Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200201569/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201569/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Tilburg, op voorstel van burgemeester en wethouders van 28 mei 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Reeshof-Noordwest".

Verweerder heeft bij besluit van 29 januari 2002, nummer 768390, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 18 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2002, en appellant sub 2 bij brief van 26 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van

29 april 2002.

Bij brief van 9 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2002, waar

appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van der Laar, zijn verschenen.

Tevens is het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, vertegenwoordigd door M. Willemse-Ter Braake, M. Eussen en L. van Grinsven, daar gehoord.

Appellanten sub 1 zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een terrein aan de noordwestzijde van Tilburg. Het plangebied wordt begrensd door het Wilhelminakanaal, de woongebieden Leeuwerik 1 en 2, de Donge en de geprojecteerde noordwesttangent/goederenspoorlijn.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten sub 1 exploiteren een agrarisch bedrijf aan de [locatie]. Zij stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover daarin hun bedrijfsgronden niet als zodanig zijn bestemd.

2.3.1. De gemeenteraad heeft gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan "Reeshof-Noordwest" het bestemmingsplan “Vossenberg West II” vastgesteld, dat voorziet in de aanleg van een grootschalig bedrijventerrein. Het bedrijf van appellanten sub 1 ligt binnen de rond dit bedrijventerrein gelegen 50 dB(A) contour. Binnen deze contour zijn in beginsel geen woningen toegestaan. Beperking van de contour is volgens de gemeenteraad niet mogelijk omdat daardoor de gebruiksmogelijkheden van de in het bestemmingsplan “Vossenberg West II” voorziene langshaven onevenredig worden beperkt. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanleg van dit bedrijventerrein van groot maatschappelijk belang is en dient te prevaleren boven het belang van appellanten sub 1. Het gebied Reeshofweide, waarvan de bedrijfsgronden van appellanten deel uitmaken, wordt ontwikkeld tot natuurgebied en recreatief uitloopgebied.

2.3.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij wijst daarbij op de noodzaak voor de aanleg van het bedrijventerrein, dat is opgenomen in de partiële herziening van het Uitwerkingsplan Stadsregio Tilburg. Verweerder is van mening dat het algemeen belang dat is verbonden aan de uitbreiding van het bedrijventerrein en meer in het bijzonder aan de aanleg van een langshaven en een containerterminal, in dit geval dient te prevaleren boven het individueel belang van appellanten sub 1. De bestemming van het plandeel voor natuurontwikkeling stemt overeen met de in het Streekplan Noord-Brabant 1992 opgenomen ecologische verbindingszone.

2.3.3. Bij uitspraak van heden heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 29 januari 2002, nummer 767637, waarbij goedkeuring is verleend aan het bestemmingsplan "Vossenberg West II", vernietigd en goedkeuring aan dat plan onthouden. De grondslag voor het opnemen van de 50 dB(A) contour in het bestemmingsplan "Reeshof-Noordwest" is daarmee komen te vervallen. De ligging van het bedrijf van appellanten sub 1 binnen deze contour heeft verweerder dan ook niet ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluit om goedkeuring te verlenen aan dit plandeel. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellanten sub 1 is gegrond, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemmingen “Agrarisch gebied -A-“ en “Natuurontwikkeling en Recreatieve doeleinden -No+Rd-“, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 1.

2.4. [Appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dat geen stedelijke invulling mogelijk maakt in het gebied Dalem Weide. Het gebied maakt volgens appellant geen deel uit van de groene hoofdstructuur zoals aangegeven in het streekplan. Appellant stelt voorts dat het bouwbedrijf dat is gevestigd aan de [locatie] ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

2.4.1. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening geoordeeld en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat stedelijke ontwikkeling in het gebied Dalem Weide in strijd is met het streekplan en met het Uitwerkingsplan Stadsregio Tilburg. Verweerder is met de gemeenteraad van mening dat de vestiging van een bouwbedrijf aan de [locatie] zich niet verdraagt met het semi-agrarische karakter van het gebied.

2.4.2. Aan het gebied Dalemweide is in het plan grotendeels de bestemming “Agrarisch gebied -A-“ toegekend. Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijvigheid. De bestemming voorziet derhalve niet in een stedelijke ontwikkeling van het gebied. In het Uitwerkingsplan Stadsregio Tilburg is de gewenste ruimtelijke hoofdstructuur voor onder meer het gebied Dalemweide gedefinieerd als “ontwikkeling samenhang landelijk gebied”. De in het plan aan het gebied Dalemweide toegekende bestemming is daarmee in overeenstemming. Het beroep van appellant geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet aan de in het Uitwerkingsplan Stadsregio Tilburg voorziene ontwikkeling heeft kunnen vasthouden. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Niet bestreden is dat het voorheen geldende plan niet voorziet in de vestiging van een bouwbedrijf aan de [locatie]. De vestiging van een bouwbedrijf op deze locatie is dan ook terecht aangemerkt als nieuwvestiging. Op grond van het provinciaal ruimtelijk beleid dient nieuwvestiging van bedrijven te worden gesitueerd op bedrijventerreinen. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die in dit geval een uitzondering op het beleid rechtvaardigen. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft de hiervoor genoemde plandelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.5. Ten aanzien van appellanten sub 1 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellant sub 2 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 29 januari 2002, nummer 768390, voor zover het betreft het plandeel met de bestemmingen “Agrarisch gebied -A-“ en “Natuurontwikkeling en Recreatieve doeleinden -No+Rd-“, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 1;

III. verklaart het beroep van appellant sub 2 ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten sub 1 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R. Cleton en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Voskamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

370.