Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200202436/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de uitleg van het begrip "economische verkeerswaarde", ex art. 9 Besluit Integratie-uitkering dient te worden uitgegaan van de betekenis ervan in het normale spraakgebruik.

Eenmalige korting op de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor de gemeente Hilversum. In hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de uitleg die door de Staatssecretaris wordt gegeven aan het begrip "economische verkeerswaarde", als bedoeld in art. 9 Besluit Integratie-uitkering, juist is. Deze uitleg houdt in, dat bij de taxatie wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer, waarbij wordt gekeken naar de gebruiksmogelijkheden van het terrein gezien zijn natuurlijke ligging en situering, ongeacht de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan.

Het begrip "economische verkeerswaarde" is in de Invoeringswet noch in het Besluit integratie-uitkering gedefinieerd. Voor de uitleg van dit begrip dient derhalve - mede gezien aanwijzing 54 en 121.1 van de Aanwijzingen voor de regelgeving - in beginsel te worden uitgegaan van de betekenis ervan in het normale spraakgebruik, tenzij de parlementaire geschiedenis van de Invoeringswet of de Wet van 4 juli 1996 dan wel de toelichting bij het Besluit integratie-uitkeringen ondubbelzinnige aanknopingspunten voor een andere uitleg bieden. Daarvan is in casu geen sprake. Door de Staatssecretaris dient opnieuw op het door de gemeente gemaakte bezwaar te worden beslist. In dat kader zal - uitgaande van de definitie die in het normale spraakgebruik aan het begrip "economische verkeerswaarde" wordt gegeven - een hernieuwde taxatie van het sportterrein moeten plaatsvinden. Bij deze taxatie zullen de maatstaven en criteria moeten worden gehanteerd, die golden op het moment dat de overige taxaties hebben plaatsgevonden, derhalve in 1993. Gegrond hoger beroep.

De Staatssecretaris van Financiën.

mrs. J.H.B. van der Meer, J.E.M. Polak, B.J. van Ettekoven

Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen III.F

Wet op het voortgezet onderwijs 76u, 76u.1, 76u.3, 76u.4

Invoeringswet Financiële-Verhoudingswet 10.1, 10.2

Besluit van 28 mei 1997, houdende regels over de verdeling van middelen uit het gemeentefonds in verband met de decentralisatie van de huisvesting basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede voortgezet onderwijs (Besluit Integratie-uitkering) 9, 10

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202436/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de gemeente Hilversum, te dezen vertegenwoordigd door het college van burgemeester en wethouders,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 25 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 1997 heeft de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) een eenmalige korting toegepast van ƒ 951.600,00/€ 431.817,25 op de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor de gemeente Hilversum.

Bij besluit van 21 augustus 2000 heeft de Staatssecretaris, onder verwijzing naar zijn brief van 19 juni 2000, het daartegen door de gemeente gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de gemeente ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeente bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2002, waar de gemeente, vertegenwoordigd door mr. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.Th.W. Ravenstein en M.H.G. Straathof, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel III, aanhef en onder F, van de Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van - onder meer - de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen, Stb. 1996, 402, (hierna: de Wet van 4 juli 1996) wordt in de Wet op het voortzet onderwijs (hierna: de WVO) onder meer artikel 76u ingevoegd.

2.1.2. Ingevolge artikel 76u, eerste lid, van de WVO kunnen burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat eigenaar is van het gebouw en terrein in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

Ingevolge artikel 76u, derde lid, van de WVO doet het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, hiervan onverwijld mededeling aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 76u, vierde lid, van de WVO - voorzover thans van belang - wordt, zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, de akte ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.

2.1.3. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet (hierna: de Invoeringswet) wordt bij de vaststelling van de algemene uitkeringen uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 1997 op deze uitkeringen een bedrag van ƒ 35 miljoen in mindering gebracht.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Invoeringswet wordt de verdeling over de gemeenten van het in het eerste lid genoemde bedrag bij algemene maatregel van bestuur bepaald. De verdeling wordt gebaseerd op de overdracht of de toekomstige overdracht op grond van artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs, van bij een school behorende sportterreinen.

2.1.3.1. De in artikel 10, tweede lid, eerste volzin, van de Invoeringswet bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit van 28 mei 1997, houdende regels over de verdeling van middelen uit het gemeentefonds in verband met de decentralisatie van de huisvesting basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede voortgezet onderwijs (Stb. 1997, 227), hierna: het Besluit Integratie-uitkering.

Ingevolge artikel 9 van het Besluit Integratie-uitkering wordt op de algemene uitkering voor het jaar 1997 van een gemeente die een sportterrein krijgt overgedragen als bedoeld in artikel 10 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet een bedrag in mindering gebracht van 36,6% van de economische verkeerswaarde van het sportterrein zoals door een onafhankelijke deskundige vastgesteld.

