Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200103688/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 30
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/327

Uitspraak

200103688/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellante sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellante sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats],

15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],

16. [appellanten sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellanten sub 18], wonend te [woonplaats],

19. [appellante sub 19], wonend te [woonplaats],

20. [appellanten sub 20], wonend te [woonplaats],

21. [appellante sub 21], wonend te [woonplaats],

22. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],

23. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

“Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland”,

gevestigd te ’s-Graveland (hierna: Natuurmonumenten),

24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],

25. [appellanten sub 25], wonend te [woonplaats],

26. [appellanten sub 26], wonend te [woonplaats],

27. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats],

28. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

“Landelijke Rijvereniging en Ponyclub De Sterruiters”,

gevestigd te Haaksbergen (hierna: de Sterruiters),

29. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid “Milieuraad Haaksbergen”, gevestigd te Haaksbergen (hierna: de Milieuraad),

30. [appellant sub 30], wonend te [woonplaats],

31. de stichting “Stichting Buitengebied Haaksbergen”,

gevestigd te Haaksbergen (hierna: de Stichting), en anderen,

32. [appellant sub 32], wonend te [woonplaats], en

33. [appellant sub 33], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2000 heeft de gemeenteraad van Haaksbergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van 21 november 2000, vastgesteld het bestemmingsplan “Buitengebied”.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 19 juni 2001, kenmerk RWB/2000/4263, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 5 augustus 2002.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen.

Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 en 18 februari 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen.

[appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellante sub 21], [appellant sub 27] en de Milieuraad zijn niet verschenen.

Ook verweerder en de gemeenteraad van Haaksbergen hebben zich doen vertegenwoordigen.

Tevens is als partij gehoord [naam].

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.1.1. Met het plan wordt beoogd het buitengebied van de gemeente Haaksbergen van een actuele planologische regeling te voorzien.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder grotendeels goedkeuring verleend aan dit plan.

2.2. Ontvankelijkheid

2.2.1. Ingevolge artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het besluit omtrent goedkeuring bekend gemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) wordt een besluit omtrent goedkeuring met het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd met ingang van de zesde week na de bekendmaking voor de duur van zes weken.

Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 5 december 2000, inzake no. 200002264/2 (BR 2001, blz. 222), is de terinzagelegging hiermee bepaald op de eerste reguliere werkdag van de zesde kalenderweek na de bekendmaking.

Ingevolge artikel 28, zevende lid, vierde volzin, van de WRO vangt – in afwijking van artikel 6:8 van de Awb - de beroepstermijn aan bij de terinzagelegging van het besluit overeenkomstig het zesde lid van dat artikel.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Verweerder heeft het bestreden besluit op 5 juli 2001 bekendgemaakt door toezending aan de gemeenteraad, zodat de wettelijke beroepstermijn is begonnen op 13 augustus 2001 en, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, geëindigd op 24 september 2001.

2.2.2. De beroepsgrond van [appellanten sub 25] omtrent de kap van een bijgebouw op het perceel [locatie 1], is eerst bij brief van 3 september 2002 aangevoerd.

De beroepsgrond van [appellant sub 32] omtrent het ontbreken van kampeermogelijkheden op 100 meter afstand van zijn bouwperceel, is eerst bij brief van 5 september 2002 aangevoerd.

De beroepsgrond van de Stichting en anderen omtrent het alleen desgevraagd kunnen inzien van de achterliggende stukken bij het ontwerp-plan, is eerst bij brief van 3 oktober 2002 aangevoerd.

Appellanten hebben deze beroepsgronden derhalve na afloop van de wettelijke beroepstermijn ingediend. Ook is de in de kennisgeving, als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, vermelde en door het college bepaalde beroepstermijn overschreden.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld zou moeten worden dat appellanten met het indienen van deze beroepsgronden na afloop van de wettelijke termijn niet in verzuim zijn geweest.

De beroepen van [appellanten sub 25], van [appellant sub 32] en van de Stichting en anderen zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.2.3. In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep een grondslag heeft in een (tijdig) tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een (tijdig) tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, of voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest (tijdig) een zienswijze en een bedenking in te brengen.

2.2.4. De beroepsgrond van [appellanten sub 5] gericht tegen de bestemming “Zomerhuizen” op het perceel [locatie 2], steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond van de Stichting en anderen gericht tegen de bestemming “Zomerhuizen” op het perceel [locatie 3], steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgronden hebben geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en zijn niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Gesteld noch gebleken is dat appellanten redelijkerwijs niet in staat zijn geweest ter zake een zienswijze in te brengen.

De beroepen van [appellanten sub 5] en van de Stichting en anderen zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.2.5. Het beroep van [appellant sub 33] steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

Het beroep is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

Gesteld noch gebleken is dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest een bedenking in te brengen.

Het beroep van [appellant sub 33] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2.6. Het beroep van [appellant sub 24] steunt niet op de tijdig bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Het beroep heeft geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

In de uit de stukken blijkende omstandigheid dat appellant het desbetreffende bezwaar alsnog op de hoorzitting bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen reden te oordelen dat appellant niet in verzuim is geweest. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de hoorzitting dient ter mondelinge toelichting van de reeds bij de gemeenteraad kenbaar gemaakte schriftelijke zienswijze tegen het ontwerp-plan en dat op de hoorzitting geen nieuwe bezwaren naar voren kunnen worden gebracht.

Ter zitting heeft appellant nog gewezen op zijn deelname aan de inspraakprocedure en op zijn schriftelijke reactie voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerp-plan. Aangezien deze reactie betrekking heeft op het voorontwerp-plan, is de Afdeling van oordeel dat deze reactie reeds hierom niet beschouwd kan worden als een (voortijdige) zienswijze gericht tegen het ontwerp-plan.

Ook overigens is niet gebleken dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig het desbetreffende bezwaar in te brengen.

Het beroep van [appellant sub 24] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2.7. De beroepen van [appellant sub 11] en van [appellant sub 12] steunen niet op een tijdig bij verweerder ingebrachte bedenking.

De beroepen zijn niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring.

In de omstandigheid dat gedurende de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde plan het gemeentehuis van 25 december 2000 tot en met 1 januari 2001 gesloten is geweest, ziet de Afdeling - onder verwijzing naar de uitspraak van 3 november 1998, inzake no. E01.96.0305 (BR 1999, blz. 498; AB 1999, 134) - geen reden te oordelen dat appellanten niet in verzuim zijn geweest. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat na deze tijdelijke sluiting van het gemeentehuis het vastgestelde plan nog van 2 januari 2001 tot en met 18 januari 2001 in ieder geval op maan-, woens-, donder- en vrijdagen van 9.00 tot 12.30 uur en op dinsdagen van 9.00 tot 18.00 uur kon worden ingezien.

Ook overigens is niet gebleken dat appellanten redelijkerwijs niet in staat zijn geweest tijdig een bedenking in te brengen.

De beroepen van [appellant sub 11] en van [appellant sub 12] zijn derhalve niet-ontvankelijk.

2.3. Toetsingskader

2.3.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. Algemene bezwaren

2.4.1. De Stichting en anderen hebben aangevoerd dat de bevoegdheid van de Afdeling om te oordelen over geschillen als de onderhavige, in strijd is met artikel 6, eerste lid, en artikel 13 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), alsmede met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het Eerste Protocol). Zij zijn van mening dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Afdeling niet zijn gegarandeerd en dat daarom de Afdeling zichzelf onbevoegd dient te verklaren om te oordelen over het door hen ingestelde beroep.

2.4.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft – voor zover thans van belang – een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 13 van het EVRM heeft een ieder wiens rechten en vrijheden uit het EVRM zijn geschonden recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie.

Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom.

Daargelaten de vraag of de Stichting die als een organisatie opkomt voor een algemeen of collectief belang wel een beroep kan doen op artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is het in ieder geval aannemelijk dat het geschil voor wat betreft de natuurlijke personen die samen met deze rechtspersoon beroep hebben ingesteld, wel ziet op de vaststelling van hun burgerlijke rechten en verplichtingen. De Afdeling zal dan ook nagaan of dit artikellid samen met de andere twee bepalingen nopen tot de door hen gewenste onbevoegdverklaring.

2.4.2.1. Anders dan appellanten veronderstellen, bevatten de bepalingen waarop zij zich beroepen, geen voorschriften over de bevoegdheid van de door een Verdragsstaat ingestelde gerechten.

Artikel 6, eerste lid, van het EVRM is - zoals onder meer blijkt uit het arrest van 18 februari 1999 van het Europese Hof voor de rechten van de mens inzake [naam 2] en [naam 3] tegen Duitsland (no. 26083/94, RJD 1999-I) - erop gericht te verzekeren dat iedere persoon in die staat de in deze bepaling omschreven mogelijkheid heeft een geschil omtrent de vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen voor te leggen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De met deze aanspraak op rechtsbescherming overeenkomende verplichting rust op de desbetreffende staat, die ervoor heeft zorg te dragen dat de door hem ingestelde gerechten waaraan (onder meer) de bevoegdheid is toegekend tot de behandeling van geschillen waarop artikel 6, eerste lid, ziet, voldoen aan de eisen van dit artikellid.

Artikel 13 EVRM heeft een aanvullend karakter en verplicht de Verdragstaat ertoe om binnen zijn nationale rechtsorde een effectief rechtsmiddel beschikbaar te stellen voor verdedigbare klachten over schending van de rechten die in het EVRM zijn gegarandeerd, waarbij een rechtsingang bij een rechterlijke instantie niet is vereist.

Artikel 1 van het Eerste Protocol beschermt het eigendomsrecht en bevat - zoals ook onder meer blijkt uit het arrest van 25 maart 1999 van het Europese Hof voor de rechten van de mens inzake [naam 4] tegen Griekenland (no. 31107/96, RJD 1999-II) - een procedurele waarborg tegen onder meer een inbreuk op of de regulering van het gebruik van eigendom.

Appellanten hebben overigens niet betoogd dat door de (gedeeltelijke) goedkeuring van het plan sprake is van het opleggen van een beperking op hun eigendommen in strijd met deze bepaling.

In artikel 26 van de Wet op de Raad van State is bepaald dat de Afdeling is belast met de behandeling van de bij de wet aan haar opgedragen geschillen. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d., van de WRO kan bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan of van de herziening of de intrekking daarvan.

Gezien deze bepalingen is aan de Afdeling de taak opgedragen en de daarbij behorende bevoegdheid toegekend om te beslissen op beroepen tegen besluiten als onderhavige.

Het bezwaar van de Stichting en anderen dat de bevoegdheid om te beslissen op hun beroep, gelet op artikel 6, eerste lid, en artikel 13 van het EVRM, alsmede met artikel 1 van het Eerste Protocol, niet aan de Afdeling had mogen worden opgedragen, treft dan ook geen doel, aangezien deze bepalingen, zoals hiervoor reeds overwogen, niet zien op de attributie van de rechterlijke bevoegdheid, maar op de eisen waaraan de gerechten van een Verdragsstaat en de procedurele waarborgen moeten voldoen.

De bepalingen waarop appellanten zich beroepen, kunnen dan ook geen afbreuk doen aan de bevoegdheid die de wet aan de Afdeling heeft toegekend.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding zich onbevoegd te achten om te oordelen over het door de Stichting en anderen ingestelde beroep.

2.4.3. De Stichting en anderen hebben aangevoerd dat ten onrechte een aantal handtekeningen onder het bestreden besluit ontbreekt. Zij achten dit niet in overeenstemming met de WRO en de Awb.

2.4.4. Artikel 74, tweede lid, eerste volzin, en artikel 102, eerste lid, van de Provinciewet bepalen dat de stukken die van verweerder uitgaan door de commissaris van de Koningin en door de griffier worden ondertekend.

Vaststaat dat het bestreden besluit door de commissaris van de Koningin en door de griffier is ondertekend.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat meer handtekeningen onder dit besluit niet vereist zijn.

Voor zover appellanten, met een beroep op artikel 10:11, tweede lid, van de Awb, hebben betoogd dat kenbaar dient te zijn dat het bestreden besluit door verweerder zelf genomen is, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 74, tweede lid, tweede volzin, van de Provinciewet kan verweerder de commissaris van de Koningin toestaan de ondertekening van een besluit omtrent goedkeuring op te dragen aan een ander lid van verweerder, aan de griffier of aan een of meerdere provinciale ambtenaren. In dit geval heeft verweerder van deze mogelijkheid tot het verlenen van een ondertekeningsmandaat, als bedoeld in artikel 10:11, eerste lid, van de Awb, geen gebruik gemaakt en is derhalve het tweede lid van deze bepaling evenmin van toepassing.

De verwijzing ter zitting door appellanten naar de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002, inzake no. 200105820/1 (NJB 2002, p. 2149, nr. 58), kan evenmin slagen, aangezien deze uitspraak betrekking heeft op een beslissingsmandaat, als bedoeld in artikel 10:1 van de Awb. Overigens heeft verweerder ter zitting - onweersproken - verklaard dat het plan plenair behandeld is en dat omtrent de goedkeuring daarvan door het voltallige college besloten is.

Het betoog van de Stichting en anderen treft dan ook geen doel.

2.5. Artikel 3: Agrarisch cultuurgebied

2.5.1. Natuurmonumenten en de Milieuraad hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied B” op het perceel [locatie 4]. Zij betogen dat deze onthouding in strijd is met het streekplanbeleid. Volgens appellanten betreft de aanwezige bebouwing een paardenstal en is in 1999 een verklaring van geen bezwaar en een bouwvergunning voor een verbouwing tot recreatiewoning geweigerd.

2.5.2. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de bestemming, omdat hij het niet aanvaardbaar acht dat de paardenstal en het ondergeschikte dagrecreatieve gebruik daarvan onder het overgangsrecht worden gebracht. Volgens verweerder dient de bestemming “Zomerhuizen” te worden toegekend.

