Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200204532/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 59 Woningwet verhindert niet intrekking bouwvergunning op verzoek vergunninghouder. Nieuwe bouwaanvraag voor identiek bouwplan toetsen aan (mogelijk gunstiger) art. 19 (nieuw) WRO. Onder art. 19 (nieuw) WRO urgentievereiste niet meer stellen.

Bouwvergunning en vrijstelling (19 WRO) voor twee woontorens. De bouwvergunning en vrijstelling zijn verleend op verzoek van vergunninghouder van 23 maart 2001. Vaststaat dat het college aan vergunninghouder op zijn eerdere verzoek van 8 december 1999 op 4 december 2000 een bouwvergunning en vrijstelling ex art. 19 (oud) WRO voor een bouwplan op dezelfde locatie heeft verleend en dat dit besluit op 22 juni 2001 op verzoek van vergunninghouder is ingetrokken. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het vergunninghouder vrijstond het college te verzoeken, de aan hem verleende bouwvergunning en vrijstelling in te trekken, en een nieuwe aanvraag in te dienen voor een bouwplan voor de onderhavige locatie, ook al zou dat (nagenoeg) identiek zijn aan het eerste bouwplan. Art. 59 Woningwet, dat de gronden voor intrekking van een verleende bouwvergunning limitatief opsomt, staat er niet aan in de weg dat het college op verzoek van de vergunninghouder een verleende vergunning intrekt. Dat appellant tegen die bouwvergunning en vrijstelling bezwaar had gemaakt maakt dit niet anders. Art. 6:18.1 Awb laat uitdrukkelijk de mogelijkheid open, onder die omstandigheid een besluit in te trekken. Het college diende derhalve aan de hand van de nieuwe bouwaanvraag te onderzoeken of vrijstelling met toepassing van het nieuwe art. 19 WRO kon worden verleend. Dat dit artikel mogelijk gunstiger was voor de aanvrager dan art. 19 (oud) WRO doet daaraan niet af. Het in de jurisprudentie voor art. 19 (oud) WRO ontwikkelde urgentievereiste, kan onder de werking van het nieuwe artikel - ook in het geval dat het vierde lid van art. 19 aan de orde is - niet meer worden gesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

mrs. E.M.H. Hirsch Ballin, H. Troostwijk, P.A. Offers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204532/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank te Middelburg van 8 augustus 2002 in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) aan [vergunninghouder], gevestigd te [plaats], bouwvergunning en vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de Wro) verleend voor de bouw van twee woontorens op het perceel, plaatselijk bekend, [locatie] te [plaats].

Bij besluiten van 1 februari 2002 heeft het college het daartegen door onder meer appellanten gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 19 december 2001, ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 8 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben appellante sub 1 bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 20 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 24 oktober 2002 heeft [vergunninghouder] een memorie ingediend. Het in deze brief vervatte verzoek om de zaak met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) versneld te behandelen is op 4 november 2002 afgewezen.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 7 februari 2003, waar appellante sub 1 in persoon, appellant sub 2 in persoon en bijgestaan door mr. M.J.A. Arts, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, en G.C.A. Gernaert, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J.J. Jacobse, advocaat te Middelburg, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met betrekking tot het door appellante sub 1 ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gedaan onder nummer Awb 02/106 overweegt de Afdeling het volgende.

2.1.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Vaststaat dat het appartement van appellante sub 1 op een afstand van ongeveer 1200 meter van de te bouwen woontorens is gelegen. In deze afstand noch in de door appellante gestelde aantasting van de verkeersveiligheid van de fietsroute over de dijk langs die locatie is een belang gelegen dat haar onderscheidt van andere individuen. Het belang van appellante is om die reden niet rechtstreeks betrokken bij het besluit van 27 juni 2001, waarbij aan [vergunninghouder], onder het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wro, bouwvergunning is verleend voor de bouw van deze woontorens. Het college had het door appellante tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De rechtbank heeft dat miskend.

2.1.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante sub 1 gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigen en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

2.1.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 1 in beroep en in hoger beroep te worden veroordeeld.

2.2. Ter zake van het hoger beroep van appellant sub 2 gericht tegen de uitspraak van de rechtbank onder nummer Awb 02/126 overweegt de Afdeling het volgende.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het vierde lid van artikel 19 van de Wro wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de Wro is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de Wro is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.3.1.1. De in deze procedure aan de orde zijnde bouwvergunning en vrijstelling zijn verleend op het verzoek van [vergunninghouder] van 23 maart 2001. Vaststaat dat het college aan [vergunninghouder] op zijn eerdere verzoek van 8 december 1999 op 4 december 2000 een bouwvergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wro, zoals dat artikel luidde tot 3 april 2000, (hierna: artikel 19 (oud) van de Wro) voor een bouwplan op dezelfde locatie heeft verleend en dat dit besluit op 22 juni 2001 op verzoek van [vergunninghouder] is ingetrokken.

