Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206542/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2003/666
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206542/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 28 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast binnen zes weken een paardenonderkomen te verwijderen van het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 mei 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, en het besluit van 13 december 2001, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 28 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 februari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. R.C. Alblas en ing. B.J.J. van der Voort, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het paardenonderkomen ten onrechte als een (vergunningplichtig) bouwwerk heeft aangemerkt aangezien dat geregeld wordt verplaatst en uitsluitend bedoeld is om een paard op het perceel beschutting te bieden bij extreme weersomstandigheden.

2.2. Dit betoog faalt. Onder bouwwerk in de zin van de Woningwet moet worden verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Het bestaan van een dergelijke situatie kan onder meer worden aangenomen op grond van de kennelijke intentie van de eigenaar of gebruiker, de duur van de aanwezigheid en het treffen van voorzieningen aan of bij het bouwwerk.

Op grond van de processtukken, met name de daarvan deel uitmakende foto’s, en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling, evenals de rechtbank, voldoende aannemelijk dat het paardenonderkomen – in overeenstemming met de beoogde functie ervan - overwegend en gedurende langere aaneengesloten perioden op het perceel aanwezig is. Dat het incidenteel wordt verplaatst naar andere percelen, zoals appellant stelt, doet aan het voorgaande niet af. Het college heeft het paardenonderkomen dan ook terecht als bouwwerk in voormelde zin is aangemerkt.

2.3. Vast staat dat het paardenonderkomen zonder de vereiste bouwvergunning is geplaatst. Het college was derhalve bevoegd daartegen handhavend op te treden.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. Het oordeel van de rechtbank dat concreet zicht op legalisering ontbrak ten tijde van de beslissing op bezwaar betwist appellant niet.

2.5. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalt. Niet is gebleken dat het college afziet van handhavend optreden in de door appellant in dit verband genoemde gevallen. Dat ten tijde van de beslissing op bezwaar handhavend optreden in die gevallen nog niet had plaatsgevonden biedt daarvoor, gelet ook op het ter zake gevoerde beleid, onvoldoende aanknopingspunten. Op grond van de door de gemeenteraad op 10 maart 1998 vastgestelde “Kadernota handhaven is regel”, wordt consequent opgetreden tegen nieuw opgerichte illegale bouwwerken. Anders dan het zijne moeten de door appellant genoemde gevallen als bestaande gevallen in de zin van de nota worden aangemerkt. In het door hem genoemde nieuwe geval is het illegale bouwwerk inmiddels verwijderd, zo is ter zitting gebleken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

17-412.