2.5.3. Het streekplanbeleid is gericht op het uitsluiten van nieuwe recreatiewoningen in het buitengebied.

De Afdeling acht dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht en de ter zitting getoonde foto’s, blijkt dat op het perceel een paardenstal aanwezig is, met een ondergeschikte dagrecreatieve functie.

Niet in geschil is dat de bestemming die in het vorige plan aan het perceel was toegekend het gebruik als recreatiewoning niet toestond.

Voorts staat vast dat verweerder in 1999 een verklaring van geen bezwaar

- en in navolging daarvan het college een bouwvergunning - voor een verbouwing tot recreatiewoning heeft geweigerd omdat het perceel ligt in het kwetsbare gebied langs de Buurserbeek en verweerder het toen bijzonder ongewenst achtte dat daar een nieuwe recreatiewoning zou worden gebouwd.

Gelet hierop, is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd waarom thans de bestemming “Zomerhuizen” aangewezen is. Uit artikel 15, lid A., van de voorschriften blijkt dat het perceel dan immers bestemd is voor recreatief verblijf.

De beroepen van Natuurmonumenten en van de Milieuraad zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.5.4. De Milieuraad heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied”, voor zover daarmee niet tevens alle landschapselementen tussen de 10 are en de 2 hectare positief zijn bestemd. Zij stelt dat deze waardevolle elementen in het plan onvoldoende worden beschermd.

2.5.5. De gemeenteraad stelt kleine landschapselementen niet afzonderlijk in het plan te hebben opgenomen omdat de plankaart dan te gedetailleerd zou worden en omdat deze elementen anderszins voldoende zijn beschermd. De gemeenteraad acht het hanteren van een minimumoppervlakte van 2 hectare aanvaardbaar, omdat landschapselementen vanaf deze omvang een duidelijke landschappelijke functie vervullen.

2.5.6. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat kleine landschapselementen voldoende beschermd worden door het aanlegvergunningenstelsel dat op deze elementen van toepassing is.

2.5.7. Het plangebied - voor zover thans relevant - is op de functiekaart bij het streekplan aangeduid als “Zone I: landbouw”, “Zone II: landbouw en cultuurlandschap” of als “Zone III: natuur, landschap, cultureel erfgoed, landbouw”. Volgens het streekplan zijn binnen “Zone I: landbouw” kleine beplantingselementen verplaatsbaar mits er geen belangrijke waarden van landschap, natuur of cultureel erfgoed verloren gaan. Het streekplanbeleid in de andere twee zone’s is gericht op het behoud en herstel van patronen van beplantingselementen en de karakteristieke openheid.

Voorts valt een groot deel van het plangebied samen met een gebied dat op kaart 8 bij het streekplan, getiteld: karakteristieke waardevolle landschappen, is aangeduid als “besloten kleinschalig landschap”. Voor de besloten kleinschalige landschappen geldt, aldus het streekplan, dat de beplantingselementen die de kleinschaligheid bepalen - zoals bosjes, houtwallen, houtsingels en lanen - behouden dienen te worden. Bovendien vermeldt het streekplan dat het verplaatsen van beplantingselementen in “Zone II: landbouw en cultuurlandschap” slechts bij wijze van uitzondering mogelijk is en alleen als onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak waarbij winst wordt geboekt voor alle gebiedskwaliteiten en mits deze elementen geen hoge waarden bezitten wat betreft natuur of cultureel erfgoed.

2.5.7.1. Ingevolge artikel 3, lid A., onder 1., van de voorschriften zijn gronden op de plankaart aangewezen als “Agrarisch cultuurgebied” onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke waarde, zoals deze tot uitdrukking komt in de voorkomende landschapselementen (houtwallen,- singels en bosjes) afzonderlijk en als samenhangend onderdeel van de (oorspronkelijke) verkavelingstructuur.

Uit artikel 3, lid A., onder 1., sub a. en b., van de voorschriften blijkt dat op gronden met deze bestemming en de aanduiding “gebied A” de uitoefening van het agrarisch bedrijf van primaire betekenis is en dat de agrarische functie van gronden met deze bestemming en de aanduiding “gebied B” nevenschikkend is aan het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en/of natuurlijke waarde.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de bestemming en de aanduidingen “gebied A” en “gebied B” - en daarmee het door de gemeenteraad gehanteerde minimumoppervlak - getoetst heeft aan bovenstaand streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien blijkens artikel 3, lid E., onder 1., sub b., van de voorschriften uitsluitend op gronden met de aanduiding “gebied B” een aanlegvergunning vereist is voor het verwijderen of beschadigen van bomen en andere houtopstanden buiten de bouwpercelen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat het plan voorziet in een gebiedsgerichte aanpak, als bedoeld in het streekplan.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft aangegeven waarom kan worden volstaan met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduidingen “gebied A” of “gebied B” en waarom het niet nodig is in het belang van een goede ruimtelijke ordening waardevolle landschapselementen met een omvang tussen de 10 are en de 2 hectare een meer op de bescherming gerichte bestemming te geven dan wel anderszins door het opnemen van voorschriften te beschermen.

Het bestreden besluit berust wat deze onderdelen van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep van de Milieuraad is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op deze onderdelen dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Nu op de plankaart de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” altijd gekoppeld is aan of de aanduiding “gebied A” of de aanduiding “gebied B”, betreft deze vernietiging de goedkeuring van alle plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en mitsdien ook de goedkeuring van artikel 3 van de voorschriften, dat over deze bestemming gaat.

2.5.8. Natuurmonumenten en de Milieuraad hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied B” op percelen die door Natuurmonumenten als natuurgebied beheerd worden. Zij stellen dat door deze bestemming de mogelijkheid van natuurontwikkeling te beperkt en de bescherming van de aanwezige natuurwaarden onvoldoende is.

Tevens hebben Natuurmonumenten en de Milieuraad aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “zone wijzigingsbevoegdheid natuurontwikkeling”, als bedoeld in artikel 3, lid F., onder 1., sub g., van de voorschriften, voor enkele van deze percelen. Volgens hen had rechtstreeks de bestemming “Bos en natuurgebied” moeten worden toegekend.

2.5.9. De gemeenteraad heeft de zienswijzen van Natuurmonumenten en van de Milieuraad gedeeltelijk gegrond geacht. Volgens de gemeenteraad dienen de percelen die Natuurmonumenten in eigendom en in beheer heeft bestemd te worden tot “Bos en natuurgebied”. De percelen die door Natuurmonumenten wel al beheerd worden, maar waarvan zij pas na de komende uitvoering van de ruilverkaveling Haaksbergen ook eigenaresse zal zijn, dienen, aldus de gemeenteraad, voorzien te worden van de aanduiding “zone wijzigingsbevoegdheid natuurontwikkeling”, zodat die percelen na de overdracht ook bestemd (kunnen) worden tot “Bos en natuurgebied”.

2.5.10. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op deze onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder dient de bestemming “Bos en natuurgebied” alleen te worden toegekend indien de te beschermen natuurwaarden ook daadwerkelijk op de percelen aanwezig zijn.

2.5.11. De percelen zijn op de natuurbeleidkaart bij het streekplan aangeduid als “bestaande natuur- en bosgebieden” dan wel “begrensde ‘nieuwe’ natuurgebieden” en maken bijna allemaal deel uit van de provinciale ecologische hoofdstructuur (hierna: de PEHS). Het streekplanbeleid in deze gebieden is gericht op het versterken van de interne samenhang tussen de bestaande natuur- en bosgebieden en op het ontwikkelen van grotere en van meer aaneengesloten natuurgebieden. De PEHS omvat, volgens het streekplan, ook de te ontwikkelen natuurgebieden. Daaronder verstaat het streekplan de (agrarische) cultuurgronden die op vrijwillige basis verworven worden of waarvoor een overeenkomst met een particuliere natuurbeheerder wordt gesloten. In beide gevallen verandert, aldus het streekplan, de functie van agrarisch gebied in natuurgebied.

2.5.11.1. Uit artikel 3, lid A., onder 1., sub b., van de voorschriften blijkt dat de agrarische functie van de percelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied B” nevenschikkend is aan het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en/of natuurlijke waarde.

Op grond van artikel 3, lid F., onder 1., en sub g., van de voorschriften is het college bevoegd de bestemming van de percelen, voor zover tevens voorzien van de aanduiding “zone wijzigingsbevoegdheid natuurontwikkeling”, te wijzigen in de bestemming “Bos en natuurgebied” ten behoeve van de natuurontwikkeling, mits de productiegerichte agrarische bedrijfsvoering geheel is beëindigd.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de bestemming en de aanduidingen getoetst heeft aan bovenstaand streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de natuurontwikkeling op een aantal percelen reeds in 1985 in gang is gezet en op die percelen in een vergevorderd stadium verkeert. Dat op die percelen natuurwaarden aanwezig zijn, is mede gelet op de aanduidingen op de natuurbeleidkaart dan ook aannemelijk.

Voor zover verweerder stelt dat op de percelen die onlangs bij de uitvoering van de ruilverkaveling Haaksbergen eigendom van Natuurmonumenten zijn geworden, nog geen te beschermen natuurwaarden aanwezig zijn, overweegt de Afdeling dat de bestemming die in een bestemmingsplan wordt opgenomen ook behoort te zien op het gebruik dat naar verwachting binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Vaststaat dat de productiegerichte agrarische bedrijfsvoering op bedoelde gronden ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring was beëindigd, dat deze gronden op dat moment in beheer waren van Natuurmonumenten en dat deze vereniging streeft naar een natuurontwikkeling op deze gronden binnen de planperiode. Bovendien voorziet de toegekende bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied B” niet in de voorgenomen natuurontwikkeling.

Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming en de aanduidingen voor wat betreft de percelen die door Natuurmonumenten als natuurgebied beheerd worden, maar niet bij haar in eigendom zijn, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en van artikel 3 van de voorschriften niet in stand kan blijven. Aangezien de beroepen van Natuurmonumenten en van de Milieuraad gericht zijn tegen de goedkeuring van bepaalde plandelen met deze bestemming en tegen onderdelen van dit voorschrift, zijn hun beroepen om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.5.12. Natuurmonumenten heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin niet tevens de aanduiding “hydrologische bufferzone” is toegekend aan de gronden met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” die gelegen zijn rond percelen die door haar of door anderen als natuurgebied beheerd worden. Zij betoogt dat verweerder blijkens de overwegingen van zijn besluit zich wel kan vinden in haar bedenking op dit punt, maar dat de gemeenteraad niet is gehouden het plan op dit onderdeel aan te passen.

2.5.13. De gemeenteraad heeft de aanduiding toegekend aan gronden om natuurgebieden met vochtige vegetaties die gevoelig zijn voor ontwatering van het aangrenzende agrarische gebied te beschermen. Het aanbrengen van drainage in gronden met de aanduiding acht de gemeenteraad aanlegvergunningplichtig omdat deze activiteit in de nabijheid van vochtige of natte natuurgebieden nadelig kan zijn voor de grondwaterstand in dergelijke kwetsbare gebieden.

2.5.14. Blijkens het bestreden besluit onderschrijft verweerder in het algemeen het nut en de noodzaak van het aanbrengen van de door Natuurmonumenten gewenste bufferzone’s. Volgens verweerder dient echter eerst de noodzaak van het toekennen van de aanduiding en het daaraan verbonden aanlegvergunningenstelsel voor deze concrete gevallen te worden aangetoond. Verweerder heeft overwogen ervan uit te gaan dat de gemeenteraad bij de eerstvolgende planherziening nader onderzoek zal uitvoeren naar de waterhuishoudkundige relatie tussen de percelen die als natuurgebied beheerd worden en de omliggende gronden en dat mocht die relatie bestaan, de gemeenteraad alsnog de aanduiding zal toekennen.

2.5.15. De Afdeling stelt vast dat verweerder dit onderdeel van de bedenking blijkens zijn overwegingen op zich wel gegrond achtte, maar blijkens het dictum van zijn besluit geen goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming voor de omliggende gronden. Voor de gemeenteraad is dan ook niet de verplichting ontstaan een hydrologisch onderzoek uit te voeren en de resultaten daarvan te betrekken in het nieuwe plan dat ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO dient te worden vastgesteld.

Hieruit volgt dat verweerder op basis van een ontoereikende motivering goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied”, voor wat betreft de gronden die gelegen zijn rond percelen die door Natuurmonumenten of anderen als natuurgebied beheerd worden.

Wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van Natuurmonumenten gericht is tegen de

goedkeuring van bepaalde plandelen met deze bestemming, is haar beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Aangezien uit artikel 3, lid A., onder 1., van de voorschriften volgt dat gronden met de aanduiding “hydrologische bufferzone” bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van de vochtgebonden natuurlijke waarden van de aanliggende bestemming “Bos en natuurgebied”, wijst de Afdeling ten overvloede op hetgeen hiervoor onder 2.5.11.1. is overwogen.

De Afdeling ziet geen aanleiding in dit stadium van de procedure het verzoek van Natuurmonumenten in te willigen om ter voorkoming van schade aan haar natuurgebieden een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat een aanlegvergunningstelsel in het leven wordt geroepen, nu voor de juiste situering van de noodzakelijke hydrologische bufferzone’s nog nader onderzoek nodig is.

2.5.16. Natuurmonumenten heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin niet tevens op percelen met de aanduiding “hydrologische bufferzone” een aanlegvergunning is vereist voor het diepploegen en mengwoelen van grond. Zij wijst erop dat door deze werkzaamheden het water sneller wegvloeit, hetgeen (extra) verdroging veroorzaakt in de aangrenzende natuurgebieden.

2.5.17. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat diepploegen en mengwoelen niet of nauwelijks invloed hebben op de waterhuishouding. De gemeenteraad acht een aanlegvergunningplicht voor deze werkzaamheden niet gewenst, mede omdat die te beschouwen zijn als normale agrarische activiteiten.