2.3.1.2. Appellant sub 2 heeft naar voren gebracht dat door deze handelwijze het nieuwe bouwplan, dat zijns inziens vrijwel identiek is aan het oude, ten onrechte niet meer aan artikel 19 (oud) van de Wro is getoetst. Hij is van mening dat de rechtbank er niet aan had mogen voorbijgaan dat het college nog diende te beslissen op zijn bezwaar tegen de op 4 december 2000 verleende bouwvergunning en vrijstelling.

2.3.1.3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het [vergunninghouder] vrijstond het college te verzoeken, de aan hem verleende bouwvergunning en vrijstelling in te trekken, en een nieuwe aanvraag in te dienen voor een bouwplan voor de onderhavige locatie, ook al zou dat (nagenoeg) identiek zijn aan het eerste bouwplan. Artikel 59 van de Woningwet, dat de gronden voor intrekking van een verleende bouwvergunning limitatief opsomt, staat er niet aan in de weg dat het college op verzoek van de vergunninghouder een verleende vergunning intrekt. Dat appellant tegen die bouwvergunning en vrijstelling bezwaar had gemaakt maakt dit niet anders. Zoals de rechtbank heeft overwogen laat artikel 6:18, eerste lid, van de Awb uitdrukkelijk de mogelijkheid open, onder die omstandigheid een besluit in te trekken. Het college diende derhalve aan de hand van de nieuwe bouwaanvraag te onderzoeken of vrijstelling met toepassing van het nieuwe artikel 19 van de Wro kon worden verleend. Dat dit artikel mogelijk gunstiger was voor de aanvrager dan artikel 19 (oud) van de Wro doet daaraan niet af.

2.3.2. De Afdeling merkt in dit verband op dat partijen er terecht vanuit zijn gegaan dat het in de jurisprudentie voor artikel 19 (oud) van de Wro ontwikkelde urgentievereiste, onder de werking van het nieuwe artikel – ook in het geval dat het vierde lid van artikel 19 aan de orde is – niet meer kan worden gesteld. De Afdeling stelt vast dat de wetgever in artikel 19, eerste lid, thans heeft voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare, bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor een project. Voor de toepassing van deze bevoegdheid geldt de eis dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verder dient het vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Wro naast de ruimtelijke onderbouwing, een beschrijving van het betrokken project en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen te bevatten. Deze vereisten gelden ook bij toepassing van artikel 19, vierde lid, van de Wro. Er bestaat geen aanleiding naast die eisen het urgentievereiste te handhaven. De wetsgeschiedenis, in het bijzonder het amendement waarbij het vierde lid aan artikel 19 van de Wro is toegevoegd (TK 1998-1999, 25 311, nr. 46), geeft daartoe ook geen aanleiding.

2.3.3. Voor zover appellant sub 2 van mening is dat de Afdeling zich dient uit te laten over de vraag of het college nog op het tegen de op 4 december 2000 verleende bouwvergunning met vrijstelling gemaakte bezwaar dient te beslissen, wijst de Afdeling erop dat thans een nieuw besluit op grond van een nieuwe aanvraag aan de orde is. Het geschil over de eerder verleende en ingetrokken bouwvergunning en vrijstelling maakt daarvan geen deel uit. Hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen kan dan ook uitsluitend als ten overvloede worden aangemerkt.

2.3.4. Het project betreft de bouw van twee geschakelde woontorens van respectievelijk 79 en 68 meter hoog met in totaal 40 appartementen en 79 inpandige parkeerplaatsen. Voorheen stond ter plaatse een watertoren met een hoogte van ongeveer 54 meter.

2.3.4.1. Niet in geschil is en ook de Afdeling is dat van oordeel, dat het project in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Java”, waarin de betreffende gronden zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van maatschappelijk gebruik, openbaar groen en water. Het project maakt een aanzienlijke inbreuk op de bestaande planologische situatie.

2.3.4.2. Blijkens de beslissing op bezwaar wordt de ruimtelijke onderbouwing voor het project gevormd door de gemeentelijke nota “Ruimtelijke en volkshuisvestelijke onderbouwing woonproject Waterfront” (hierna: de Nota), door de gemeenteraad vastgesteld op 29 maart 2001 en aangevuld op 31 januari 2002. Appellant sub 2 heeft in hoger beroep zijn stelling gehandhaafd dat de op 31 januari 2002 vastgestelde aanvulling ten tijde van het nemen van de vrijstelling op 26 juni 2001 beschikbaar had moeten zijn, te meer nu die aanvulling juist is opgesteld om tekortkomingen in de Nota op te heffen. De Afdeling deelt dit standpunt van appellant niet. Het bestuursorgaan heeft in het kader van de heroverweging van zijn besluiten aan de hand van de daartegen gemaakte bezwaren, zoals bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, juist de mogelijkheid om aan die besluiten klevende gebreken te herstellen. Met de aanvulling op de Nota heeft het college tegemoet willen komen aan het bezwaar dat in de Nota de relatie met het geldende bestemmingsplan alsmede een nadere motivering waarom het bouwplan past in de toekomstige bestemming van het gebied, ontbrak. De Afdeling stelt in dit verband ten slotte vast dat appellant het gemotiveerde oordeel van de rechtbank dat in beide stukken een voldoende onderbouwing wordt gegeven voor de ruimtelijke inpasbaarheid van het project en de behoefte aan de realisering ervan niet op inhoudelijke gronden heeft betwist. Gelet op de inbreuk op de bestaande planologische situatie is ook de Afdeling van oordeel dat het project met de genoemde Nota en aanvulling van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

