Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
200205637/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205637/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2002, kenmerk 2002/10335/0270037, hebben verweerders aan de stichting “Vlietland Ziekenhuis” een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) verleend voor het vanuit haar inrichting lozen van afvalwater via de gemeentelijke riolering op de rioolwaterzuiveringsinstallatie “De Groote Lucht” te Vlaardingen en het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater “De Poldervaart”. Dit besluit is op 11 september 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen per fax op 23 oktober 2003 en per post op 24 oktober 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 januari 2003 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar appellant in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. R.A. Wassenburg en ing. J.H. Berserik, beiden werkzaam bij het Hoogheemraadschap, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. W.J. Haeser, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wvo worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Volgens appellant biedt de onderhavige vergunning onvoldoende waarborgen dat de kwaliteit van het oppervlaktewater niet nadelig wordt beïnvloed door het lozen van hemelwater afkomstig van de parkeerterreinen en daken van het ziekenhuis. Hij betoogt dat verweerders er ten onrechte aan zijn voorbijgegaan dat het Poldervaartgebied, waarvan het oppervlaktewater “De Poldervaart” deel uitmaakt, als een zogeheten ecologisch gebied moet worden aangemerkt en derhalve extra bescherming verdient.

2.2.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat het Poldervaartgebied niet op grond van enige wettelijke regeling is aangewezen als een gebied dat in het belang van de bescherming van het milieu extra bescherming toekomt. Ook overigens is niet gebleken dat het gebied bijzondere bescherming toekomt. Vervolgens overweegt de Afdeling dat verweerders in de considerans van het bestreden besluit uitvoerig op de door appellant ingebrachte bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit zijn ingegaan. In zijn beroepschrift noch ter zitting heeft appellant, los van het argument dat het oppervlaktewater “De Poldervaart” volgens hem extra bescherming verdient, niet aangegeven waarom de weerlegging van deze bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het is de Afdeling niet gebleken dat de weerlegging van deze bedenkingen onjuist zou zijn.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003

191-404.