2.5.18. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat een aanlegvergunningplicht in geen verhouding staat tot het beoogde doel. Volgens verweerder vindt slechts een versnelde intrek van grondwater plaats gedurende een korte periode zonder dat er verdrogingproblemen optreden.

2.5.19. De percelen zijn op de integratiekaart bij het streekplan aangeduid als “wateraandachtsgebied: natuur” en als “milieubeschermingsgebieden” en maken bijna allemaal deel uit van de PEHS. Het streekplanbeleid in deze gebieden is gericht op de bestrijding van verdroging in de landbouw en de ontwikkeling van belangrijke natuurwaarden in de PEHS. Ontwikkelingen als versnelling van de waterafvoer, afname van de vochtopnamecapaciteit van de bodem, verlaging van de grondwaterstanden en wijziging van de grondwaterstromen dienen, aldus het streekplan, voorkomen te worden. Volgens het streekplan dient een bestemmingsplan een waterparagraaf te bevatten waarin hieraan specifiek aandacht wordt besteed.

2.5.19.1. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de aanduiding getoetst heeft aan bovenstaand streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien uit het deskundigenbericht blijkt dat in de natuurgebieden het Witte Veen, het Buurserzand en het Haaksbergerveen bijzondere natuurwaarden voorkomen die gebaat zijn bij een hoge grondwaterstand. Het is dan ook aannemelijk dat het terugdringen van (verdere) verdroging in deze gebieden belangrijk is. Het deskundigenbericht vermeldt voorts dat werkzaamheden als diepploegen en mengwoelen in deze gebieden, zeker indien bij deze werkzaamheden moeilijk doordringbare lagen worden doorsneden, nadelige effecten op de grondwaterstand kunnen hebben die van langere duur kunnen zijn. In dat geval is, volgens het deskundigenbericht, niet uitgesloten dat grondwaterafhankelijke natuurwaarden op belendende gronden aangetast of verloren gaan.

Met Natuurmonumenten acht de Afdeling het aannemelijk dat het, hiervoor onder 2.5.14. bedoelde, hydrologische onderzoek dat verweerder noodzakelijk acht, op dit punt duidelijkheid kan verschaffen.

Verweerder heeft echter ten onrechte zonder nader onderzoek goedkeuring verleend aan de aanduiding.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust.

Wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van artikel 3 van de voorschriften niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieuraad gericht is tegen de goedkeuring van een onderdeel van dit voorschrift, is haar beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.5.20. De Milieuraad heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin niet tevens aan alle bestaande essen binnen de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” de aanduiding “microreliëf” is toegekend, voor zover daarin niet tevens op essen zonder de aanduiding “microreliëf” een aanlegvergunning is vereist voor het egaliseren, afgraven of ophogen van gronden, en voor zover daarin niet tevens voor alle essen een verbodsbepaling is opgenomen voor het graven, verbreden of verdiepen van watergangen. Zij stelt dat de bescherming van het reliëf en de natuurlijke vormen van de in het plangebied aanwezige essen onvoldoende is.

2.5.21. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat een gebiedsdekkend aanlegvergunningenstelsel voor essen, zoals de Milieuraad wenst, onnodig beperkend is voor de landbouw. Volgens de gemeenteraad is uit onderzoek op perceelsniveau gebleken dat buiten de als “microreliëf” aangeduide percelen geen essen voorkomen. Het graven, verbreden of verdiepen van watergangen kan, aldus de gemeenteraad, geen afbreuk doen aan het aanwezige microreliëf, zodat deze werkzaamheden op percelen met de aanduiding “microreliëf” niet aanlegvergunningplichtig zijn gesteld.

2.5.22. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op deze onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder zijn de aanwezige essen voldoende beschermd, nu voor het egaliseren, afgraven of ophogen van gronden binnen de aanduiding “microreliëf” een aanlegvergunning is vereist.

2.5.23. Het plangebied - voor zover thans relevant - is op de functiekaart bij het streekplan aangeduid als “Zone I: landbouw”, “Zone II: landbouw en cultuurlandschap” of als “Zone III: natuur, landschap, cultureel erfgoed, landbouw”. Volgens het streekplan dient binnen “Zone I: landbouw” het natuurlijke reliëf in hoofdzaak behouden te worden. Het streekplanbeleid in de andere twee zone’s is gericht op het behoud van het kenmerkend natuurlijke reliëf en van bijzondere bodems.

Voorts valt een groot deel van het plangebied samen met een gebied dat op kaart 9 bij het streekplan, getiteld: aardkundig waardevolle gebieden, is aangeduid als “provinciaal- en regionaal belang”. Bij de te beschermen gebieden van provinciaal - en regionaal belang gaat het, aldus het streekplan, om aardvormen die zich kenmerkend hebben ontwikkeld binnen de provincie of de regio. Het streekplanbeleid voor de waardevolle aardkundige elementen is gericht op het versterken van patronen en het tegengaan van doorsnijding en versnippering. Welke activiteiten geweerd moeten worden is, volgens het streekplan, sterk afhankelijk van de in het geding zijnde aardkundige waarden, zodat de bescherming vraagt om een aanpak op maat.

2.5.23.1. Ingevolge artikel 3, lid A., onder 1., van de voorschriften zijn percelen op de plankaart aangeduid met “microreliëf” mede bestemd voor het behoud en de bescherming van landschappelijke waarde, zoals deze tot uitdrukking komt in het reliëf (essen/steilranden).

Blijkens artikel 3, lid E., onder 2., van de voorschriften is op deze percelen

- voor zover thans van belang - voor het egaliseren, afgraven en ophogen van gronden wel en voor het graven, vergraven, verbreden, verdiepen of dempen van watergangen, sloten, vijvers en poelen geen aanlegvergunning vereist.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de aanduiding - en daarmee de uitkomsten van het door de gemeenteraad bedoelde onderzoek op perceelsniveau - getoetst heeft aan bovenstaand streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien het deskundigenbericht vermeldt dat niet alle essen en steilranden, die voorkomen op de kaart “Plan van wegen en waterlopen en landschapsplan” van de ruilverkaveling Haaksbergen met de aanduiding “te handhaven reliëf (es/steilrand/glooiing)” in het plan zijn opgenomen met de aanduiding “microreliëf”.

Voorts blijkt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, dat met name in het westelijke deel van het plangebied nog essen voorkomen met reliëf.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting, hebben verweerder en de gemeenteraad de Afdeling er niet van kunnen overtuigen dat het in het plan opgenomen aanlegvergunningenstelsel voor de als “microreliëf” aangeduide percelen gebaseerd is op door het streekplan voorgeschreven maatwerk en dat mitsdien de in geding zijnde aardkundige waarden in voldoende mate bescherming genieten.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust.

Wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en van artikel 3 van de voorschriften niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieuraad gericht is tegen de goedkeuring van bepaalde plandelen met deze bestemmingen en tegen onderdelen van dit voorschrift, is haar beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.5.24. De Milieuraad heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin niet tevens de overige veldschuren, zonder de aanduiding “verkavelingsstal”, binnen de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” positief zijn bestemd.

2.5.25. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de overige veldschuren met een passende bestemming in het plan zijn opgenomen. Voor de veldschuren moet, aldus de gemeenteraad, geacht worden een vrijstelling te zijn verleend, als bedoeld in artikel 3, lid D., onder 1., sub f., van de voorschriften, voor het gebruik als schuilstal.

2.5.26. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat het afzonderlijk bestemmen van de overige veldschuren niet vereist is in een bestemmingsplan voor het buitengebied.

2.5.27. Blijkens artikel 3, lid D., onder 1., sub f., van de voorschriften is het college ten behoeve van de bouw van één melk- of schuilstal per agrarisch bedrijf, bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepaling - als opgenomen in artikel 3, lid B., onder 1., sub b., van de voorschriften - dat de agrarische bedrijfsgebouwen ten opzichte van elkaar geconcentreerd en binnen het bouwperceel moeten worden gebouwd. Hiermee heeft de gemeenteraad toepassing gegeven aan de voor hem in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a., van de WRO vervatte mogelijkheid het college bevoegd te verklaren op ondergeschikte onderdelen van het plan vrijstelling te verlenen.

De Afdeling deelt niet het standpunt van verweerder en de gemeenteraad dat aangenomen kan worden dat het college inmiddels ook daadwerkelijk van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, voor wat betreft de door de Milieuraad bedoelde veldschuren. Blijkens de bewoordingen en de opzet van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a., van de WRO kan alleen na het van kracht worden van een bestemmingsplan door het nemen van een daarop gericht besluit van een voorschrift van dat plan vrijstelling worden verleend. Met de bewoordingen en de opzet van dit artikel is niet te verenigen dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan de vrijstelling verleent of van rechtswege verleend acht. De fictieve vrijstelling, zoals door verweerder en de gemeenteraad verondersteld, zou dan ook in strijd zijn met de WRO.

Bovendien blijkt niet uit de stukken of verweerder en de gemeenteraad zijn nagegaan of per agrarisch bedrijf ook daadwerkelijk slechts één veldschuur aanwezig is die als enige op basis van de fictieve vrijstelling toegestane melk- of schuilstal kan worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin berust op een deugdelijke motivering.

Wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen van de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieuraad gericht is tegen de goedkeuring van bepaalde plandelen met deze bestemming, is haar beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

2.5.28. De Milieuraad heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de omvang van de aanduiding “kernrandzone”, zoals die op afbeelding A bij de voorschriften is aangegeven. Zij betoogt dat het gebied ten zuiden van de Enschedesestraat niet als zodanig had mogen worden aangeduid. Volgens de Milieuraad wordt deze weg in het streekplan beschouwd als een zwaarwegende belemmeringlijn, die bij een stedelijke ontwikkeling niet overschreden mag worden.

2.5.29. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de omvang van de aanduiding in overeenstemming is met het streekplan. Binnen de aanduiding worden, aldus de gemeenteraad, alleen extra mogelijkheden geboden voor hergebruik van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing. De omvang is volgens de gemeenteraad begrensd op basis van het grote aantal woon- en het beperkte aantal agrarische functies.

2.5.30. Verweerder heeft geen reden gezien de omvang van de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.5.31. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

De Afdeling stelt vast dat de aanduiding “kernrandzone”, zoals die op afbeelding A bij de voorschriften is aangegeven, alleen gekoppeld is aan artikel 3, lid F., onder 1., aanhef en sub f., van de voorschriften.

Dit voorschrift bepaalt dat het college bevoegd is de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” te wijzigen ten behoeve van tuincentra, maneges, dierenartsenpraktijken, -klinieken en dergelijke, ‘indien het agrarisch bedrijf is beëindigd i.c. de bestaande bebouwing met bijbehorende erf’.

Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee onvoldoende objectief bepaald in welke gevallen en onder welke omstandigheden van deze bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Bovendien is de bestemming waarin gewijzigd mag worden in dit voorschrift niet benoemd en is niet geregeld dat en welke bouwvoorschriften in het wijzigingsplan opgenomen moeten worden.

Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van artikel 3 van de voorschriften niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van de Milieuraad gericht is tegen de goedkeuring van een onderdeel van dit voorschrift, is haar beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 3, lid F., onder 1., sub f., van de voorschriften.

2.5.32. [appellanten sub 25] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduidingen “agrarisch bedrijf 1” en “hydrologische bufferzone” voor het perceel [locatie 5] met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied B”. Zij betogen dat de omvang van het agrarisch bouwblok door de aanduiding “agrarisch bedrijf 1” beperkt is tot slechts 1 hectare en dus te klein is voor het varkensvermeerderingsbedrijf. Volgens appellanten worden de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf eveneens belemmerd door de aanduiding “hydrologische bufferzone”.

2.5.33. De gemeenteraad stelt dat met de aanduiding “agrarisch bedrijf 1” een bouwblok op maat is toegekend en dat de aanduiding “hydrologische bufferzone” geen beperking oplevert voor een verdere uitbreiding daarvan.

2.5.34. Verweerder heeft geen reden gezien de aanduidingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder is de noodzaak van een agrarisch bouwblok met een omvang tot 1,5 hectare niet aangetoond.

2.5.35. Het perceel ligt in een gebied dat op de functiekaart bij het streekplan is aangeduid als “Zone III: natuur, landschap, cultureel erfgoed, landbouw”. Volgens het streekplan is uitbreiding van landbouwbedrijven mogelijk, voor zover dit niet in strijd is met de hoofdkoers. Die hoofdkoers is gericht op het behoud en de ontwikkeling van natuur, bos en landschap, het behoud van cultureel erfgoed en de bevordering van recreatief medegebruik.

Dit provinciaal beleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor.

Uit artikel 3, lid A., aanhef en onder 1., in samenhang met artikel 3, lid B., aanhef en onder 1., van de voorschriften volgt dat het perceel onder meer bestemd is voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en dat de oppervlakte van het agrarisch bouwblok 1 hectare bedraagt.

Het deskundigenbericht vermeldt dat de bebouwde en onbebouwde, maar wel verharde gronden die thans in gebruik zijn voor het varkensvermeerderingsbedrijf een oppervlakte van ruim 0,5 hectare beslaan.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verdere vergroting van het bouwblok dan de in het plan geboden uitbreidingsmogelijkheid niet in overeenstemming is met zijn beleid en er onvoldoende redenen zijn op dat beleid voor het onderhavige geval een uitzondering te maken.

Voorts stelt de Afdeling vast dat - anders dan appellanten veronderstellen - de aanduiding “hydrologische bufferzone” geen nadere beperkingen ten aanzien van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het bouwblok met zich brengt. Deze aanduiding is immers niet gekoppeld aan de bouwvoorschriften, opgenomen in artikel 3, lid B., van de voorschriften.

De bezwaren van appellanten treffen derhalve geen doel.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellanten sub 25] gericht is tegen de goedkeuring van een bepaald plandeel met deze bestemming, is hun beroep om die reden in zoverre gegrond.

