Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
200206880/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206880/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub A], wonend te [woonplaats] en [appellant sub B1] en [appellant sub B2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 14 november 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) het natuurgebiedsplan/beheersplan Salland (herziening en uitbreiding met IJsseluiterwaarden; hierna: het plan) vastgesteld.

Bij uitspraak van 14 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 19 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2003, waar appellanten [appellant sub B1] en [appellant sub A] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door drs.O.H. Brandsma, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met juistheid en op goede gronden heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

2.2. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd vormt voornamelijk een herhaling van hun betoog bij de rechtbank en kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.3. Hieraan voegt de Afdeling toe dat zij het niet onbegrijpelijk acht dat de inhoud van het plan bij appellanten de vraag heeft doen rijzen welke consequenties dit plan zou kunnen hebben voor het waterbeheer in Overijssel.

Ter zitting is van de zijde van het college echter uitdrukkelijk verklaard dat uit het plan geen enkele consequentie voor het waterbeheer in het gebied waarop het plan ziet, voortvloeit.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003

238.