Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
200205076/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 20.1.a.1 Bro 1985: niet beperkt tot de uitbreiding van een bestaand woongebouw; eis van gelijkblijvend aantal woningen ziet op bebouwingsmogelijkheden die bestemmingsplan biedt.

Bouwvergunning en vrijstelling (19.3 WRO jo. art. 20.1.a.1 Bro 1985) voor de bouw van twee woningen met garage-berging.

De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat art. 20.1.a.1 Bro 1985 slechts beoogt vrijstelling mogelijk te maken voor bouwwerken van ondergeschikte planologische betekenis bij bestaande woongebouwen. In haar uitspraak van 5 december 2001 (LJN url(''AD6505'',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AD6505) url(''MS 2001, 418'',../../justex/showdetail_homepage.asp?act=5657) ) heeft de Afdeling overwogen dat de artt. 19.3 WRO en 20.1.a.1 Bro 1985, de mogelijkheid geven tot het verlenen van vrijstelling voor de uitbreiding van of voor een bijgebouw bij woongebouwen in de bebouwde kom. In tegenstelling tot bij voorbeeld de regeling voor woongebouwen buiten de bebouwde kom, zijn in deze regeling, afgezien van het aantal woningen, geen restricties gesteld.

Dat het, zoals de voorzieningenrechter voorts heeft overwogen, moet gaan om de uitbreiding van een reeds bestaand woongebouw is een beperking die niet in art. 20 Bro 1985 is opgenomen. Ook in de NvT is daarover niets vermeld. Er is geen grond voor het oordeel dat voor het oprichten van een woning geen bouwvergunning kan worden verleend onder gelijktijdige verlening van vrijstelling voor dat gedeelte van de woning dat in strijd is met het bestemmingsplan. Een andere opvatting zou impliceren dat het verlenen van vrijstelling voor uitbreiding van een woning die overeenkomstig de bepalingen van het bestemmingsplan is gebouwd wel mogelijk is en het tegelijk realiseren van die uitbreiding met die woning niet. Die opvatting kan niet worden aanvaard.

Verder heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het aantal woningen gelijk dient te blijven. Voor een antwoord op de vraag of sprake is van een gelijkblijvend aantal woningen dient aansluiting te worden gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In casu laat het bestemmingsplan de bouw van twee woningen op het perceel toe. Uitbreiding van deze woningen leidt niet tot een toename van het aantal ingevolge het bestemmingsplan toegestane woningen. Hoger beroepen gegrond.

Het college van burgemeester en wethouders van Ede.

mrs. P.J. Boukema, P.A. Offers, B.J. van Ettekoven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 322
BR 2003/178
Gst. 2003, 149
Module Ruimtelijke ordening 2003/2472

Uitspraak

200205076/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2]], wonend te [woonplaats],

3. het college van burgemeester en wethouders van Ede,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 6 augustus 2002 in het geding tussen:

1. [verzoekers sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de Dorpsraad Bennekom, gevestigd te Bennekom

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2001 heeft appellant sub 3 (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] te [plaats] onder gelijktijdige verlening krachtens het bestemmingsplan van een vrijstelling bouwvergunning verleend voor de bouw van twee woningen met garage-berging op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bennekom.

Bij besluit van 6 november 2001 heeft het college aan [appellante sub 1] bouwvergunning verleend voor de wijziging van de situering van de twee woningen op het perceel.

Bij besluiten van 30 respectievelijk 31 mei 2002 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren van de Dorpsraad Bennekom (hierna: de Dorpsraad) en van [verzoekers sub 1], voor zover gericht tegen de verlening van de vrijstelling, gegrond verklaard, deze vrijstelling ingetrokken, ten behoeve van het bouwplan vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend en de bouwvergunning gehandhaafd.