2.5.36. [appellanten sub 25] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin niet tevens de aanduiding “agrarisch bedrijf” is toegekend aan een ongenummerd perceel aan de Geukerdijk met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied A”. Zij stellen dat de bouw van een (bedrijfs-)woning noodzakelijk is, wanneer op dit perceel in de nabije toekomst paarden gefokt zullen gaan worden. Daarnaast wijzen appellanten erop dat in de omgeving al een groot aantal (burger-) woningen aanwezig is.

2.5.37. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet zijn toegestaan en dat alleen aan een reëel en volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bouwblok wordt toegekend. Volgens de gemeenteraad worden op het perceel slechts hobbymatig enkele paarden gehouden.

2.5.38. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder is de noodzaak van de bouw van een bedrijfswoning in de nabije toekomst evenmin aangetoond.

2.5.39. Het provinciaal beleid dat alleen een agrarisch bouwblok wordt toegekend indien op een perceel een reëel en volwaardig agrarisch bedrijf is gevestigd, acht de Afdeling niet onredelijk.

Het deskundigenbericht bevestigt dat de stal op het perceel gebruikt wordt als onderkomen voor één paard dat hobbymatig wordt gehouden. Bovendien hebben appellanten ter zitting aangegeven niet te streven naar het bedrijfsmatig fokken van paarden.

Gelet hierop heeft verweerder onverkort aan zijn beleid kunnen vasthouden.

Voor zover appellanten betogen dat voor het houden van paarden, gelet op de ligging van het perceel in de stadsrand van Haaksbergen, beleidsmatig ruimere mogelijkheden gelden, overweegt de Afdeling dat dit beleid evenmin de bouw van een bedrijfswoning toestaat bij een niet bedrijfsmatige agrarische activiteit.

Voorts is niet betwist dat het provinciaal beleid, gericht op het tegengaan van (verdere) verstening van het buitengebied, zich eveneens verzet tegen de bouw van een nieuwe burgerwoning op het perceel.

De bezwaren van appellanten treffen derhalve geen doel.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellanten sub 25] gericht is tegen de goedkeuring van een bepaald plandeel met deze bestemming, is hun beroep om die reden in zoverre gegrond.

2.5.40. [appellanten sub 18] en een ander hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduidingen “gebied B” en “nieuwvestiging uitgesloten” op hun perceel [locatie 6]. Zij stellen dat de veredelingskwekerij die zij daar sinds eind 1997 exploiteren positief bestemd had moeten worden.

2.5.41. Verweerder heeft (dit onderdeel van) de bedenking van appellanten buiten beschouwing gelaten op de grond dat deze geen grondslag vindt in de bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

2.5.42. De Afdeling stelt vast dat appellanten tegen de bestemming en de aanduidingen op 25 oktober 1999 - en mitsdien tijdig - een zienswijze bij de gemeenteraad hebben ingebracht.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellanten geen zienswijze ter zake kenbaar hebben gemaakt. Hieruit volgt dat verweerder de bedenking op dit onderdeel ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

Voorts stelt de Afdeling vast dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan.

Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met het stelsel van de WRO. Uit dit stelsel volgt dat de gemeenteraad ontvankelijke zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Op deze grond komt het bestreden besluit op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellanten sub 18] gericht is tegen de goedkeuring van een bepaald plandeel met deze bestemming, is hun beroep om die reden in zoverre eveneens gegrond.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduidingen “gebied B” en “nieuwvestiging uitgesloten”, voor zover het betreft het perceel [locatie 6].

2.5.43. [appellante sub 9] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover dat geen koppeling bevat tussen haar perceel [locatie 7] met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduidingen “gebied A” en “agrarisch bedrijf 3” en haar ongenummerd perceel aan de [locatie 8]. Verder bestrijdt zij de motivering van de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied A” op dit ongenummerde perceel.

2.5.44. De gemeenteraad heeft de gewenste koppeling niet in het plan opgenomen, omdat daardoor op het ongenummerde perceel bouwmogelijkheden ontstaan, terwijl het perceel [locatie 7] nog voldoende uitbreidingsruimte biedt voor bedrijfsbebouwing ten dienste van de agrarische activiteiten die op het ongenummerde perceel plaatsvinden. Volgens de gemeenteraad is op het ongenummerde perceel geen sprake van erfvorming en vallen de daar aanwezige bouwwerken terecht onder het overgangsrecht.

2.5.45. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten wegens het ontbreken van de aanduiding “agrarisch bedrijf 3” op het ongenummerde perceel door middel van een koppeling met het perceel [locatie 7]. Volgens verweerder dient (nieuwe) agrarische bedrijfsbebouwing geconcentreerd te worden op het perceel [locatie 7]. Aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied A” op het ongenummerde perceel heeft verweerder evenwel goedkeuring onthouden omdat hij het niet aanvaardbaar acht dat de ter plaatse aanwezige stalling, waarvoor in 1976 een bouwvergunning is verleend, onder het overgangsrecht valt. Volgens verweerder dient een specifieke bestemming “Veestalling” te worden toegekend, overeenkomstig het bestaande gebruik en zonder de mogelijkheid van uitbreiding of bouw van een (extra) bedrijfswoning.

2.5.46. Het provinciaal beleid dat alleen een agrarisch bouwblok wordt toegekend indien op een perceel een reëel en volwaardig agrarisch bedrijf is gevestigd en dat de bedrijfsbebouwing per agrarisch bedrijf geconcentreerd dient te worden, acht de Afdeling niet onredelijk.

Uit artikel 3, lid A., aanhef en onder 1. en 2., in samenhang met artikel 3, lid B., aanhef en onder 1., van de voorschriften volgt dat aan het perceel [locatie 7] een agrarisch bouwblok is toegekend met een oppervlakte van 0,25 hectare en dat het ongenummerde perceel onder meer bestemd is voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Het deskundigenbericht vermeldt dat het perceel [locatie 7] nog voldoende uitbreidingsruimte (ongeveer 0,15 hectare) biedt en dat appellante op het ongenummerde perceel 32 fokschapen en 3 paarden houdt.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellante gewenste koppeling niet in overeenstemming is met zijn beleid. De omstandigheid dat in 1976 een bouwvergunning is verleend voor een stalling op het ongenummerde perceel, behoefde verweerder niet tot een andere slotsom te leiden. Verweerder acht de specifieke bestemming “Veestalling” wel aanvaardbaar.

Hieruit volgt dat de bezwaren van appellante tegen de goedkeuring van het plan geen doel treffen.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellante sub 9] gericht is tegen de goedkeuring van een bepaald plandeel met deze bestemming, is haar beroep om die reden in zoverre gegrond.

Wat betreft de motivering voor de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied B” voor haar ongenummerd perceel aan de [locatie 8], is de Afdeling van oordeel dat verweerder op goede gronden goedkeuring aan dit plandeel heeft onthouden. Het beroep van [appellante sub 9] is in zoverre ongegrond.

2.5.47. [appellant sub 27] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin niet tevens de aanduiding “agrarisch bedrijf” is toegekend aan zijn ongenummerd perceel met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding “gebied A” ten noorden van het perceel [locatie 9]. Hij betoogt dat zijn huidige woning tegen zijn wil - in een partiële planherziening - is bestemd tot bedrijfswoning bij het op het perceel [locatie 9] gevestigde autosloop- en reparatiebedrijf. Volgens appellant heeft het college toegezegd dat hij elders in het buitengebied een nieuwe woning mag bouwen voor zijn agrarisch bedrijf.

2.5.48. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de agrarische activiteiten van appellant op zijn ongenummerde perceel van zodanige aard en omvang zijn dat nu, of binnen afzienbare tijd, geen sprake is van reële en volwaardige agrarische bedrijvigheid. Voorts wijst de gemeenteraad erop dat het beroep van appellant tegen het bestemmen tot bedrijfswoning bij het op het perceel [locatie 9] gevestigde auto(sloop)bedrijf ongegrond is verklaard. Volgens de gemeenteraad zijn voldoende inspanningen verricht om voor appellant elders in het buitengebied een vervangende woningbouwmogelijkheid te vinden.

2.5.49. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat de agrarische activiteiten te gering van omvang zijn om in aanmerking te komen voor een agrarisch bouwblok en dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beleidsmatig niet worden toegestaan. Voorts acht verweerder zich niet gebonden aan een eventuele toezegging van het college.

2.5.50. De Afdeling stelt voorop dat het perceel [locatie 9] niet in het voorliggende plan, maar in het bestemmingsplan “Buitengebied, partiële herziening Grintenbosweg” is opgenomen, dat dit perceel daarin is bestemd tot “Bedrijfsdoeleinden” voor de uitoefening van een autosloop- en auto(reparatie)bedrijf en dat bij uitspraak van 25 september 1998, inzake no. E01.96.0397, het beroep van appellant tegen de verlening van goedkeuring aan deze bestemming ongegrond is verklaard.

Het provinciaal beleid dat alleen een agrarisch bouwblok wordt toegekend indien op een perceel een reëel en volwaardig agrarisch bedrijf is gevestigd, acht de Afdeling niet onredelijk.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat het hoofdberoep van appellant chauffeur is en dat zijn agrarische activiteiten niet de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf hebben, maar dienen te worden aangemerkt als een beperkt hobbymatige agrarische activiteit.

Gelet hierop heeft verweerder onverkort aan zijn beleid kunnen vasthouden.

Voorts is niet betwist dat het provinciaal beleid, gericht op het tegengaan van (verdere) verstening van het buitengebied, zich eveneens verzet tegen de bouw van een nieuwe burgerwoning op het ongenummerde perceel.

Ten aanzien van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad in rechte te honoreren verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in een agrarisch bouwblok op het ongenummerde perceel. Het college heeft alleen een inspanningsplicht toegezegd voor het zoeken naar een mogelijkheid elders in het buitengebied voor de bouw van een nieuwe (bedrijfs-)woning bij de agrarische activiteiten van appellant.

De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden. Overigens is de Afdeling gebleken dat het college verschillende mogelijkheden heeft onderzocht.

De bezwaren van appellant treffen derhalve geen doel.

Hiervoor onder 2.5.7.1. is onder meer geoordeeld dat de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” niet in stand kan blijven. Aangezien het beroep van [appellant sub 27] gericht is tegen de goedkeuring van een bepaald plandeel met deze bestemming, is zijn beroep om die reden in zoverre gegrond.

2.6. Artikel 5: Bos en Natuurgebied

2.6.1. Natuurmonumenten heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “bos” op een aantal van haar percelen met de bestemming “Bos en natuurgebied”. Zij betoogt dat de aanduiding “bos met natuurlijke waarde” had moeten worden toegekend omdat de percelen beheerd worden als natuurgebied en niet gebruikt worden voor de houtproductie.

2.6.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat op gronden met de aanduiding “bos” de houtproductie voorop staat en op gronden met de aanduiding “bos met natuurlijke waarde” de natuurfunctie.

2.6.3. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij acht het onderscheid tussen de aanduidingen “bos” en “bos met natuurlijke waarde” in de plantoelichting voldoende verklaard.

2.6.4. De percelen liggen in gebieden die op de functiekaart bij het streekplan zijn aangeduid als “Zone IV: natuur” of als “Bos”. Volgens het streekplan geldt voor bossen binnen deze aanduidingen dat het multifunctionele gebruik daarvan behouden dient te blijven, met stimulering van de natuurwaarde.

Uit het streekplan blijkt tevens dat (tijdelijke) productiebossen in beginsel niet gelegen mogen zijn binnen deze aanduidingen.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de aanduidingen “bos” en “bos met natuurlijke waarde” getoetst heeft aan het streekplanbeleid.

Uit artikel 5, lid A., onder 1. en 2., van de voorschriften blijkt dat de bosbeplanting op gronden met de aanduiding “bos met natuurlijke waarde”

- anders dan op gronden met de aanduiding “bos” - niet bestemd is voor de houtproductie. Voor het vellen, rooien of beschadigen van bomen en andere houtopstanden op deze gronden is bovendien een aanlegvergunning vereist.

Niet in geschil is dat Natuurmonumenten een duurzame instandhouding van de multifunctionele bossen op haar percelen beoogt.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij op onjuiste gronden goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “bos”.

Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van Natuurmonumenten is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.6.5. Appellant Ter Mors heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bos en natuurgebied” en de aanduiding “bos” voor twee bospercelen ten noorden en ten zuiden van zijn perceel [locatie 10]. Hij stelt dat deze percelen kleiner dan 2 hectare zijn en geen bijzondere landschappelijke waarde hebben. Volgens appellant had de bestemming “Agrarisch cultuurlandschap” moeten worden toegekend.

2.6.6. De gemeenteraad heeft de bestemming toegekend vanwege de aard en het karakter van de op de percelen aanwezige flora en fauna. De gebruiksmogelijkheden bij de door appellant gewenste bestemming “Agrarisch cultuurgebied” kunnen er volgens de gemeenteraad toe leiden dat deze flora en fauna verdwijnt.

2.6.7. Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder is het gemeentelijke beleid terecht gericht op het veiligstellen van bestaande natuur- en landschapswaarden.

2.6.8. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De bospercelen liggen in het beekdal van de Buurserbeek, dat onderdeel is van de PEHS. Het streekplanbeleid voor de PEHS is gericht op het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van een grote rijkdom aan natuurwaarden (biodiversiteit).

Dit provinciaal beleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor.

Uit artikel 5, lid A., van de voorschriften volgt dat de bospercelen onder meer bestemd zijn voor het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden, zoals deze tot uitdrukking komen in onder andere de hoogopgaande beplanting, de flora en de fauna.

De stukken, waaronder het deskundigenbericht, bevestigen de aanwezigheid van te beschermen natuurwaarden op de bospercelen met een oppervlakte van ongeveer 0,15 hectare respectievelijk 0,45 hectare.

