Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200204845/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204845/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 31 juli 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Doorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doorn [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor de oprichting van een zomerhuisje op het perceel [locatie].

Bij besluit van 24 oktober 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 oktober 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. I. van Loon, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voorzover thans van belang, bevat het bezwaarschrift tenminste de gronden van het bezwaar.

Ingevolge artikel 6:6 van de Awb, voorzover thans van belang, kan het bezwaar, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb, voorzover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2.2. Het besluit van 3 september 2001 is op de voet van artikel 3:41 van de Awb op 6 september 2001 aan [vergunninghouder] bekend gemaakt. Op grond van artikel 6:8 van de Awb is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift derhalve op 7 september 2001 aangevangen en geƫindigd op 18 oktober 2001. De brief van appellant aan het college van 7 september 2001 moet worden aangemerkt als een binnen die termijn ingediend bezwaarschrift.

2.3. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de grond van zijn bezwaar in het bezwaarschrift is vermeld. Appellant heeft in het bezwaarschrift van 7 september 2001 met zoveel woorden vermeld dat bezwaar wordt gemaakt op nader aan te voeren gronden. Gelet hierop en op de inhoud van het bezwaarschrift voor het overige, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bezwaarschrift geen gronden van bezwaar bevat.

2.4. Voorts geldt bij het ontbreken van de gronden van bezwaar ingevolge artikel 6:6 van de Awb voor het herstellen van dat verzuim geen termijn van zes weken, doch de appellant daartoe gestelde termijn.

2.5. De rechtbank is voorts op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het niet indienen van nadere gronden niet verschoonbaar is. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de termijn van de terinzagelegging van het bouwplan weliswaar reeds was verstreken toen het college op 5 april 2001 bekend maakte dat het voornemens was [vergunninghouder] bouwvergunning te verlenen, doch niet valt in te zien dat die omstandigheid het appellant onmogelijk maakte gronden van bezwaar te formuleren die voldoen aan de eisen van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Nu geen sprake is van een verschoningsgrond, is de rechtbank terecht niet toegekomen aan een oordeel over de wijze van publiceren van het voornemen om de vergunning te verlenen.

2.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Het college heeft verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten die het heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, tweede volzin, van de Awb kan een natuurlijke persoon slechts in de proceskosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Een situatie als vorenbedoeld kan zich voordoen indien op grond van reeds eerder inzake de desbetreffende aangelegenheid gedane uitspraken bij voorbaat onmiskenbaar vast staat wat de uitkomst van de aangespannen procedure zal zijn. Het instellen van beroep en hoger beroep heeft dan geen redelijke zin. Daarvan is thans geen sprake. Voor een proceskostenveroordeling bestaat derhalve geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

17-423.