Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9812

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200205054/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205054/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Sunfield Holland B.V." en andere, allen gevestigd te Valkenburg,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2002, kenmerk DGWM/6203, heeft verweerder met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de op

22 december 1992 krachtens de Hinderwet aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “B.V. Exploitatie Maatschappij Reticulum” (hierna: vergunninghoudster) verleende oprichtingsvergunning voor een inrichting voor het winnen van zand op het adres Voorschoterweg 30 te Valkenburg, gewijzigd. Dit besluit is op 5 augustus 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.G. Hinnen, advocaat te Den Haag,

en verweerder, vertegenwoordigd door ing. R.M. van den Berg en M. van der Slikke, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J. Stoop, advocaat te Amsterdam, in aanwezigheid van [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de grond inhoudende dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit rekening had moeten houden met een door vergunninghoudster ingediende aanvraag om een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellanten hebben aangevoerd dat in de overwegingen van het bestreden besluit niet is ingegaan op de door hen ingebrachte bedenking dat verweerder de percelen gelegen tegenover de inrichting ten onrechte heeft aangemerkt als “bestemd voor agrarische doeleinden” in plaats van “bestemd voor glastuinbouw”.

2.2.1. Artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen vermeldt.

2.2.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen expliciete overweging gewijd aan de bovengenoemde bedenking. Naar het oordeel van de Afdeling staat deze bedenking echter in nauw verband met de bedenking dat voor overlast als gevolg van het neerslaan van stof op de kassen moet worden gevreesd. Daarop is in de overwegingen van het bestreden besluit wel ingegaan, evenals op de vraag hoe deze hinder kan worden voorkomen dan wel voldoende kan worden beperkt. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. Deze grond treft geen doel.

2.3. Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu.

Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.4. Op verzoek van vergunninghoudster heeft verweerder het aan de voornoemde vergunning van 22 december 1992 verbonden voorschrift B.15, zoals dat bij uitspraak van de Afdeling van 14 december 1994, nr. G05.93.0351, zelf voorziend is aangepast, gewijzigd. Ingevolge het gewijzigde voorschrift, voorzover hier van belang, moet verspreiding buiten de inrichting van fijnkorrelig materiaal zoals zand, stof, waterdruppels en -nevel zoveel mogelijk worden voorkomen door het treffen van ten minste de volgende maatregelen:

- De zanddepots moeten met behulp van bijvoorbeeld een beregeningsinstallatie continu vochtig gehouden worden; daarbij moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat tijdens het beregenen waterdruppels c.q. -nevel buiten de inrichting terechtkomen.

- Verkeer, waaronder vrachtwagens, moet gebruikmaken van de afvoerweg die gelegen is tussen de zanddepots en het Valkenburgse Meer.

- Tussen de zanddepots moet een open ruimte blijven van ten minste 125 meter, deze open ruimte moet zich bevinden voor de nabij de inrichting gelegen woningen.

- Terreingedeelten die niet worden gebruikt zoals dat is aangegeven met spikkeltjes op de bij dit besluit behorende tekening met projectnummer 77012, moeten worden afgedekt met teelaarde en ingezaaid met gras of een ander bodembedekkend gewas.

2.5. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het gewijzigde voorschrift B.15. Naar hun mening is het voorschrift ten onrechte gewijzigd van een doel- in een middelvoorschrift. Ter zitting is naar voren gekomen dat dit bezwaar niet zo moet worden opgevat dat zij het voorschrift zoals dat luidde voor de wijziging terug willen. Appellanten wensen dat het bij het bestreden besluit gewijzigde voorschrift B.15 verder wordt aangescherpt. Volgens hen bieden de voorgeschreven maatregelen onvoldoende waarborgen tegen hinder als gevolg van verstuiving van stof, zand, waterdruppels en nevel en wordt niet voldaan aan het in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer neergelegde ALARA-beginsel. Verder kan dit voorschrift naar hun mening niet worden nageleefd, aangezien de genoemde maatregelen technisch niet uitvoerbaar zijn. Tot slot voeren zij aan dat hetgeen in de overwegingen van het bestreden besluit is gesteld met betrekking tot het voorkomen van het neerslaan van waterdruppels en/of nevel buiten de inrichting niet overeenstemt met hetgeen in voorschrift B.15 is bepaald.

2.6. Verweerder heeft ter beoordeling van de vraag in hoeverre de stofhinder kan worden beperkt aansluiting gezocht bij een rapport van Grontmij Advies en Techniek B.V., gedateerd 8 september 2000. In dit rapport is het plaatsen van sproeiers aangemerkt als de meest effectieve maatregel ter beperking van stofhinder. Verder heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat bepaalde aanvullende maatregelen van vergunninghoudster niet kunnen worden gevergd, bijvoorbeeld omdat deze niet effectief zijn.

2.7. Anders dan appellanten menen wordt in voorschrift B.15 als doel vooropgesteld dat stofhinder zoveel mogelijk moet worden beperkt. Verweerder is er, naar het oordeel van de Afdeling, mede gelet op het verhandelde ter zitting, op goede gronden van uitgegaan dat het onmogelijk is onder alle omstandigheden te voorkomen dat fijn korrelig materiaal zoals zand en stof buiten de inrichting wordt verspreid. Verweerder heeft in voorschrift B.15 een aantal maatregelen genoemd die ten minste moeten worden getroffen. Uit de woorden “zoveel mogelijk” in samenhang met de woorden “ten minste” echter volgt dat wanneer er onder bepaalde omstandigheden of in de toekomst betere maatregelen mogelijk zijn dan de in het voorschrift genoemde – zoals bijvoorbeeld het ter zitting door vergunninghoudster genoemde aanbrengen van een laag cellulose – deze maatregelen ook moeten worden toegepast.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling, mede gelet op het vorenstaande, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorschrift B.15 niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten ter voorkoming van onaanvaardbare stofhinder. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling, mede gelet op het verhandelde ter zitting, evenmin aanleiding voor het oordeel dat dit voorschrift niet kan worden nageleefd. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de overwegingen van het besluit niet geheel overeenstemmen met de inhoud van de voorschrift B.15, overweegt de Afdeling dat dit betoog zich richt tegen de considerans van het bestreden besluit en niet tegen het bestreden besluit als zodanig. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het onduidelijk kan zijn welke verplichting voortvloeit uit voorschrift B.15. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.8. Appellanten voeren voorts aan dat verweerder ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning heeft verbonden inhoudende dat een windsingel langs de grens van de inrichting dient te worden aangebracht. Verder voeren appellanten aan dat de reeds bestaande windsingel onvoldoende is uitgevoerd.

De Afdeling overweegt dat in het aan de vergunning verbonden voorschrift B.17 is voorgeschreven dat een windsingel moet worden aangebracht. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Voorzover appellanten betogen dat deze windsingel niet goed is uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat dit betoog zich niet richt tegen het ter beoordeling staande besluit maar ziet op de naleving van het aan de vergunning verbonden voorschrift B.17. Het betoog kan reeds hierom niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.9. Gelet op het voorgaande dient het beroep, voorzover ontvankelijk, ongegrond te worden verklaard.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de door vergunninghoudster ingediende aanvraag om een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

154-361.