In de omstandigheid dat de plantoelichting vermeldt dat voor het afzonderlijk bestemmen van bossen een ondergrens van ongeveer 2 hectare is aangehouden, behoefde verweerder - mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.7.1. is overwogen - geen aanleiding te zien van zijn beleid af te wijken.

Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het beleid noopten.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van appellant Ter Mors is in zoverre ongegrond.

2.6.9. De Milieuraad heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming “Bos en Natuurgebied” en de aanduiding “bos” op een ongenummerd perceel aan de Benteloseweg. Zij betoogt dat deze onthouding in strijd is met het streekplanbeleid. Volgens de Milieuraad is de aanwezige opstal zonder bouwvergunning gebouwd.

2.6.10. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de bestemming, omdat hij gelet op de omvang, inrichting en bouwtechnische staat van de opstal de bestemming “Zomerhuizen” het meest passend acht.

2.6.11. Het streekplanbeleid is gericht op het uitsluiten van nieuwe recreatiewoningen in het buitengebied.

De Afdeling acht dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat op het perceel een opstal aanwezig is waarin buurtfeesten worden gegeven en die benut werd door de plaatselijke touwtrekvereniging. Onduidelijk is wat de ontstaansgeschiedenis van deze opstal is.

Niet in geschil is dat de bestemming die in het vorige plan aan het perceel was toegekend het gebruik als recreatiewoning niet toestond.

Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat feitelijk geen sprake is van een recreatiewoning. Ook heeft verweerder niet kunnen bevestigen dat de opstal met een bouwvergunning is gebouwd.

Gelet hierop, is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd waarom in dit geval sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die een uitzondering op het streekplanbeleid rechtvaardigen.

Het beroep van de Milieuraad is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.7. Artikel 6: Woondoeleinden

2.7.1. [appellant sub 32] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming “Woondoeleinden” op zijn perceel [locatie 11], met de motivering dat de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduidingen “gebied B” en “agrarisch bedrijf 3” passend is. Hij betoogt dat die motivering de aanduiding “agrarisch bedrijf 2” dient toe te staan, omdat reeds een bouwperceel van 0,5 hectare aanwezig is voor zijn zoogkoeienbedrijf. Volgens appellant is die aanduiding eveneens nodig om ‘boerderijkamers’ te kunnen realiseren.

2.7.2. De gemeenteraad heeft (ambtshalve) de bestemming “Woondoeleinden” toegekend omdat op het perceel geen agrarische activiteiten meer worden uitgeoefend.

2.7.3. Verweerder heeft de bestemming “Woondoeleinden” in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij heeft overwogen dat op basis van de door appellant overgelegde bedrijfsgegevens over de periode 1998 - 2000 en gelet op de gemeentelijke uitgangspunten, een agrarisch bouwperceel met de aanduiding “agrarisch bedrijf 3” passend is. Verweerder acht niet aangetoond dat de omvang van appellants agrarische activiteiten binnen afzienbare tijd zodanig zal groeien dat de aanduiding “agrarisch bedrijf 2” verantwoord is. Indien dit in de toekomst wel het geval mocht zijn, kan volgens verweerder gebruik gemaakt worden van de in het plan op te nemen wijzigingsbevoegdheid.

2.7.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op bovenstaand standpunt heeft kunnen stellen.

Het perceel ligt in een gebied dat op de natuurbeleidkaart bij het streekplan is aangeduid als PEHS. Volgens het streekplan geldt in de PEHS dat bestaande agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering niet worden belemmerd.

Dit provinciaal beleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor.

Uit artikel 3, lid A., aanhef en onder 1., in samenhang met artikel 3, lid B., aanhef en onder 1., van de voorschriften volgt dat gronden met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied“ en de aanduidingen “gebied B” en “agrarisch bedrijf 3” onder meer bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en dat de oppervlakte van het agrarisch bouwblok 0,25 hectare bedraagt.

Het deskundigenbericht vermeldt dat de bebouwde en onbebouwde, maar wel verharde gronden die thans in gebruik zijn voor het zoogkoeienbedrijf van appellant een oppervlakte van ongeveer 0,12 hectare beslaan.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verdere vergroting van het bouwblok dan de in het plan op te nemen uitbreidingsmogelijkheid niet in overeenstemming is met zijn beleid. Ter zitting heeft appellant overigens verklaard geen concrete uitbreidingsplannen te hebben.

In de omstandigheid dat appellant de resterende ruimte van ongeveer 0,13 hectare binnen dit bouwblok niet de beste locatie vindt voor de plaatsing van kampeermiddelen omdat hij buiten het bouwblok de beschikking heeft over twee mooi gesitueerde grasvelden van ruim 0,25 hectare, behoefde verweerder geen aanleiding te zien van zijn beleid af te wijken. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het beleid noopten.

Voor zover appellant heeft betoogd dat hij alleen met de gewenste aanduiding “agrarisch bedrijf 2” de mogelijkheid heeft in aanmerking te komen voor een vrijstelling voor het realiseren van ‘boerderijkamers’, overweegt de Afdeling dat het gemeentelijke beleid ‘boerderijkamers’ als nevenactiviteit niet toestaat bij een agrarische bedrijf met een omvang kleiner dan 0,5 hectare, teneinde te voorkomen dat dit recreatief nachtverblijf zal gaan overheersen.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid - waarmee verweerder heeft ingestemd - onredelijk te achten.

Appellant heeft geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat verweerder niet onverkort aan dit beleid heeft kunnen vasthouden.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met de bestemmingsregeling voor de percelen [locatie 12], [locatie 13] en [locatie 14], overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 32] is ongegrond.

2.7.5. [appellanten sub 25] en de Stichting en anderen hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover op de plankaart niet staat aangegeven dat op het perceel [locatie 1] respectievelijk [locatie 15], beide met de bestemming “Woondoeleinden”, twee aparte woningen aanwezig zijn.

Voorts stellen de Stichting en anderen dat verweerder nagelaten heeft de desbetreffende bedenking in enige heroverweging te betrekken.

2.7.6. De gemeenteraad heeft de bestemming zonder de gewenste aanduiding op de plankaart toegekend omdat uit onderzoek ter plaatse en uit raadpleging van het bouwvergunningendossier voor de percelen gebleken is dat slechts één woning aanwezig is.

2.7.7. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op deze onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat op de percelen slechts één woning aanwezig is, die inpandig geschikt is gemaakt voor de huisvesting van meer huishoudens. Volgens verweerder betekent dit niet dat geen sprake meer is van een inwoningsituatie. Elk pand oogt, aldus verweerder, bouwkundig ook nog steeds als één woning.

2.7.8. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op deze onderdelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling stelt vast dat - anders dan de Stichting en anderen hebben betoogd - uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de desbetreffende bedenking in zijn besluitvorming heeft betrokken.

Uit artikel 6, lid A., van de voorschriften volgt dat de percelen bestemd zijn

voor één vrijstaande woning, nu op de plankaart niet anders staat aangegeven.

Niet in geschil is dat de planregeling de bewoning van deze woningen door twee huishoudens toestaat.

Voor wat betreft het perceel [locatie 1] staat vast dat in 1986 een bouwvergunning is verleend voor het vergroten en veranderen van het op dit perceel aanwezige pand - een voormalige agrarische bedrijfswoning - ten behoeve van inwoning.

De omstandigheid dat na een privaatrechtelijke splitsing in 1988 zich in het pand twee zelfstandige woonruimtes, aangeduid als [locatie 1, bevinden die intern niet (meer) met elkaar verbonden zijn en die thans benut worden door twee gescheiden huishoudens, behoefde verweerder niet te leiden tot de slotsom dat inmiddels twee, afzonderlijk in aanmerking te nemen, woningen op dit perceel aanwezig zijn. Bovendien is, blijkens de stukken, ook de uiterlijke verschijningsvorm van dit pand één geheel.

Voor wat betreft het perceel [locatie 15] staat vast dat in 1972 een bouwvergunning is verleend voor het beperkt (minder dan 10% van het bestaande oppervlak) uitbreiden van het op dit perceel aanwezige woonhuis, ten behoeve van inwoning.

De omstandigheid dat na een privaatrechtelijke splitsing in de jaren ’80 zich in het pand twee zelfstandige woonruimtes, aangeduid als [locatie 15], bevinden die intern niet (meer) met elkaar verbonden zijn en die thans benut worden door twee gescheiden huishoudens, behoefde verweerder niet te leiden tot de slotsom dat inmiddels twee, afzonderlijk in aanmerking te nemen, woningen op dit perceel aanwezig zijn. Bovendien is, blijkens de stukken, ook de uiterlijke verschijningsvorm van dit pand één geheel.

Het standpunt van verweerder dat op beide percelen één vrijstaande woning aanwezig is, acht de Afdeling dan ook niet onjuist of onredelijk. Ook anderszins is niet gebleken dat de bestemming niet in overeenstemming is met het huidige gebruik.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellanten sub 25] en anderen en van de Stichting en anderen zijn in zoverre ongegrond.

2.7.9. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “2” bij de bestemming “Woondoeleinden” op het perceel [locatie 16]- [locatie 17]. Hij stelt dat slechts één woning aanwezig is. De woning [locatie 17] is volgens [appellant sub 2] een bijgebouw bij de woning [locatie 16].

[appellante sub 14] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Woondoeleinden” op het perceel [locatie 16]- [locatie 17]. Zij stelt dat haar bedrijfsvoering door de aanwezigheid van de woning [locatie 17] zal worden belemmerd.

2.7.10. De gemeenteraad heeft de bestemming en de aanduiding toegekend omdat op het perceel twee woningen aanwezig zijn. Volgens de gemeenteraad is het pand [locatie 17] een bestaande woning, waarvan het gebruik - in afwijking van de voorwaarde waaronder een vergunning is verleend voor de vervangende bouw van de woning [locatie 16] - niet is beëindigd en ligt dit pand voorts in een gebied dat in het gemeentelijk structuurplan is aangeduid als mogelijk toekomstig woongebied. De woonbestemming levert, aldus de gemeenteraad, voor het naastgelegen hoveniersbedrijf, mede gelet op de op 5 juni 2000 verleende milieuvergunning, geen milieuhygiënische beperkingen op.

2.7.11. Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens hem is de toekenning van de woonbestemming aan het perceel [locatie 17] gerechtvaardigd, omdat het college het gebruik als woning sinds 1971, dan wel 1991, heeft gedoogd en gelet op dit langdurige gebruik, geen waardedaling, vermindering van woongenot of beperking van het gebruik van de aangrenzende percelen te verwachten is.

2.7.12. Het provinciaal beleid is gericht op het weren van nieuwe bebouwing die functioneel niet aan het landelijke gebied gebonden is.

De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

Uit artikel 6, lid A., van de voorschriften en de aanduiding op de plankaart volgt dat het perceel [locatie 16]- [locatie 17] bestemd is voor twee (vrijstaande) woningen.

Het perceel [locatie 17] was in het vorige plan mede bestemd voor wonen.

Het perceel [locatie 16] is in 1971 gebouwd ter vervanging van de woning [locatie 17]. De bouwvergunning voor eerstgenoemde woning is verleend onder de voorwaarde dat het gebruik van de woning Oude [locatie 17] gestaakt diende te worden.

De toekenning van de aanduiding “2” bij de bestemming “Woondoeleinden” is derhalve in strijd met het provinciaal beleid, nu één (nieuwe) woning aan het buitengebied wordt toegevoegd.

Verweerder heeft evenwel in dit geval niet onverkort aan dit beleid behoeven vast te houden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de woning [locatie 16] met vergunning is gebouwd, dat het college de voortzetting van het gebruik van de bestaande woning [locatie 17] heeft gedoogd en in 1993 uitdrukkelijk heeft afgezien van handhavend optreden, en dat het perceel in een stadsrandzone ligt en deel uitmaakt van het gebied dat in het “Structuurplan 1994” van de gemeente Haaksbergen is aangewezen als toekomstige woningbouwlocatie.

Dat de aanduiding “2” het woongenot en de gebruiksmogelijkheden van de op het perceel [locatie 16] - [locatie 17] aanwezige panden onderling zal doen verminderen, is mede gelet op de lange duur van deze bestaande situatie niet aannemelijk. Dat appellant [appellant sub 2] geen gebruik zal kunnen maken van de in artikel 6, lid C., aanhef en onder 1., van de voorschriften opgenomen saneringsregeling voor bijgebouwen, behoefde verweerder niet onaanvaardbaar te achten.

Voorts is niet aannemelijk dat het op perceel [locatie 18] gevestigde hoveniersbedrijf van [appellante sub 14] in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd door de huidige situering van de woning Oude [locatie 17]. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de afstand tussen deze woning en de bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 18] thans 11 meter bedraagt. Deze afstand is groter dan de afstand van 10 meter die in de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” wordt geadviseerd tussen een hoveniersbedrijf en een milieugevoelig object.

Omdat evenwel de bouwvoorschriften bij de bestemming geen enkele, minimale afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens voorschrijven, stelt het plan niet buiten twijfel dat geen wederzijdse hinder tussen de woning Oude [locatie 17] en de bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 18] kan ontstaan, indien uitvoering wordt gegeven aan het voornemen de woning [locatie 17] elders binnen het bestemmingvlak te herbouwen.

Hoewel de in de VNG-brochure genoemde afstanden indicatief van aard zijn, dienen, indien wordt aangesloten bij deze publicatie, naar vaste jurisprudentie van de Afdeling afwijkingen van de daarin genoemde afstanden - die worden ingegeven door de bijzondere omstandigheden ter plaatse - te worden gemotiveerd.

Nu van enige motivering op dit punt geen sprake is en evenmin is gebleken dat dit aspect bij het bestreden besluit is meegewogen, berust dit besluit wat dit onderdeel betreft niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep van [appellante sub 14] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Nu het beroep van [appellant sub 2] de aanduiding “2” binnen de bestemming “Woondoeleinden” betreft, deelt zijn beroep in zoverre in de gegrondverklaring.