2.2. Als gevolg van de invoeging van artikel 76u in de Wet op het voorgezet onderwijs verkrijgt niet langer het Rijk maar de gemeente de eigendom bij het einde van het gebruik van - voorzover hier van belang - de sportterreinen door een andere dan een gemeentelijke school en dient in dat verband het economisch claimrecht tussen het Rijk en de gemeente te worden verrekend.

2.3. De rechtbank heeft het beroep aldus opgevat, dat appellant zich op het standpunt stelt dat artikel 10 van het Besluit integratie-uitkering wegens strijd met artikel 10 van de Invoeringswet onverbindend is en buiten toepassing moet worden gelaten. Zoals door appellant in hoger beroep terecht wordt aangegeven, is de rechtbank er daarmee echter aan voorbijgegaan, dat in beroep de vraag aan de orde was of de Staatssecretaris door bij de besluitvorming uit te gaan van de door hem voorgestane uitleg van het begrip "economische verkeerswaarde" op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het Besluit Integratie-uitkering. Aangezien de door de rechtbank aan zijn oordeel ten grondslag gelegde overwegingen ook ter beantwoording van deze vraag kunnen strekken, zal de Afdeling de aangevallen uitspraak aldus verstaan.

2.3.1. Gelet hierop en gezien het hoger beroepschrift, is het geschil in hoger beroep beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de uitleg die door de Staatssecretaris wordt gegeven aan het begrip "economische verkeerswaarde", als bedoeld in artikel 9 van het Besluit Integratie-uitkering, juist is. Deze uitleg houdt in, dat bij de taxatie wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer, waarbij wordt gekeken naar de gebruiksmogelijkheden van het terrein gezien zijn natuurlijke ligging en situering, ongeacht de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan.

2.4. Het begrip "economische verkeerswaarde" is in de Invoeringswet noch in het Besluit integratie-uitkering gedefinieerd. Voor de uitleg van dit begrip dient derhalve - mede gezien aanwijzing 54 en 121.1 van de Aanwijzingen voor de regelgeving - in beginsel te worden uitgegaan van de betekenis ervan in het normale spraakgebruik, tenzij de parlementaire geschiedenis van de Invoeringswet of de Wet van 4 juli 1996 dan wel de toelichting bij het Besluit integratie-uitkeringen ondubbelzinnige aanknopingspunten voor een andere uitleg bieden. Daarvan is in dit geval geen sprake. Weliswaar kunnen in het bijzonder in de parlementaire geschiedenis van de Wet van 4 juli 1996 enige aanknopingspunten worden gevonden die de door de Staatssecretaris gehanteerde uitleg zouden kunnen ondersteunen, maar deze zijn onvoldoende om het hanteren van deze aanzienlijk van het normale spraakgebruik afwijkende uitleg te kunnen rechtvaardigen. Het besluit van 21 augustus 2000 kan dan ook niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en is derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen. De rechtbank heeft dit miskend.

2.4.1. Dat in - onder meer - de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel 23 190 (Tweede Kamer, 1992-1993, nr. 5) inhoudende Regels inzake beëindiging mogelijkheid vergoeding sportterreinen en houdende regeling vergoeding aan het Rijk van waarde sportterreinen waarvoor reeds vergoeding voor stichtingskosten is verleend (Tijdelijke wet vergoeding waarde sportterreinen voortgezet onderwijs) deze uitleg wel uitdrukkelijk als uitgangspunt is genomen, is zonder of in ieder geval van onvoldoende betekenis, nu dit wetsvoorstel in verband met de voorbereiding van de Wet van 4 juli 1996 is ingetrokken. Dit geldt te meer, nu de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel 23 190 en het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 4 juli 1996, voorzover daarbij aan het begrip "economische verkeerswaarde" aandacht is geschonken, niet eenduidig is.

2.5. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet in het vorenoverwogene tevens aanleiding om - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het inleidende beroep alsnog gegrond te verklaren en het besluit van 21 augustus 2000 te vernietigen.

2.5.1. Door de Staatssecretaris dient opnieuw op het door de gemeente gemaakte bezwaar te worden beslist. In dat kader zal - uitgaande van de definitie die in het normale spraakgebruik aan het begrip "economische verkeerswaarde" wordt gegeven - een hernieuwde taxatie van het sportterrein moeten plaatsvinden. Bij deze taxatie zullen de maatstaven en criteria moeten worden gehanteerd, die golden op het moment dat de overige taxaties hebben plaatsgevonden, derhalve in 1993.

2.6. De Staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 25 maart 2002, AWB 00/4575 BELEI;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 augustus 2000, FIPULI 2000-00495 M;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën) te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 545,27) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Van Loon

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

284.