plan mogen afwijken. Volgens paragraaf 9.2.1. van het streekplan kan verweerder, met inachtneming van inhoudelijke en procedureregels, gebruik maken van deze afwijkingsbevoegdheid onder andere om af te wijken van beleidsuitspraken inzake het vestigingsbeleid. Het beleid inzake het tegengaan van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied maakt onderdeel uit van dit vestigingsbeleid. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat een afwijkingsprocedure dient te worden gevolgd om goedkeuring aan het plan te kunnen verlenen.

2.6. De Afdeling overweegt dat voor het volgen van een afwijkingsprocedure aanleiding kan bestaan indien in een concreet aangegeven geval sprake is van feiten en omstandigheden die een afwijking van het streekplan kunnen rechtvaardigen. Vaststaat dat verweerder dit niet heeft onderzocht. Het standpunt van verweerder dat de termijn waarbinnen een besluit omtrent goedkeuring diende te worden genomen geen ruimte meer bood voor het volgen van een afwijkingsprocedure, miskent dat hij gehouden is het besluitvormingsproces zodanig in te richten dat een besluit met de vereiste zorgvuldigheid wordt voorbereid. Dit klemt te meer nu blijkens de stukken bij de totstandkoming van het plan veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden met verweerder en hij derhalve tijdig had kunnen anticiperen op de vraag of afwijking van het streekplan gerechtvaardigd is.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7. Ten aanzien van appellanten sub 1, 3, 4, 12, 14, 15, 16, 18, 20, 21, 22, 24, 28, 29, 30 en 31 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat voor de berekening van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand de beroepen van appellanten sub 3, 12, 14, 16 en 28 voor wat betreft het verschijnen ter zitting, en de beroepen van appellanten sub 29 en 30 voor wat betreft het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting, als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Ten aanzien van appellanten sub 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 17, 19, 23, 25, 26 en 27 is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 11 december 2001, 757385;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten sub 1, 3, 4, 12, 14, 15, 16, 18, 20, 21, 22, 24, 28, 29, 30 en 31, in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 5585,92. Dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant als volgt te worden betaald aan appellanten:

- aan appellant sub 1, € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 3, € 214,65, waarvan € 96,60 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 4, € 41.27;

- aan appellant sub 12, € 214,65, waarvan € 96,60 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 14, € 536,65, waarvan € 418,60 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 15, € 680,37, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 16, € 214,65, waarvan € 96,60 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 18, € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 20, € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 21, € 762,05, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 22, € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 24, € 358,37, waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 28, € 536,65, waarvan € 418,60 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 29, € 351,57, waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan appellant sub 30, € 350,67, waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - aan appellant sub 31, € 36,37;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellant sub 20, € 109,00 voor alle andere appellanten, ieder) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, mr. R.H. Lauwaars en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Voskamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

370.