2.7.13. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 6, lid B., aanhef en onder 4., sub a. en d., van de voorschriften vermelde maximale oppervlakte en hoogte voor aan- en bijgebouwen per woning. Hij betoogt dat een bijgebouw van 70 m2 en met een grotere hoogte dan 4,50 meter in dit als overgang naar de bebouwde kom aan te merken gebied aanvaardbaar is.

2.7.14. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat deze voorschriften in overeenstemming zijn met het provinciale beleid.

2.7.15. Verweerder heeft geen reden gezien de voorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens hem zijn de gehanteerde maten gangbaar en voorkomen deze maten bovendien dat bijgebouwen bij een woning van hun functie vervreemden en voor andere doeleinden worden gebruikt.

2.7.16. Artikel 6, lid B., aanhef en onder 4., sub a, van de voorschriften bepaalt dat de gezamenlijke oppervlakte voor aan- en bijgebouwen per woning ten hoogste 50 m2 bedraagt dan wel, indien een grotere oppervlakte aanwezig is, de oppervlakte zoals die per bijgebouw bestond op het tijdsip van de terinzagelegging van het ontwerp-plan. Onder sub d, van dit artikellid is bepaald dat de hoogte ten hoogste 4,50 meter mag bedragen.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat op de gronden van appellant op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-plan, een schuur van 70 m2 aanwezig was.

Het voorschrift heeft voor appellant derhalve het gevolg dat deze, zonder vergunning gebouwde schuur in het plan als zodanig is bestemd.

Aangezien hem blijkens zijn beroepschrift een schuur van 70 m2 voor ogen staat, ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Wat de voorgeschreven hoogte van 4,50 meter betreft, is de Afdeling niet gebleken dat het standpunt van verweerder dat deze hoogte een gangbare maat is en voorts dient om te voorkomen dat bijgebouwen bij een woning in afwijking van hun functie voor andere doeleinden als wonen of bedrijfsactiviteiten worden gebruikt, onjuist of onredelijk is.

Verweerder heeft zich ook wat de bouwhoogte betreft in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.7.17. De Milieuraad en [appellanten sub 26] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Woondoeleinden” op de percelen, zoals opgenomen in bijlage 3 van de plantoelichting. Voor zover verweerder goedkeuring heeft onthouden aan deze bestemming op enkele van deze percelen, bestrijden appellanten de motivering die verweerder aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft gelegd. Zij betogen dat zowel de goedkeuring als de motivering voor de onthouding van goedkeuring niet in overeenstemming is met het streekplanbeleid.

Volgens de Milieuraad had verder nagegaan behoren te worden of de verbouwingen tot woning met een bouwvergunning zijn uitgevoerd.

[appellanten sub 26] stellen dat op ondeugdelijke gronden is afgeweken van het advies van de provinciale planologische commissie (hierna: de PPC) van 27 april 2001.

2.7.18. De gemeenteraad heeft bij het antwoord op de vraag of een woning in dit plan voor de bestemming “Woondoeleinden” in aanmerking komt, de verschijningsvorm, het voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit, de bereikbaarheid en de ligging van die woning van belang geacht. Daarnaast is bepalend geweest of die woning voor 1 januari 1997 reeds permanent werd bewoond. Volgens de gemeenteraad voldoen de in geding zijnde woningen aan deze cumulatieve voorwaarden in het gemeentelijke beleid.

2.7.19. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de bestemming op bepaalde percelen op de twee zogeheten zomerhuisjesterreinen Aamweg / Hambree en Oostendorperweg, omdat het plan ten onrechte niet bepaalt dat - nu sprake is van afzonderlijke bestemmingsvlakken waarbinnen een bepaald aantal burgerwoningen is toegelaten - die woningen alleen mogen worden gebouwd op reeds bebouwde gronden. Volgens verweerder dient voorkomen te worden dat de bestaande woningen worden afgebroken en op een andere plek binnen het bestemmingsvlak worden herbouwd.

Voor het overige heeft verweerder geen reden gezien de bestemming op deze of de anderen percelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.7.20. Het streekplanbeleid is gericht op het uitsluiten van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied.

De Afdeling acht dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk.

Ingevolge artikel 6, lid A., van de voorschriften zijn gronden op de plankaart aangewezen voor “Woondoeleinden” onder meer bestemd voor woningen.

De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de bestemming - en daarmee het door de gemeenteraad gehanteerde stelsel van cumulatieve voorwaarden - getoetst heeft aan het streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien uit bijlage 3 van de plantoelichting blijkt dat het in totaal om 81 percelen gaat, waaraan in het vorige plan geen woonbestemming was toegekend.

Voorts liggen 14 percelen, die deel uitmaken van het zogeheten zomerhuisjesterrein Aamweg / Hambree, en 16 percelen, behorende tot het zogeheten zomerhuisjesterrein Oostendorperweg, in het beekdal van de Buurserbeek. Het streekplan beschouwt dit beekdal als landschappelijk waardevol, mede omdat het fungeert als een ‘natte’ en ‘droge’ verbindingszone tussen een groot aantal natuurgebieden. Een dergelijke verbindingszone maakt volgens het streekplan deel uit van de PEHS.

Ook van de overige 51 percelen bevindt zich een groot aantal in dan wel nabij het beekdal van de Buurserbeek of een bosgebied, dat eveneens onderdeel is van de PEHS.

Tevens acht de Afdeling van belang dat de PPC in het advies van 27 april 2001 juist heeft benadrukt dat voor alle woningen op de twee zomerhuisjesterreinen een en dezelfde bestemmingsregeling voor complexen van recreatiewoningen moet gelden en dat de provinciale “Handleiding en beleidsregels” aangeeft dat de duur van de permanente bewoning van een recreatiewoning geen rol mag spelen bij de vraag of een woonbestemming moet worden toegekend. Verder kan in het deskundigenbericht, in navolging van het terzake door de PPC ingenomen standpunt, worden gelezen dat de ontsluitingsstructuur van de zomerhuisjesterreinen Aamweg / Hambree en Oostendorperweg gebrekkig is en dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten niet in alle gevallen is gewaarborgd.

Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel van het plan betreft dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij niet onderzocht heeft of in deze 81 gevallen sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die een zo groot aantal uitzonderingen op het streekplanbeleid kunnen rechtvaardigen.

Bovendien geldt als uitgangspunt van het provinciaal beleid - zoals dat voortvloeit uit het streekplan en de daarop gebaseerde “Handleiding en beleidsregels” - dat geen rekening kan worden gehouden met bestaand strijdig gebruik of met bebouwing zonder dat daarvoor een bouwvergunning is verleend, tenzij vaststaat dat daartegen niet meer handhavend kan worden opgetreden.

De Afdeling acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in al deze gevallen zou vaststaan dat niet meer handhavend kan worden opgetreden en zulks te meer niet, nu een peildatum wordt gehanteerd, die nog geen 3 jaar voor de terinzagelegging van het ontwerp-plan ligt.

Ter zitting hebben verweerder en de gemeenteraad bevestigd dat nagelaten is te onderzoeken of de in het verleden gerealiseerde uitbreidingen / verbouwingen tot woning met een bouwvergunning zijn uitgevoerd.

Het bestreden besluit is wat dit onderdeel van het plan betreft eveneens niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De beroepen van de Milieuraad en van [appellanten sub 26] en anderen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.7.21. [appellant sub 13] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “woningen met een max. inhoud van 450 m3” bij de bestemming “Woondoeleinden” op zijn perceel [locatie 10]. Hij stelt dat zijn woning op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-plan een inhoud had van ruim 465 m3.

2.7.22. De gemeenteraad heeft de aanduiding toegekend omdat de woning een inhoud heeft van 445 m3.

2.7.23. Verweerder heeft geen reden gezien de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij acht, gelet op de gegevens van de gemeente, de toegekende maximale inhoudsmaat aanvaardbaar.

2.7.24. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie 10] is vermeld in bijlage 3 van de plantoelichting. Hiervoor onder 2.7.20. is geoordeeld dat de goedkeuring van de bestemming “Woondoeleinden” op de percelen vermeld in die bijlage niet in stand kan blijven.

Hieruit volgt dat het beroep van [appellant sub 13] voor zover gericht tegen de aanduiding bij deze bestemming eveneens gegrond is. In verband hiermee behoeven zijn bezwaren in deze procedure geen bespreking meer.

2.8. Artikel 15: Zomerhuizen

2.8.1. [appellanten sub 5], [appellant sub 3], [appellanten sub 6], [appellante sub 7], de Stichting en anderen, [appellanten sub 20], [appellant sub 8], [appellant sub 15], [appellant sub 10], [appellanten sub 18], [appellanten sub 16], [appellant sub 17], [appellante sub 19] en [appellanten sub 20] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Zomerhuizen” op bij hen in gebruik zijnde percelen. Zij betogen dat het permanente gebruik van deze woningen door henzelf dan wel door anderen positief bestemd had moeten worden.

[appellanten sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 15], [appellant sub 10], [appellanten sub 16], [appellant sub 17] en [appellante sub 19] wijzen er daarbij op dat bepaalde andere percelen wel bestemd zijn tot “Woondoeleinden”.

[Appellant sub 3] stelt dat het permanente gebruik van zijn tweede woning reeds was toegestaan onder het overgangsrecht van het vorige plan.

Volgens [appellanten sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 15] had rekening gehouden moeten worden met het feit dat zij door het aanvragen van een daartoe strekkende bouwvergunning getracht hebben de inhoud van hun woningen te vergroten tot meer dan 250 m3.

[appellante sub 7] betoogt dat de onderbreking in het permanente gebruik van haar woning tussen 1994 en 1997 slechts tijdelijk was en dat daarom wel voldaan wordt aan de cumulatieve voorwaarden in het ontwerp-plan, omdat daarin de periode vóór 31 maart 1995 bepalend was en niet de situatie op 31 maart 1995.

[appellant sub 10] geeft aan dat zijn huidige verblijf in de bedrijfswoning op het terrein van zijn werkgever in Spaarndam tijdelijk is.

[appellanten sub 18] en een ander stellen dat de bestemming “Woondoeleinden” van groot belang is voor de veredelingskwekerij die zij bij hun woning exploiteren.

2.8.2. De gemeenteraad heeft de bestemming toegekend omdat de woningen niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden om voor een woonbestemming in aanmerking te komen.

2.8.3. Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.4. Het streekplanbeleid is gericht op het uitsluiten van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied.

De Afdeling acht dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk.

Ingevolge artikel 15, lid A., van de voorschriften zijn gronden op de plankaart aangewezen voor “Zomerhuizen” bestemd voor recreatief verblijf in zomerhuizen.

Niet is gebleken dat de bestemming die in het vorige plan aan de percelen was toegekend het gebruik als burgerwoning toestond.

Vast staat dat [appellant sub 3], de eigenaresse van de woning op het perceel [locatie 19] en [appellant sub 15] hun hoofdverblijf elders hebben en dat [appellanten sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 15] tegen de weigering de door hen gewenste bouwvergunning te verlenen geen beroep hebben ingesteld bij de rechtbank.

Voorts liggen een groot aantal van de percelen in dan wel nabij het beekdal van de Buurserbeek of een bosgebied, welke onderdeel zijn van de PEHS.

De enkele omstandigheid dat het college in het verleden niet handhavend is opgetreden tegen het gestelde permanente gebruik, brengt niet met zich dat van het beleid had moeten worden afgeweken. Ook anderszins is van de noodzaak daartoe niet gebleken.

Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat in de provinciale “Handleiding en beleidsregels” is opgenomen dat een inhoud van 250 m3 voor recreatiewoningen toereikend is en dat alleen op een complex van recreatiewoningen onder bepaalde voorwaarden een inhoudsmaat van 300 m3 kan worden toegestaan.

In zoverre is de situatie gelijk aan die van één of meerdere van de 81 percelen, waarop [appellanten sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 15], appellant [appellant sub 10], [appellanten sub 16], [appellant sub 17] en [appellante sub 19] zich beroepen. Zij hebben de rechtmatigheid van het door de gemeenteraad gehanteerde en door verweerder gesanctioneerde stelsel van cumulatieve voorwaarden betwist, welk stelsel in hun ogen tot willekeur leidt. Naar zij hebben betoogd, is immers ook in hun geval sprake van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan, gelijk in de gevallen van meergenoemde 81 percelen, van het streekplanbeleid afgeweken had behoren te worden.

Nu de Afdeling hiervoor onder 2.7.20. heeft geoordeeld dat zowel de verlening als de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Woondoeleinden” op die percelen niet in stand kan blijven, kan niet worden vastgesteld of de weerlegging door verweerder van het door deze appellanten gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van [appellanten sub 5] is in zoverre en de beroepen van [appellant sub 8], van [appellant sub 15], van [appellant sub 10], van [appellanten sub 16], van [appellant sub 17] en van [appellante sub 19] zijn geheel gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Nu de beroepen van [appellant sub 3], van [appellanten sub 6], van [appellante sub 7], van de Stichting en anderen, van [appellanten sub 18] en van [appellanten sub 20] eveneens deze bestemming betreft, delen hun beroepen in zoverre in de gegrondverklaring. In verband hiermee behoeven hun overige bezwaren in deze procedure geen bespreking meer.

2.8.5. [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellanten sub 20], de Stichting en anderen en [appellante sub 21] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte aan de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Zomerhuizen” op diverse percelen op de twee zogeheten zomerhuisjesterreinen Aamweg / Hambree en Oostendorperweg, niet (tevens) de motivering ten grondslag heeft gelegd dat het permanente gebruik van de woningen positief bestemd moet worden.

[appellant sub 4] en [appellanten sub 5] wijzen er daarbij op dat andere percelen op één van deze terreinen wel bestemd zijn tot “Woondoeleinden”.

2.8.6. De gemeenteraad heeft de bestemming toegekend omdat de woningen niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden om voor een woonbestemming in aanmerking te komen.

