Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200206957/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206957/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 19 november 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) geweigerd om (binnenplanse) vrijstelling van het bestemmingsplan "Beitel-Locht" te verlenen.

Bij besluit van 26 februari 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. R.J.H. Vlecken, advocaat te Heerlen, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.G.L. Mertens, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het in geding zijnde perceel [locatie] te [plaats] rust ingevolge artikel 3 van de voorschriften behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Beitel-Locht” de bestemming bedrijfswoningbouw. Op gronden met deze bestemming mogen – onder nader aangegegeven voorwaarden – uitsluitend bedrijfswoningen en/of kantoorgebouwen – hieronder begrepen showroom(s) – worden gebouwd. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de voorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen, mits het karakter van het plan niet wezenlijk wordt aangetast, voor het bouwen van een café en/of winkel.

2.2. De Afdeling stelt voorop dat appellanten het college onder uitdrukkelijke verwijzing naar dat voorschrift hebben verzocht om op grond van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, van de voorschriften vrijstelling te verlenen teneinde op de [locatie] te [plaats] exploitatie van een horeca-inrichting mogelijk te maken met de bedoeling uiteindelijk daarin een coffeeshop te exploiteren. Uit de stukken blijkt en ter zitting is desgevraagd bevestigd dat voor de vestiging van de horeca-onderneming in het betreffende reeds bestaande pand geen bouwkundige voorzieningen noodzakelijk zijn. Gelet hierop kan slechts worden geconcludeerd dat voor verlening van de gevraagde, op bouwen van een café of winkel betrekking hebbende vrijstelling geen plaats is. De partijen verdeeld houdende vraag of een coffeeshop al dan niet onder het begrip café valt is dan ook van geen betekenis. Hoewel artikel 3, zesde lid, van de voorschriften het college de mogelijkheid biedt vrijstelling te verlenen voor gebruik in afwijking van de in het eerdergenoemde bestemmingsplan gegeven bestemming, hebben appellanten daarom, zoals door hen ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk is bevestigd, niet verzocht. De beslissing op bezwaar ziet daar dan ook terecht niet op.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

395.