Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
200205649/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2004/2419

Uitspraak

200205649/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Nationaal Landschapskundig Museum en Documentatiecentrum”, gevestigd te Dordrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Hendrik-Ido-Ambacht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2002, het bestemmingsplan "Recreatiegebied Sandelingen-Ambacht" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 augustus 2002, no. DRGG/ARB/02/1682A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 21 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna te noemen: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 24 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ir. D.R. Kooistra, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is daar het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht, vertegenwoordigd door mr. H.J. Zwalve-Erades, ambtenaar der gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Achterambachtseweg, de bebouwde kom en de rijksweg A16. Met het plan wordt beoogd uitvoering te geven aan het Landinrichtingsplan IJsselmonde, dat voorziet in een bos- en recreatiegebied en de aanleg van een baggerdepot.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij is van mening dat de richtlijnen in het plan onvoldoende rekening houden met de bijzondere landschapshistorische waarden van het gebied en in het bijzonder de oeverwal van de ten noorden van het gebied afgedamde rivier de Waal. Daarnaast heeft appellante een alternatief voorstel voor de vormgeving van de langs de rijksweg A16 voorziene grondwal.

2.4. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het plan voldoende rekening houdt met de landschappelijke kenmerken van het gebied.

2.5. Aan het grootste deel van de gronden waarvan de oeverwal deel uitmaakt is de bestemming “Recreatieve doeleinden (Rd)” met de aanduiding “extensieve recreatie en natuur” toegekend. Ingevolge artikel 9, lid A, onder II., kopje Zonering, van de planvoorschriften, worden deze gronden ingericht voor extensieve recreatie waarbij onder meer wordt gedacht aan vissen, (voornamelijk routegebonden) wandelen, fietsen en de meer passieve vorm van beleven van natuur en landschap. Ingevolge de in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen hoofdlijnen van beleid is het uitgangspunt van het beleid het handhaven en versterken van het landelijke karakter van het gebied.

Aan een klein deel van de gronden waarvan de oeverwal deel uitmaakt is de bestemming “Hoofdwatergang” toegekend. Ingevolge artikel 15, lid A, onder I, sub 1, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor water en de waterhuishouding (waterberging, wateraanvoer en/of waterafvoer) alsmede voor kruisende fiets- en/of voetpaden en recreatief medegebruik. Ingevolge dit artikellid in samenhang met de plankaart kunnen ter plaatse van de oeverwal waterwegen van ongeveer 7 tot 14 meter breed worden aangelegd. Blijkens het deskundigenbericht hebben de huidige sloten die de oeverwal doorsnijden een breedte van ongeveer 3 meter. De Afdeling stelt, gelet hierop, vast dat het plan op dit punt een ingreep in de oeverwal mogelijk maakt.

Het beleid ten aanzien van cultuurhistorisch waardevolle landschappen is door verweerder vastgesteld in de beleidsnota “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland”. Hierin zijn de belangrijkste archeologische, historisch-landschappelijke en historisch-stedenbouwkundige structuren, patronen en terreinen per regio op kaart gezet en gewaardeerd. Ook al is uit het deskundigenbericht af te leiden dat de oeverwal landschappelijke waarde heeft, het plangebied is niet hierin opgenomen. Verweerder heeft aldus aan de oeverwal niet een zodanige waarde toegekend dat deze oeverwal een bijzondere bescherming moet worden geboden en derhalve terecht het standpunt ingenomen dat het plan niet in strijd is met het beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen reden om aan te nemen dat verweerder binnen de marges die hij daartoe heeft niet in redelijkheid tot dit beleid is kunnen komen.

Tegenover de belangen van de oeverwal staan de belangen die zijn gediend bij de waterberging. Voorts staat vast dat het plangebied een buffer vormt in een verstedelijkt gebied. Gelet hierop heeft verweerder het standpunt kunnen innemen dat het gebiedseigen water vast moet worden gehouden en daarnaast een bepaald percentage voor wateroppervlak moet worden gereserveerd in het kader van de waterberging.

Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat ingevolge het plan delen van de oeverwal bij de inrichting wel behouden kunnen blijven, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een zwaarder gewicht had moeten toekennen aan de belangen die zijn gediend bij het behoud van de gehele oeverwal.

2.5.1. Voorzover appellante de langs de rijksweg A16 voorziene grondwal het uiterlijk van een bestaand type natuurlijke rug wenst te geven overweegt de Afdeling het volgende.

Aan de gronden is de bestemming “Recreatieve doeleinden (Rd)” toegekend. Ingevolge de in artikel 9, lid A, onder II., kopje Groenvoorzieningen en water, van de planvoorschriften opgenomen hoofdlijnen van beleid, is het beleid erop gericht de A16 af te schermen door middel van een op te richten geluidswal met bos. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene geluidswal met bos langs de rijksweg A16 niet passend is te achten in het plangebied. Daarbij is in aanmerking genomen dat door het in stand houden van zichtlijnen het gebied visueel wordt verbonden met het open landschap voor de Waal. Voorzover appellante een wijze van uitvoering van de grondwal wenst, die afwijkt van het plan, wijst de Afdeling erop dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. De Afdeling neemt daarbij mede in aanmerking dat een grondwal in de vorm zoals appellante wenst een gebiedsvreemd element is.

2.5.2. Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003

12-290.