Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
200204614/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204614/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2002 heeft verweerder een verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, dat de melding van de stichting “Stichting Duurzame Energieproduktie Pluimveehouderij (hierna: stichting SDEP) voor de verandering van de werking van haar inrichting aan de Middenweg te Moerdijk, voldoet aan het bepaalde in artikel 8.19, tweede lid, van die wet.

Bij besluit van 2 juli 2002, verzonden op 19 juli 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door drs. L.P.N. de Gier en ing. W. van Soelen, ambtenaren van de provincie, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de stichting SDEP, vertegenwoordigd door C.M. Munsters.

2. Overwegingen

2.1. De melding ziet op de wijziging van de verwerkingscapaciteit voor pluimveemest van 350.000 ton per jaar bij een droge stofgehalte van 60% naar 420.000 ton per jaar bij een droge stofgehalte van 50% en op de mogelijkheid om maximaal 20.000 ton pluimveeveren te verwerken ter vervanging van circa 30.000 ton pluimveemest.

2.2. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat voorzover de in beroep aangevoerde bezwaren betrekking hebben op de bij besluit van 13 oktober 2000 aan de stichting SDEP verleende milieuvergunning, deze in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen. Het besluit van 13 oktober 2000 is bij uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2002, nr. 200005434/1, onherroepelijk geworden. Thans staat uitsluitend de melding ter beoordeling.

2.4. Wat betreft het bezwaar van appellant ten aanzien van de mogelijkheid tot inzage van de stukken, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de melding en de bijbehorende stukken niet volgens de wettelijke eisen bekend zijn gemaakt en ter inzage zijn gelegd. Dit bezwaar treft geen doel.

2.5. Het bezwaar dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de gezondheidssituatie ter plaatse treft evenmin doel reeds omdat dit feitelijke grondslag mist.

2.6. Voorzover appellant betoogt dat de afvalverwerkingsinstallatie niet voldoet aan alle technische eisen overweegt de Afdeling dat appellant dit niet nader heeft gemotiveerd en dat evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden waarin verweerder aanleiding had moeten zien om onder weigering van de melding de vergunning op dat punt aan te passen. Dit bezwaar slaagt niet.

2.7. Met betrekking tot het bezwaar tegen de uitstoot van C02 overweegt de Afdeling dat de inzet van pluimveemest en pluimveeveren geen invloed heeft op de concentratie C02 in de lucht. In zoverre bestond voor hem geen reden de melding te weigeren. Het bezwaar slaagt evenmin.

2.8. In hetgeen appellant overigens in beroep heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor vernietiging van het bestreden besluit. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, de emissies van reststoffen, mede in verband met het droge stof gehalte van de pluimveemest, niet toenemen dan wel de in de vergunning opgenomen grenswaarden niet overschrijden.

2.9. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003

190.