2.8.7. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de bestemming, omdat het plan ten onrechte niet bepaalt dat - nu sprake is van afzonderlijke bestemmingsvlakken waarbinnen een bepaald aantal recreatiewoningen zijn toegelaten - die woningen alleen mogen worden gebouwd op reeds bebouwde gronden. Volgens verweerder dient voorkomen te worden dat bestaande recreatiewoningen worden afgebroken en op een andere plek binnen hetzelfde bestemmingsvlak worden herbouwd.

Voor het overige heeft hij geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Verweerder onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.8. Het streekplanbeleid is gericht op het uitsluiten van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied.

De Afdeling acht dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk.

Ingevolge artikel 15, lid A., van de voorschriften zijn gronden op de plankaart aangewezen voor “Zomerhuizen” bestemd voor recreatief verblijf in zomerhuizen.

Niet is gebleken dat de bestemming die in het vorige plan aan de percelen was toegekend het gebruik als burgerwoning toestond.

Voorts liggen de beide zomerhuisjesterreinen, waartoe de percelen behoren, in het beekdal van de Buurserbeek en/of in een bosgebied, die onderdeel zijn van de PEHS.

De enkele omstandigheid dat het college in het verleden niet handhavend is opgetreden tegen het gestelde permanente gebruik, brengt niet met zich dat van het beleid had moeten worden afgeweken. Ook anderszins is van de noodzaak daartoe niet gebleken.

In zoverre is de situatie gelijk aan die van één of meerdere van de 81 percelen, waarop [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] zich beroepen. Zij hebben de rechtmatigheid van het door de gemeenteraad gehanteerde en door verweerder gesanctioneerde stelsel van cumulatieve voorwaarden betwist, welk stelsel in hun ogen tot willekeur leidt. Naar zij hebben betoogd, is immers ook in hun geval sprake van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan, gelijk in de gevallen van meergenoemde 81 percelen, van het streekplanbeleid afgeweken had behoren te worden.

Nu de Afdeling hiervoor onder 2.7.20. heeft geoordeeld dat zowel de verlening als de onthouding van de goedkeuring aan de bestemming “Woondoeleinden” op die percelen niet in stand kan blijven, kan niet worden vastgesteld of de weerlegging door verweerder van het door deze appellanten gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van [appellant sub 4] is geheel en het beroep van [appellanten sub 5] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Nu de beroepen van [appellanten sub 20], van de Stichting en anderen, en van [appellante sub 21] eveneens deze bestemming betreft, delen hun beroepen in zoverre in de gegrondverklaring. In verband hiermee behoeven hun overige bezwaren in deze procedure geen bespreking meer.

2.8.9. De Milieuraad heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Zomerhuizen” op een ongenummerd perceel aan de Oldenkotsedijk. Zij betoogt dat deze verlening in strijd is met het streekplanbeleid.

2.8.10. De Afdeling stelt vast dat niet alleen verweerder in het besluit omtrent goedkeuring niet heeft gemotiveerd waarom hij de bestemming, ondanks de beweerde strijd met het streekplanbeleid, een goede ruimtelijke ordening acht, maar ook dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan.

Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met het stelsel van de WRO. Uit dit stelsel volgt dat de gemeenteraad ontvankelijke zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van de Milieuraad is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Zomerhuizen”, voor zover het betreft het ongenummerde perceel aan de Oldenkotsedijk.

2.8.11. [appellanten sub 26] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Zomerhuizen” op bepaalde percelen op het zogeheten zomerhuisjesterrein Oostendorperweg. Voor zover verweerder goedkeuring heeft onthouden aan deze bestemmingen op enkele percelen van dit zomerhuisjesterrein, bestrijden appellanten de motivering die verweerder aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft gelegd. Zij betogen dat zowel de goedkeuring als de motivering voor de onthouding van goedkeuring niet in overeenstemming zijn met het provinciaal beleid. Volgens appellanten is op ondeugdelijke gronden afgeweken van het advies van de PPC van 27 april 2001 en dient de functie van bosgebied voor dit terrein te worden gewaarborgd.

2.8.12. De gemeenteraad heeft de bestemming toegekend omdat de woningen niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden om voor een woonbestemming in aanmerking te komen. Volgens de gemeenteraad vindt geen aantasting van het bosgebied plaats omdat het gebruik van de woningen niet wijzigt ten opzichte van het vorige plan.

2.8.13. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de bestemming op enkele percelen, omdat het plan ten onrechte niet bepaalt dat - nu sprake is van één bestemmingsvlak waarbinnen een bepaald aantal recreatiewoningen zijn toegelaten - die woningen alleen mogen worden gebouwd op reeds bebouwde gronden. Volgens verweerder dient ter bescherming van het bosgebied voorkomen te worden dat de bestaande woningen worden afgebroken en op een andere plek binnen het bestemmingsvlak worden herbouwd.

Voor het overige heeft verweerder geen reden gezien de bestemming op deze of de andere percelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.14. Ingevolge artikel 15, lid A., van de voorschriften zijn gronden op de plankaart aangewezen voor “Zomerhuizen” bestemd voor recreatief verblijf in zomerhuizen.

Niet in geschil is dat de bestemming die in het vorige plan aan de percelen was toegekend het gebruik als recreatiewoning eveneens toestond.

De Afdeling is niet gebleken noch hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat de bestemming “Zomerhuizen” in strijd is met het provinciaal beleid.

In het advies van 27 april 2001 heeft de PPC aangegeven dat ter voorkoming van aantasting van het bosgebied de binnen de bestemming “Zomerhuizen” aanwezige bebouwing alsnog in het plan dient te worden vastgelegd.

Anders dan appellanten veronderstellen, stelt de Afdeling vast dat verweerder in zoverre niet is afgeweken van het advies van de PPC, maar daaraan door middel van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring juist is tegemoetgekomen.

De bezwaren van appellanten treffen derhalve geen doel.

Nu het beroep van [appellanten sub 26] en anderen eveneens de bestemming “Zomerhuizen” betreft, deelt hun beroep in zoverre in de gegrondverklaring, als hiervoor onder 2.8.4. en 2.8.8. is overwogen.

2.8.15. De Stichting en anderen hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Zomerhuizen” voor de overige recreatiewoningen in het plan. Zij stellen dat permanente bewoning van die woningen mogelijk moet zijn.

2.8.16. De gemeenteraad heeft de bestemming toegekend omdat de woningen niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden om voor een woonbestemming in aanmerking te komen.

2.8.17. Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.18. Het streekplanbeleid staat permanente bewoning van recreatiewoningen in het buitengebied niet toe.

De Afdeling acht dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk.

Ingevolge artikel 15, lid A., van de voorschriften zijn gronden op de plankaart aangewezen voor “Zomerhuizen” bestemd voor recreatief verblijf in zomerhuizen.

Niet is gesteld noch is de Afdeling gebleken dat de bestemming onevenredige beperkingen oplegt.

Voorts hebben appellanten niet aangegeven voor welke percelen met deze bestemming sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die een uitzondering op het streekplanbeleid zouden kunnen rechtvaardigen.

De bezwaren treffen derhalve geen doel.

Nu het beroep van de Stichting en anderen eveneens de bestemming “Zomerhuizen” betreft, deelt hun beroep in zoverre in de gegrondverklaring, als hiervoor onder 2.8.4. en onder 2.8.8. is overwogen.

2.9. Artikel 10: Bedrijfsdoeleinden

2.9.1. [appellant sub 30] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” en de aanduiding “hoveniersbedrijf” voor het perceel [locatie 18]. Hij stelt dat de op het perceel aanwezige bebouwing slechts voor hobbymatige doeleinden in gebruik is geweest.

2.9.2. De gemeenteraad heeft de bestemming en de aanduiding toegekend omdat het gebruik van de op het perceel aanwezige bedrijfshal voor een hoveniersbedrijf meer in overeenstemming is met de kenmerken van het als kernrandzone aangewezen gebied dan een gebruik voor industriële doeleinden, waarvoor de bedrijfshal destijds (in strijd met de bestemming) is gebouwd.

2.9.3. Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.9.4. Het streekplanbeleid staat nieuwe gebruiksvormen, die functioneel niet aan de groene ruimte zijn gebonden, daarin niet toe. Onder een nieuwe gebruiksvorm verstaat het streekplan een bedrijvigheid die niet reeds in november 1999 een specifieke, op de aard van het (niet-agrarische) bedrijf toegesneden, bestemming had. Wel voorziet het streekplan in geval van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, met name in een stadsrand, in de mogelijkheid nieuwe functies toe te laten afhankelijk van de situering in het landschap, aanwezige natuur- en landschapswaarden en de ligging ten opzichte van een woonkern. Met name wonen, recreatie en opslag noemt het streekplan als logische vervolgfuncties, maar ook de vestiging van ambachtelijke en kleinschalige niet-industriële bedrijvigheid.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit provinciaal beleid onredelijk te achten.

2.9.4.1. Niet in geschil is dat het perceel in het vorige plan geen specifieke, op hoveniersactiviteiten toegesneden bestemming had, maar dat daaraan een agrarische bestemming was toegekend. Voorts ligt het perceel weliswaar in de stadsrand van Haaksbergen, maar de op het perceel aanwezige bedrijfshal betreft geen vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing.

Toekenning van de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met de aanduiding “hoveniersbedrijf” is derhalve in strijd met het provinciale beleid.

Verweerder heeft evenwel niet onverkort aan dit beleid behoeven vast te houden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat op het perceel sinds 1964 een bedrijfsgebouw voor constructiewerkzaamheden aanwezig is dat met vergunning is gebouwd en dat sinds 1995 [appellante sub 14] dit gebouw bedrijfsmatig in gebruik heeft voor opslag van machines en gereedschappen voor haar elders in Haaksbergen gevestigde hoveniersbedrijf. Voorts vermeldt het deskundigenbericht dat de werkzaamheden voor het hoveniersbedrijf voornamelijk op locatie plaatsvinden. Dat het huidige gebruik voor hoveniersdoeleinden het landschap dan wel de aanwezige natuur- en landschapswaarden onaanvaardbaar (verder) zou aantasten, is de Afdeling niet gebleken.

Voorts is niet aannemelijk dat de aanwezigheid van het hoveniersbedrijf op het perceel [locatie 18] geen goed woon- en leefklimaat veroorzaakt in de woning [locatie 17]. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de afstand tussen deze woning en de bedrijfsbebouwing van [appellante sub 14] thans 11 meter bedraagt. Deze afstand is groter dan de afstand van 10 meter die in de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” wordt geadviseerd tussen een hoveniersbedrijf en een milieugevoelig object.

Omdat evenwel de bouwvoorschriften bij de bestemming geen enkele, minimale afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens voorschrijven, stelt het plan niet buiten twijfel dat geen wederzijdse hinder tussen de woning Oude [locatie 17] en de bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 18] kan ontstaan, indien uitvoering wordt gegeven aan het voornemen de woning [locatie 17] elders binnen het bestemmingvlak te herbouwen.

Hoewel de in de VNG-brochure genoemde afstanden indicatief van aard zijn, dienen, indien wordt aangesloten bij deze publicatie, naar vaste jurisprudentie van de Afdeling afwijkingen van de daarin genoemde afstanden - die worden ingegeven door de bijzondere omstandigheden ter plaatse - te worden gemotiveerd.

Nu van enige motivering op dit punt geen sprake is en evenmin is gebleken dat dit aspect bij het bestreden besluit is meegewogen, berust dit besluit wat dit onderdeel betreft niet op een deugdelijke .

Het beroep van [appellant sub 30] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.9.5. [appellant sub 22] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “opslag” voor zijn perceel [locatie 20] met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”. Hij stelt dat zijn aannemingsbedrijf daar mede gevestigd is en dat derhalve de aanduiding “aannemingsbedrijf” had moeten worden toegekend. Volgens appellant worden al jaren niet-agrarische bedrijfsactiviteiten verricht op het perceel.

2.9.6. De gemeenteraad heeft de aanduiding “opslag” toegekend omdat het aannemingsbedrijf van appellant in de kern Sint Isidorus is gevestigd en omdat appellant in 1999 het perceel heeft gekocht, nadat het daar gevestigde landbouwmechanisatiebedrijf de activiteiten had beëindigd. De door appellant voorgestane (gedeeltelijke) verplaatsing dan wel uitbreiding van zijn aannemingsbedrijf op het perceel is volgens de gemeenteraad in strijd met het beleid dat gericht is op het weren van niet-agrarische bedrijven uit het buitengebied die daaraan functioneel niet gebonden zijn. De gemeenteraad acht het aanvaardbaar dat de voormalige bedrijfsbebouwing op het perceel wordt benut voor opslagdoeleinden zonder productie- en/of bewerkingsactiviteiten.

2.9.7. Verweerder heeft geen reden gezien de aanduiding “opslag” in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder wordt terecht het gebruik van het perceel beperkt tot opslag en de vestiging dan wel uitbreiding van het aannemingsbedrijf van appellant voorkomen.

2.9.8. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het streekplanbeleid staat nieuwe gebruiksvormen, die functioneel niet aan de groene ruimte zijn gebonden, daarin niet toe. Onder een nieuwe gebruiksvorm verstaat het streekplan een bedrijvigheid die niet reeds in november 1999 een specifieke, op de aard van het (niet-agrarische) bedrijf toegesneden, bestemming had.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit provinciaal beleid onredelijk te achten.

Niet in geschil is dat het perceel in november 1999 bestemd was voor “Agrarisch gebied met agrarische bedrijfsbebouwing”.

Verweerder heeft dan ook op goede gronden het gebruik van het perceel voor het aannemingsbedrijf van appellant als een nieuwe gebruiksvorm als bedoeld in het streekplan gekwalificeerd en terecht in strijd met zijn beleid geacht.

In de omstandigheid dat tot maart 1999 op basis van een onder het vorige plan verleende vrijstelling een landbouwmechanisatiebedrijf op het perceel was gevestigd, behoefde verweerder geen aanleiding te zien van zijn beleid af te wijken. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het beleid noopten.

