Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200204914/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/189 met annotatie van MP

Uitspraak

200204914/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 20 augustus 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1. Procesverloop

Bij brief van 3 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) aan appellanten medegedeeld dat de overstort van het rioolgemaal nabij het perceel van appellanten wordt gehandhaafd.

Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 augustus 2002, verzonden op 22 augustus 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 november 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2003, waar appellanten in persoon, en het college, vertegenwoordigd door

M.J.J. Westerhout, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Anders dan de rechtbank zijn appellanten van oordeel dat sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Appellanten stellen zich op het standpunt dat de brief van 3 juli 2001 van het college een weigering is om tot handhaving over te gaan van het in 1999 door het college genomen besluit, inhoudende het aansluiten van de drukriolering ter plaatse, dat gebaseerd is op het Gemeentelijk Rioleringsplan 1995-1998. Het weigeren om tot handhaving van dat plan en de daarbij behorende tekening over te gaan kan worden aangemerkt als een besluit in voornoemde zin, aldus appellanten.

2.2. Het betoog van appellanten slaagt niet. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de brieven van appellanten niet kunnen worden aangemerkt als een verzoek om handhaving in bestuursrechtelijke zin, nu het college terzake van de verlening van lozingsvergunningen krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en terzake van de uitoefening van bestuurlijke handhavingsmaatregelen in het kader van de naleving van deze wet niet het bevoegde gezag is, maar het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de brief van

3 juli 2001 van het college slechts mededelingen van informatieve aard bevat over het drukrioleringssysteem en de in het geding zijnde overstort in de huidige situatie en over de ontwikkelingen met betrekking tot dit systeem in de nabije toekomst. Deze mededelingen zijn niet op rechtsgevolg gericht.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de brief van 3 juli 2001 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

2.3. Ter zitting hebben appellanten aangegeven zich niet te kunnen verenigen met de verslaglegging zoals die is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank. Dienaangaande wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het proces-verbaal niet een voldoende getrouwe zakelijke weergave bevat van hetgeen ter zitting van de rechtbank is voorgevallen. Het aangevoerde kan buitendien niet leiden tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

91-421.