2.3.4.3. De gemeenteraad heeft op 22 februari 2001 het in dit geval ingevolge artikel 19, vierde lid, van de Wro vereiste voorbereidingsbesluit genomen. Dit is op 5 maart 2001 inwerking getreden.

Bij besluit van 26 juni 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: gedeputeerde staten) een verklaring van geen bezwaar voor het project verleend. Gedeputeerde staten hebben daarbij aangegeven dat zij de door de gemeente bij het verzoek om deze verklaring gegeven ruimtelijke onderbouwing voldoende achten. Verder is vermeld dat het bouwplan in overeenstemming is met het streekplan en dat de weerlegging door het college van de tegen het voornemen om toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de Wro ingediende zienswijzen wordt gedeeld. Appellant sub 2 heeft de juistheid van het besluit van gedeputeerde staten niet betwist. Dat deze verklaring doordat zij, hoewel op 26 juni 2001 genomen, pas op 28 juni 2001 aan de gemeente is verzonden, niet tijdig zou zijn verleend en daarom niet ten grondslag mocht liggen aan de op 27 juni 2001 verleende vrijstelling, ziet de Afdeling, anders dan appellant sub 2, niet in. Zo al sprake zou zijn van een gebrek in de besluitvorming, is dat gebrek met het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar hersteld.

2.3.4.4. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wro, bij besluit van 30 maart 2000, in werking getreden op 3 april 2000, gedelegeerd aan het college in de gevallen waarin het project waarvoor vrijstelling wordt gevraagd, in overeenstemming is met het door de gemeenteraad genomen voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wro, of het project waarvoor vrijstelling wordt gevraagd in overeenstemming is met het door de gemeenteraad vastgestelde ruimtelijke beleid.

Voorts heeft de raad op 22 februari 2001 en 23 februari 2002 de ingevolge artikel 19, vierde lid, van de Wro vereiste voorbereidingsbesluiten genomen.

2.3.4.5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het college terecht bevoegd heeft geacht te beslissen op het verzoek om vrijstelling.

2.3.5. Verder moet met de rechtbank worden geconcludeerd dat er geen grond is voor het oordeel dat het college bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen. Niet is gebleken dat met het project de belangen van appellant onevenredig worden geschaad. Vanuit de woontorens is er geen rechtstreekse inkijk mogelijk in zijn woning en aan de zijde van de torens met zicht op zijn tuin worden geen balkons aangebracht. Uit het in opdracht van de vergunninghouder opgestelde zonnediagram komt naar voren dat appellant alleen in de zomerperiode in de ochtend tot ongeveer 10.00 uur schaduw van de torens zal ondervinden. Van een onaanvaardbare belemmering van zijn uitzicht is evenmin sprake.

Ten slotte is uit een wegens de bouw van de torens gehouden windtunnelonderzoek gebleken dat de windsituatie nabij de woningen door het project niet verslechtert. Wel blijkt een viertal windonveilige dagen per jaar op het voet- en fietspad op de dijk langs de woontorens te ontstaan. Om die reden zal de gemeente waarschuwingsborden plaatsen.

2.4. De Afdeling merkt ten slotte nog op dat de rechtbank terecht niet is ingegaan op de grief van appellant sub 2 die betrekking heeft op de door de gemeente ter zake van de voor de verleende en ingetrokken bouwvergunningen geheven leges. Het beoordelen van de rechtmatigheid van geheven leges behoort ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder g, van de Awb niet tot de bevoegdheid van de bestuursrechter.

2.5. Het hoger beroep van appellant sub 2 is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling ter zake van het hoger beroep van appellant sub 2 bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellante sub 1 gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 8 augustus 2002, Awb 02/106;

III. verklaart het door appellante sub 1 bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het aan appellante sub 1 gerichte besluit van het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen van 1 februari 2002, 2001/SOB/58-61;

V. verklaart het bezwaar van appellante sub 1 tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen van 27 juni 2000 niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak onder nummer Awb 02/126;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen in de door appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 67,77; het bedrag dient door de gemeente Terneuzen te worden betaald aan appellante;

IX. gelast dat de gemeente Terneuzen aan appellante sub 1 het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 en € 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

47.