Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200203475/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/209

Uitspraak

200203475/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 15 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellant aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, het gebruik van het pand [locatie] als pension binnen vier maanden te beëindigen, dan wel de bij hun brief van 17 mei 1999 geëiste brandveiligheidsvoorzieningen te treffen.

Bij besluit van 2 oktober 2000 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2002, verzonden op 22 mei 2002, heeft de rechtbank te Den Haag (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 augustus 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Krijgsman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag (hierna: de Bouwverordening) is het verboden zonder een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin aan meer dan vier personen bedrijfsmatig woon- en/of nachtverblijf zal worden verschaft.

2.2. De Afdeling stelt vast dat appellant ten tijde van de beslissing op bezwaar een gebruiksvergunning heeft aangevraagd voor een pension dat blijkens de inrichtingstekening geschikt is voor het verblijf van vier tot zes personen. Vast staat dat appellant het pension gebruikt zonder deze gebruiksvergunning. Het college is derhalve bevoegd terzake handhavend op te treden.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. In dit verband is van belang of de overtredingen kunnen worden gelegaliseerd.

2.4. Op grond van artikel 6.1.4, derde lid, aanhef en onder c, van de Bouwverordening houden burgemeester en wethouders de beslissing op de aanvraag voor een gebruiksvergunning aan, indien voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit als bedoeld in artikel 14 van de Woningwet. Ingevolge artikel 6.1.4, vijfde lid, van de Bouwverordening eindigt de aanhouding de dag nadat burgemeester en wethouders schriftelijk hebben medegedeeld, dat de aanschrijving op voldoende wijze is uitgevoerd.

Volgens de brief van het college aan appellant van 17 mei 1999 voldoet het pand voor wat betreft de brandveiligheid niet aan de eisen van het Bouwbesluit en wordt een aanschrijving als bedoeld in artikel 14 van de Woningwet in het vooruitzicht gesteld indien de gevraagde brandveiligheidsvoorzieningen niet binnen drie maanden worden getroffen. Nu appellant ten tijde van de beslissing op bezwaar niet bereid bleek de opgedragen voorzieningen te treffen, kan de overtreding van de Bouwverordening niet worden gelegaliseerd. In dit verband wordt nog overwogen dat de brandveiligheidsvoorschriften uit het Bouwbesluit, anders dan appellant meent, ook gelden voor parterres.

2.5. Ook in hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hier geen sprake is van een bijzonder geval waarin het niet in redelijkheid kon besluiten tot handhaving.

Dat het pension, naar appellant stelt, reeds 35 jaar bestaat en bekend is bij de plaatselijke V.V.V. noopt niet tot een ander oordeel. De regelgeving waarop de aanschrijving is gebaseerd, is van meer recente datum, terwijl het college eerst op 23 oktober 1996 heeft geconstateerd dat het pand niet voldeed aan de brandveiligheidseisen. De rechtbank heeft in het enkel tijdsverloop tussen die constatering en de aanschrijving van 21 september 1999, mede in aanmerking genomen het verscherpte aanschrijvingenbeleid van het college naar aanleiding van de brand in pension Vogel, terecht geen aanleiding gezien het beroep van appellant gegrond te verklaren. Evenmin kan staande worden gehouden dat het college op grond van de financiële belangen van appellant had behoren af te zien van handhaving.

2.6. Het hogere beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

27-429.