Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
200300064/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300064/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Hoorn, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 april 2002, het bestemmingsplan "Jeudje" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 november 2002, 2002-20799, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 januari 2003.

Bij brief van 3 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2003, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Hoorn, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in woningbouw en de bouw van een ondergrondse parkeergarage in de binnenstad van Hoorn.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Appellant geeft aan zich niet te kunnen verenigen met de procedurele gang van zaken. Hij betoogt in het bijzonder dat het plan zonder inbreng door derden tot stand is gekomen. Voorts stelt appellant dat hij niet op de hoogte is gesteld van het besluit van verweerder.

2.3.1. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan de procedurele vereisten van de artikelen 23, 26 en 27, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet is gebleken dat het plan zonder mogelijkheden tot inbreng van derden is tot stand gekomen.

Met betrekking tot het bezwaar van appellant dat hij niet door verweerder op de hoogte is gesteld van het bestreden besluit overweegt de Afdeling het volgende. Daargelaten de juistheid van deze stelling heeft het bezwaar betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan het reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellant kan zich voorts niet verenigen met de in het plan voorziene demping van het water de Vollerswaal en de bebouwing op deze plaats. Appellant stelt dat deze bebouwing hem het vrije uitzicht ontneemt. Daarnaast stelt appellant dat ten onrechte een grotere apotheek is gebouwd dan in het plan voorzien.

2.4.1. Verweerder heeft, mede gezien een positieve beoordeling van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd.

2.4.2. Het plan voorziet in een inkorting van de Vollerswaal van ongeveer 16 meter. Deze toegestane demping brengt naar het oordeel van de Afdeling geen zodanige planologische verslechtering met zich dat verweerder het plan om die reden in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten. Het ingekorte deel van het water krijgt in het plan de bestemming "Woongebied". Op grond van de plankaart, gelezen in samenhang met artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, is de maximale bouwhoogte voor dit deel van het plangebied deels 12,5 tot 15,5 meter en deels 22 tot 27 meter. Mede gezien het feit dat de hoogste toegestane bouwhoogte slechts een klein deel van het plangebied betreft, heeft verweerder deze bebouwing stedenbouwkundig inpasbaar kunnen achten. De afstand van het perceel van appellant tot de in het plan voorziene bebouwing bedraagt 105 meter. Het feit dat door deze bebouwing het uitzicht van appellant wordt aangetast, brengt niet met zich dat verweerder zich na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De stelling van appellant betreffende de apotheek betreft de feitelijke uitvoering van het plan en kan, daargelaten de juistheid van deze stelling, niet afdoen aan vorenstaand oordeel.

2.5. Voor het overige bevat het beroepschrift van appellant stellingen die betrekking hebben op het bouwplan zoals dat met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vergund en op de procedure zoals die in het kader van de toepassing van de artikelen 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is gevolgd. Deze stellingen zijn in de procedure inzake het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning aan de orde gekomen of hadden daar aan de orde kunnen komen. De op deze stellingen gegronde bezwaren kunnen in de procedure die thans voorligt niet aan de orde komen.

2.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2003

218-448.