Ten aanzien van het eerst ter zitting door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, is de Afdeling van oordeel dat dit argument in een zo laat stadium van de (beroeps-)procedure naar voren gebracht is, dat dit argument wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. Daarbij acht de Afdeling mede van belang dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten dit argument niet eerder naar voren te hebben gebracht.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 22] is ongegrond.

2.10. Artikel 12: Actieve recreatie

2.10.1. Het college en de Sterruiters hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het getal “4750”, als bedoeld in artikel 12, lid B., aanhef, onder 1. en sub a., van de voorschriften, voor het perceel [locatie 21] met de bestemming “Actieve recreatie” en de aanduiding “manege”, voor zover dit getal voorziet in een uitbreidingsmogelijkheid die groter is dan 15% ten opzichte van de bestaande bebouwing.

Het college betoogt dat de in het plan geboden uitbreidingsmogelijkheid tot 4750 m2 de landschappelijke waarden niet onevenredig zal aantasten, omdat de te realiseren bebouwing landschappelijk kan worden ingepast. De toeneming van autoverkeer kan, aldus het college, voldoende worden opgevangen door de verschillende wegen die naar het perceel leiden.

De Sterruiters stelt dat een uitbreidingsmogelijkheid tot 4750 m2 noodzakelijk is voor de continuïteit van de daar gevestigde manege. Volgens haar heeft verweerder ten onrechte getoetst aan zijn vestigingsbeleid voor niet-agrarische bedrijven, nu zij als sportvereniging een algemeen belang dient en geen commercieel doel nastreeft en als vereniging die buitenwedstrijden organiseert over een manege in het buitengebied dient te beschikken.

2.10.2. Verweerder heeft het getal “4750” voor het perceel in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat een rechtstreekse uitbreiding van meer dan 15% strijdig is met het provinciaal beleid. Volgens verweerder is niet aangetoond dat een grotere omvang noodzakelijk is. De in het plan geboden uitbreidingsmogelijkheid acht verweerder evenmin aanvaardbaar vanwege de landschappelijke waarden van het omliggende gebied en vanwege de toename van de automobiliteit die een grotere manege met zich zal brengen.

2.10.3. Het provinciaal beleid als opgenomen in het streekplan staat nieuwe bebouwing en grondgebruiksvormen, die functioneel niet aan de groene ruimte zijn gebonden, daarin niet toe en is tevens gericht op het tegengaan van uitbreiding van functioneel niet aan de groene ruimte gebonden gebruiksvormen. Volgens het streekplan wordt bij een beduidende uitbreidingsbehoefte gestreefd naar een verplaatsing naar een passend bedrijventerrein in de nabijgelegen (grotere) kern of stad. Indien verplaatsing om bedrijfseconomische redenen en/of andere bijzondere redenen uitgesloten of zeer ongewenst is, staat het streekplan een beperkte uitbreiding toe, indien onafhankelijke adviezen de noodzaak daartoe aantonen. Deze noodzaak zal, aldus het streekplan, voorts afgewogen moeten worden tegen de eventuele gevolgen voor natuur en landschap, cultuurhistorische waarden en het milieu. Tevens moet een goede ontsluiting ook na de uitbreiding verzekerd zijn en mag de uitbreiding geen overlast veroorzaken voor omwonenden. Het streekplan eist een op de omstandigheden toegesneden rapportage en een advies over de bedrijfseconomische en eventuele andere relevante aspecten, die beide op objectieve wijze inzicht geven in de kosten van de uitbreiding ter plaatse in relatie tot de kosten en effecten van een eventuele algehele verplaatsing. Het toestaan van een dergelijke uitbreiding merkt het streekplan aan als een afwijking van het streekplan, waarop de regels van hoofdstuk 5.5 (advies van de PPC en horen van de commissie van advies van de provinciale staten) van toepassing zijn.

Dit beleid is in de provinciale “Handleiding en beleidsregels” nader uitgewerkt in die zin, dat aan bestaande (niet-agrarische) bedrijven die in november 1999 al een bedrijfsbestemming hadden bij recht een uitbreiding van 15% kan worden toegestaan en uitbreidingen tot 25% door middel van een wijzigingsbevoegdheid in het plan mogen worden opgenomen.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit provinciaal beleid onredelijk te achten.

2.10.3.1. Blijkens artikel 12, lid A., van de voorschriften is het perceel bestemd voor de recreatieve beoefening van de paardensport.

Anders dan appellante stelt, acht de Afdeling het niet onjuist dat verweerder bovenstaand beleid op dit perceel heeft toegepast, nu dit beleid ziet op alle gebruiksvormen die functioneel niet aan het buitengebied zijn gebonden en niet louter op niet-agrarische bedrijven. Verweerder heeft ook het standpunt kunnen innemen dat het bij de manege gaat om een gebruiksvorm die functioneel niet aan de groene ruimte gebonden is. De recreatieve beoefening van de paardensport is geen (grondgebonden) functie waarvoor verweerder het buitengebied wenst te reserveren.

Uit artikel 12, lid B., aanhef, onder 1. en sub a., van de voorschriften volgt dat op het perceel de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten dienste van de aanduiding niet meer mag bedragen dan op de plankaart is aangegeven. Op de plankaart staat bij het perceel het getal “4750”.

Het deskundigenbericht vermeldt dat het totaal bebouwde oppervlak ongeveer 1600 m2 bedraagt.

Een uitbreiding van de manege tot 4.750 m2, als voorzien in het plan, is derhalve in strijd met het provinciaal beleid.

Niet is gebleken dat verweerder ten tijde van het nemen van zijn besluit beschikte over de in het streekplan voorgeschreven en door de Sterruiters aan te dragen rapportages en adviezen om een procedure tot afwijking van het streekplan te kunnen overwegen.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan – nu de daarin geboden uitbreidingsmogelijkheid bijna 200% bedraagt – op dit punt strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

De beroepen van het college en van de Sterruiters zijn ongegrond.

2.11. Overige bezwaren

2.11.1. De Stichting en anderen hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover daarin geen rekening is gehouden met de vervuiling door asbest, creosolen, fenolen en andere stoffen in een onbegrensd gebied. Volgens appellanten hadden deze vervuilde gebieden als zodanig op de bodemkaart moeten worden aangeduid.

2.11.2. De gemeenteraad acht een bestemmingsplan niet het juiste kader om voorkomende bodemverontreiniging nader te bestemmen of aan te duiden of een specifiek op bodemverontreiniging toegesneden aanlegvergunningenstelsel op te nemen.

2.11.3. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder dient bodemverontreiniging buiten het kader van een bestemmingsplan te worden onderzocht en opgelost.

2.11.4. De Afdeling stelt vast dat de door appellanten bedoelde bodemkaart, waarop onder meer met huisvuil opgehoogde gronden en overige voormalige vuilstorten staan aangegeven, onderdeel vormt van de plantoelichting.

Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling komt aan een plantoelichting echter geen bindende betekenis toe.

Voor zover appellanten, met een beroep op artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), hebben betoogd dat nader onderzoek naar de mate van bodemverontreiniging van het plangebied had moeten worden gedaan, overweegt de Afdeling als volgt.

Artikel 9, eerste lid, van het Bro draagt het college ten behoeve van toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente op onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Bij de voorbereiding van een ontwerp van een bestemmingsplan heeft dit onderzoek, blijkens het tweede lid van dit artikel, van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

Niet in geschil is dat de gronden - waarvan de ligging door appellanten ter zitting slechts globaal kon worden aangegeven - in het plan evenals in het vorige plan bestemd zijn voor agrarisch gebruik en dat niet te verwachten valt dat dit gebruik binnen de planperiode beëindigd zal worden.

Onder deze omstandigheden acht de Afdeling een nader onderzoek naar de beweerde bodemverontreiniging niet noodzakelijk omdat niet gebleken is dat die bodemverontreiniging de verwezenlijking van de in het plan aan de gronden toegekende bestemming in de weg staat.

De bezwaren van appellanten geven derhalve geen grond om te oordelen dat verweerder het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of met het recht had moeten achten.

Het beroep van de Stichting en anderen is in zoverre ongegrond.

2.12. Proceskosten

2.12.1. Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 6], [appellante sub 7], [appellant sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 15], [appellanten sub 16], [appellant sub 17], [appellanten sub 20], Natuurmonumenten, [appellanten sub 25], [appellanten sub 26], en de Stichting en anderen dient verweerder op hierna te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft [appellant sub 4], [appellanten sub 5],[appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10], [appellanten sub 18], [appellante sub 19], [appellante sub 21], [appellant sub 27], de Milieuraad en [appellant

sub 30], is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Met betrekking tot het college, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 22], [appellant sub 24], de Sterruiters, [appellant sub 32] en [appellant sub 33] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart niet-ontvankelijk:

- de beroepen van [appellant sub 11], van [appellant sub 12], van [appellant sub 24] en van [appellant sub 33];

- het beroep van [appellanten sub 5], voor zover het betreft de beroepsgrond gericht tegen de bestemming “Zomerhuizen” op het perceel [locatie 2];

- het beroep van [appellanten sub 25], voor zover het betreft de beroepsgrond omtrent de kap van een bijgebouw op het perceel [locatie 1];

- het beroep van de Stichting Buitengebied Haaksbergen en anderen, voor zover het betreft de beroepsgronden gericht tegen de bestemming “Zomerhuizen” op het perceel [locatie 3], en omtrent het alleen desgevraagd kunnen inzien van de achterliggende stukken bij het ontwerp-plan;

- het beroep van [appellant sub 32], voor zover het betreft de beroepsgrond omtrent het ontbreken van kampeermogelijkheden op 100 meter afstand van zijn bouwperceel;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], van [appellant sub 13], van [appellanten sub 25] (voor zover ontvankelijk), van de Stichting Buitengebied Haaksbergen (voor zover ontvankelijk) gedeeltelijk en de beroepen van [appellant sub 3], van [appellant sub 4], van [appellanten sub 5] (voor zover ontvankelijk), van [appellanten sub 6], van [appellante sub 7], van [appellant sub 8], van [appellante sub 9], van [appellant sub 10], van [appellante sub 14], van [appellant sub 15], van [appellanten sub 16], van [appellant sub 17], van [appellanten sub 18], van [appellante sub 19], van [appellanten sub 20], van [appellante sub 21], van de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland, van [appellanten sub 26], van [appellant sub 27], van de Milieuraad Haaksbergen en van [appellant sub 30] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Overijssel van 19 juni 2001, kenmerk RWB/2000/4263, voor zover het betreft:

a. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduiding

“gebied B”, voor zover het betreft het perceel [locatie 4];

b. de verlening van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” op de plankaart;

c. de verlening van goedkeuring aan artikel 3 van de voorschriften;

d. de verlening van goedkeuring aan de plandelen met de aanduiding “bos”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten A, B, C en D;

e. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Bos en natuurgebied” en de aanduiding “bos”, voor zover het betreft het ongenummerde perceel aan de Benteloseweg;

f. de verlening van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” en de aanduiding “2”, voor zover het betreft het perceel [locatie 16]- [locatie 17];

g. de verlening van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden”, voor zover het betreft de percelen zoals opgenomen in bijlage 3 van de plantoelichting;

h. de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden”, voor zover het betreft de percelen zoals opgenomen in bijlage 3 van de plantoelichting;

i. de verlening van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming “Zomerhuizen” op de plankaart;

j. de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming “Zomerhuizen” op de plankaart;

k. de verlening van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” en de aanduiding “hoveniersbedrijf”, voor zover het betreft het perceel [locatie 18];

IV. onthoudt goedkeuring aan:

- het plandeel met de bestemming “Agrarisch cultuurgebied” en de aanduidingen “gebied B” en “nieuwvestiging uitgesloten”, voor zover het betreft het perceel [locatie 6];

- artikel 3, lid F., onder 1., sub f., van de voorschriften;

- het plandeel met de bestemming “Zomerhuizen”, voor zover het betreft het ongenummerde perceel aan de Oldenkotsedijk;

V. bepaalt dat deze onthouding van goedkeuring deels in de plaats treedt van het onder III., aanhef en sub. b., c. en i., vermelde onderdeel van het vernietigde besluit;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], van [appellant sub 13], van [appellanten sub 25] (voor zover ontvankelijk), van de Stichting Buitengebied Haaksbergen (voor zover ontvankelijk) voor het overige en de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen, van [appellant sub 22], van de Landelijke Rijvereniging en Ponyclub De Sterruiters en van [appellant sub 32] (voor zover ontvankelijk) geheel ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Overijssel in de in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 2] tot een bedrag van € 483,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende

rechtsbijstand;

- [appellant sub 3] tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellanten sub 6] en een ander tot een bedrag van € 777,76, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 7] tot een bedrag van € 939,26, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 13] tot een bedrag van € 455,76, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 14] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 15] tot een bedrag van € 134,26;

- [appellanten sub 16] tot een bedrag van € 134,26;

- [appellant sub 17] tot een bedrag van € 134,26;

- [appellanten sub 20] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland tot een bedrag van € 262,52;

- [appellanten sub 25] tot een bedrag van € 938,76, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellanten sub 26] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de Stichting Buitengebied Haaksbergen en anderen tot een bedrag van € 805,00, geheel te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

deze bedragen dienen door de provincie Overijssel te worden betaald aan de genoemde (rechts-)personen;

VIII. gelast dat de provincie Overijssel aan [appellante sub 14], de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland, de Milieuraad Haaksbergen en de Stichting Buitengebied Haaksbergen afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 204,20) en aan [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellante sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 13], [appellant sub 15], [appellanten sub 16], [appellant sub 17], [appellanten sub 18], [appellante sub 19], [appellanten sub 20], [appellante sub 21], [appellanten sub 25], [appellanten sub 26], [appellant sub 27] en [appellant sub 30] afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Nolles

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

291-349.