Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200105132/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwaterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/160
Milieurecht Totaal 2003/2415

Uitspraak

200105132/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2000 heeft verweerder het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2001, verzonden op 13 februari 2001, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 maart 2001, bij de rechtbank te Haarlem ingekomen op dezelfde dag, beroep bij die rechtbank ingesteld.

Bij brief van 15 mei 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank te Haarlem heeft op 16 oktober 2001 het beroepschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter verdere afhandeling aan de Afdeling toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2002, waar appellant in persoon en bijgestaan door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.A.C.M. Nielen, M.T. Hoekzema en drs. J.F.M. van Brussel, ambtenaren van de provincie, en [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft verweerder verzocht om vergoeding van schade die in 1999 is opgetreden aan zijn cultuurgewassen ten gevolge van wateroverlast op het perceel [locatie] te [plaats]. Hij stelt dat de schade is veroorzaakt door het zogeheten 'vernattingsbeleid' van verweerder dat tot doel heeft de verdroging in de [locatie] tegen gaan door het verminderen van de grondwaterwinning in dat gebied. Overeenkomstig dat beleid heeft verweerder bij besluit van 7 september 1993 krachtens de Grondwaterwet aan het Waterleidingbedrijf Zuid-Kennemerland N.V. vergunning verleend voor het onttrekken van grondwater in het centrale deel van de Kennemerduinen nabij Overveen, waarbij de hoeveelheid te winnen water wordt teruggebracht van 9.414.000 m3 tot 2.000.000 m3 per jaar vanaf

1 januari 1998. Hierdoor is volgens appellant het grondwaterpeil gestegen hetgeen tot wateroverlast en schade aan zijn gewassen heeft geleid.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 januari 2000 heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat naar zijn mening niet het provinciaal beleid dan wel de genoemde vergunning de oorzaak is van de gestelde schade maar de hoeveelheden neerslag in het najaar van 1998 en het voorjaar van 1999, alsmede de slechte afwatering en ontwatering van het desbetreffende perceel.

2.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben partijen het besluit van verweerder van 7 september 1993, waarbij aan het waterleidingbedrijf Zuid-Kennemerland N.V. vergunning is verleend voor het onttrekken van grondwater, als grondslag van het verzoek om schadevergoeding aangemerkt. Daarbij zij opgemerkt dat, gelijk appellant ter zitting heeft gesteld, artikel 35 van de Grondwaterwet in dit geval toepassing mist. Aldus is het geschil beperkt tot schade die beweerdelijk het gevolg is van het besluit van 7 september 1993 tot vergunningverlening. Bij die vergunning is bepaald dat de hoeveelheid te winnen water per 1 januari 1998 is teruggebracht van 9.414.000 m3 tot 2.000.000 m3 per jaar.

2.4. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 1995, no. G06.93.1673, waarbij is beslist op de beroepen tegen het besluit van 7 september 1993, volgt dat de vergunning en de beperking van de hoeveelheid te onttrekken grondwater met ten minste 7.414.000 m3 per jaar in 1998 voor rechtmatig moet worden gehouden. Verder overweegt de Afdeling dat de vergunning slechts betrekking heeft op het recht om grondwater te onttrekken. Op basis van die vergunning mag het grondwater beneden een bepaald niveau worden gebracht. De vergunninghouder is echter niet verplicht daadwerkelijk de vergunde hoeveelheid grondwater te onttrekken. Evenmin brengt een éénmaal verleende vergunning voor het onttrekken van een bepaalde hoeveelheid grondwater met zich mee dat verweerder jegens derden gehouden zou zijn ook voor de toekomst het onttrekken van een zelfde hoeveelheid te vergunnen. In zoverre kunnen derden aan een besluit tot vergunningverlening ten opzichte van de vergunningverlener geen rechten of aanspraken ontlenen, dat daadwerkelijk van de vergunning gebruik wordt gemaakt of dat voor de toekomst onttrekking van een zelfde hoeveelheid wordt vergund om daarmee dit gebruik te continueren. Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat alleen schade ten gevolge van het krachtens de vergunning onttrekken van grondwater voor vergoeding in aanmerking kan komen. De gestelde schade wordt evenwel niet veroorzaakt door het onttrekken van grondwater, maar, naar appellant stelt, door de omstandigheid dat minder grondwater kan worden onttrokken dan voorheen, waardoor het grondwaterpeil op zijn percelen zou zijn gestegen. Dit betekent dat een rechtsplicht tot vergoeding van die schade niet kan worden gebaseerd op het besluit van 7 september 1993.

2.5. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding, zij het op andere gronden, terecht afgewezen en die afwijzing in bezwaar terecht gehandhaafd.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

190.