Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9224

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200206205/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206205/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 5 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Landbouw, natuurbeheer en visserij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2001 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, natuurbeheer en visserij (hierna: de Staatssecretaris) het verzoek van appellant om een vergunning als bedoeld in artikel 53 van de Jachtwet voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 afgewezen.

Bij besluit van 1 november 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 januari 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2003, waar appellant in persoon, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door

mr. J.M. Hagoort, werkzaam ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het - per 1 april 2002 vervallen - artikel 53, eerste lid, van de Jachtwet, voorzover thans van belang, kan de Minister vergunning verlenen om, met afwijking van de voorschriften bij of krachtens deze wet gegeven, te jagen op wildsoorten.

Met ingang van 1 april 2002 is - ter vervanging van onder meer de Jachtwet - de Wet van 25 mei 1998 houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten (hierna te noemen: de Flora- en faunawet), Stb. 1998, 402, in werking getreden.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet, voorzover thans van belang, kunnen gedeputeerde staten, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid van deze wet.

2.2. De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende. Hangende de procedure in beroep is artikel 53 van de Jachtwet vervallen en is hiervoor in de plaats gekomen het artikel 68 van de Flora- en faunawet.

Nu de Staatssecretaris niet langer de bevoegde instantie ter zake is, de periode waarvoor de vergunning werd gevraagd, is verstreken, niet is gesteld of gebleken dat door de weigering voor het kalenderjaar 2001 vergunning te verlenen schade is geleden waarop het vervallen artikel 53 van de Jachtwet betrekking had en ook overigens geen belang is gesteld of gebleken, valt niet in te zien welk rechtens te honoreren belang appellant nog heeft bij een beoordeling van de zaak ten gronde. De rechtbank heeft dit miskend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellant bij de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 5 november 2002, AWB 01/1033 BESLU;

II. verklaart het beroep van appellant bij de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

91-421.