Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200203701/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203701/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 29 mei 2002 in het geding tussen:

de stichting “Stichting Katholiek Onderwijs Midden Zeeuws-Vlaanderen”, gevestigd te Biervliet

en

de raad van de gemeente Terneuzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2000 heeft de raad van de gemeente Terneuzen (hierna: de raad) het overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) met betrekking tot de huisvestingsvoorzieningen die niet in het programma onderwijshuisvesting 2001 als bedoeld in artikel 95 van de WPO zijn opgenomen, vastgesteld.

Bij besluit van 13 september 2001 heeft de raad, overeenkomstig het advies van 28 juni 2001 van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, het daartegen door de Stichting Katholiek Onderwijs Midden Zeeuws-Vlaanderen (hierna: de Stichting) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door de Stichting ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 oktober 2002 heeft de Stichting van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door R.C.P. Groothaert, hoofd cluster onderwijs en jeugd van de sector Maatschappelijke Zaken van de gemeente Terneuzen, en E.J. van der Hooft, medewerker algemene en juridische zaken van de sector Middelen van de gemeente Terneuzen, en de Stichting, vertegenwoordigd door [medewerker] van de Vereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs, en [lid] van de Rooms-Katholieke Scholencommissie Terneuzen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit heeft de raad de aanvraag van de Stichting om gelden beschikbaar te stellen voor het herstellen van het voegwerk aan de buitengevels van de onder de Stichting ressorterende scholen De Geule, Op de Hoog, De Zeemeeuw te Terneuzen en De Komme te Biervliet, afgewezen en die aanvraag geplaatst op het overzicht van voorzieningen, als bedoeld in artikel 96 van de WPO, die niet voor vergoeding in aanmerking komen. De raad heeft daartoe overwogen dat de door de Stichting gevraagde voorziening géén voorziening is in de onderwijshuisvesting zoals omschreven in de WPO en de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Terneuzen (hierna: de Verordening).

2.2. Voorzover de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen in het hierna volgende niet worden aangehaald, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

2.2.1. Ingevolge artikel 96 van de WPO - voorzover hier van belang - stelt de raad gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 95, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een overzicht vast van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen.

Ingevolge artikel 92, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WPO worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen voorzieningen, bestaande uit vervanging binnenkozijnen en binnendeuren inclusief hang- en sluitwerk, algehele vervanging radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming, alsmede onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw met uitzondering van het buitenschilderwerk.

Ingevolge artikel 92, eerste lid, aanhef en onder c, van de WPO worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad de reparatie van het voegwerk ten onrechte niet heeft aangemerkt als onderhoud aan de buitenzijde van een gebouw, dat voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, nu de slechte staat van het voegwerk een gevolg is van een constructiefout bij de bouw, te weten het gebruik van voegspecie waaraan hoogovencement is toegevoegd.

2.3.1. Het hoger beroep richt zich terecht tegen dit oordeel. De Stichting heeft niet alleen de voorziening niet in verband met een constructiefout, als bedoeld in artikel 92, eerste lid, aanhef en onder c, van de WPO, aangevraagd, maar bovendien heeft de raad uit de aanvraag en hetgeen de Stichting dienaangaande in bezwaar heeft betoogd, niet hoeven afleiden dat die voorziening als zodanig moest worden opgevat. Gelet hierop lag ter beoordeling van de rechtbank voor of de door de Stichting op basis van

artikel 92, eerste lid, aanhef en onder b, van de WPO gevraagde voorziening in het kader van onderhoud aan de buitenzijde van de schoolgebouwen bij de in bezwaar gehandhaafde beslissing terecht is geweigerd. Door die beslissing te beoordelen aan de hand van artikel 92, eerste lid, aanhef en onder c, van de WPO, heeft de rechtbank een verkeerde maatstaf aangelegd.

2.3.2. Gelet op de artikelen 92, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, en 114, aanhef en onder a, van de WPO moet, wat het onderhoud betreft, worden onderscheiden tussen, enerzijds, onderhoud dat voor vergoeding door de gemeente in aanmerking kan worden gebracht en, anderzijds, onderhoud dat door het bevoegd gezag moet worden bestreden uit de vergoeding voor materiële instandhouding. Uit deze artikelen volgt, mede gezien de memorie van toelichting op en - bijlage 1 bij - de nota naar aanleiding van het verslag van het voorstel dat heeft geleid tot de Wet van 4 juli 1996,

Stb. 1996, 402, (TK, vergaderjaar 1995-1996, 24 455, nummer 3, pagina’s 9 t/m 11 en pagina’s 24 en 25, en nummer 7, pagina 13 en pagina 56), dat onderhoud aan de buitenzijde van een gebouw voor rekening van de gemeente komt, behoudens voorzover het preventief onderhoud bestaande uit klein herstel, controle en klachten onderhoud, alsmede schilderwerk betreft.

2.3.3. Op grond van het programma van eisen 1990 vielen de werkzaamheden aan het buitenvoegwerk onder het preventief onderhoud met een cyclus van 20 jaar en werden de kosten hiervan per cyclus vergoed. Ingevolge het Erratum behorende bij het programma van eisen is die vergoeding overgeheveld in die zin, dat herstellen en controle voegwerk gevels jaarlijks voor 1/20 deel in de vergoeding voor preventief onderhoud is opgenomen.

Met ingang van het programma van eisen basisonderwijs voor het jaar 1997 (hoofdstuk 2, bijlage A, onder 1, sub a, onderbouwing van het groepsafhankelijke programma van eisen onderhoud), voorzover hier van belang, worden onder gebouwonderhoud de bouwkundige werkzaamheden die min of meer frequent voorkomen, verstaan. In de inleiding van het programma van eisen is vermeld dat het gebouwonderhoud mede het voormalige preventief onderhoud omvat.

Op basis van het op artikel 113, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 114, aanhef en onder a, van de WPO, gebaseerde programma van eisen onderhoud, ontvangt het bevoegd gezag een vergoeding voor materiële instandhouding als hiervoor bedoeld, waarin de vergoeding van herstel van voegwerk als thans in geding is begrepen. De gevraagde voorziening dient derhalve daaruit te worden betaald.

2.3.4. Nu in dit geval geen sprake is van een voorziening in de zin van artikel 92, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WPO en derhalve evenmin van een voorziening in de zin van artikel 2 van de Verordening, heeft de raad de gevraagde voorziening - gelet op artikel 102, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 100, eerste lid, aanhef en onder a, van de WPO - terecht op het overzicht, als bedoeld in artikel 96 van die wet, geplaatst.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 29 mei 2002, Awb 01/637;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Ramsahai

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

282-401.