Bij uitspraak van 6 augustus 2002, verzonden op 8 augustus 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter) – voor zover hier van belang - de daartegen door [verzoekers sub 1] en de Dorpsraad ingestelde beroepen gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 31 mei 2002 vernietigd, de bezwaren van de Dorpsraad van 18 juni 2001 en 22 november 2001 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaar van [verzoekers sub 1] neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellante sub 1 bij brief van 17 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2002, appellant sub 2 bij brief van 18 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2002, en het college bij brief van 18 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 7 oktober 2002 respectievelijk 25 november 2002 hebben de Dorpsraad respectievelijk [verzoekers sub 1] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem, appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede en het college, vertegenwoordigd door ir. F.M. de Kraker, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn daar de Dorpsraad, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde] en [verzoekers sub 1], vertegenwoordigd door mr. O.V. Wilkens, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De gronden waarop het bouwplan is voorzien zijn in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bennekom-West” bestemd tot “Woondoeleinden (W)”, “Erf (E)”, en “Tuin”. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat het bouwplan met dit plan in strijd is. Het college heeft bij de beslissing op bezwaar vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) verleend. In dit artikellid is bepaald dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in aanmerking komt een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.2. Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Bro 1985 slechts beoogt vrijstelling mogelijk te maken voor bouwwerken van ondergeschikte planologische betekenis bij bestaande woongebouwen. Dit betoog slaagt.

2.3. In haar uitspraak van 5 december 2001 (Gst. 7156, nr. 10) heeft de Afdeling overwogen dat de artikelen 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Bro 1985, de mogelijkheid geven tot het verlenen van vrijstelling voor de uitbreiding van of voor een bijgebouw bij woongebouwen in de bebouwde kom. In tegenstelling tot bij voorbeeld de regeling voor woongebouwen buiten de bebouwde kom, zijn in deze regeling, afgezien van het aantal woningen, geen restricties gesteld. Dat is beoogd de toepassing van deze vrijstelling meer te beperken blijkt, zo overwoog de Afdeling, evenmin uit de Nota van Toelichting, waarin met betrekking tot deze woningen slechts is vermeld dat de vrijstelling er niet toe mag leiden dat het aantal zelfstandige woningen in de gemeente toeneemt.

2.4. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank de mogelijkheid om vrijstelling als hier bedoeld te verlenen ten onrechte beperkt heeft geacht tot uitbreiding van een bestaand woongebouw. Ook dit betoog slaagt.

2.4.1. Dat het, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, moet gaan om de uitbreiding van een reeds bestaand woongebouw is een beperking die niet in artikel 20 Bro 1985 is opgenomen. Ook in de Nota van Toelichting is daarover niets vermeld. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat voor het oprichten van een woning geen bouwvergunning kan worden verleend onder gelijktijdige verlening van vrijstelling voor dat gedeelte van de woning dat in strijd is met het bestemmingsplan. Een andere opvatting zou impliceren dat het verlenen van vrijstelling voor uitbreiding van een woning die overeenkomstig de bepalingen van het bestemmingsplan is gebouwd wel mogelijk is en het tegelijk realiseren van die uitbreiding met die woning niet. Die opvatting kan niet worden aanvaard.

2.5. Appellanten betogen verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het aantal woningen gelijk dient te blijven. Ook dit betoog slaagt.

2.5.1. Naar het oordeel van de Afdeling dient voor een antwoord op de vraag of sprake is van een gelijkblijvend aantal woningen aansluiting te worden gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

In dit geval laat het bestemmingsplan de bouw van twee woningen op het perceel toe. Uitbreiding van deze woningen leidt niet tot een toename van het aantal ingevolge het bestemmingsplan toegestane woningen.

2.6. De hoger beroepen van appellanten zijn gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het door [verzoekers sub 1] ingestelde beroep gegrond is verklaard en het besluit van 31 mei 2002 is vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoekers sub 1] tegen dit besluit zelf afdoen.

2.7. Het beroep van [verzoekers sub 1] met betrekking tot de toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Bro 1985 is in hetgeen hiervoor is overwogen aan de orde gekomen. Verder is gelet op de stukken, waaronder een situatieschets, niet gebleken dat sprake is van een zodanige inbreuk op de privacy van [verzoekers sub 1] dat de vrijstelling moest worden geweigerd. Het beroep van [verzoekers sub 1] is mitsdien ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.9. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat – naar analogie van artikel 41, vijfde lid – het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellanten wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 6 augustus 2002, AWB 02/1404, AWB 02/1437 en AWB 02/1254, voorzover deze betrekking heeft op het beroep van [verzoekers sub 1] en waarbij het besluit van het college van 31 mei 2002, kenmerk VH 2001/3230 U, is vernietigd;

III. verklaart het door [verzoekers sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellanten sub 1 en sub 2 het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327,00 en €165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003.

13.