Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9212

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200202363/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202363/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 15 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2000 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) het verzoek van appellant om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) bepaalde stukken inzake de Westerschelde Oever Verbinding (hierna: WOV) te verstrekken, gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 19 juni 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voorzover het betreft de stukken betreffende de technische specificatie voor de bouw van de tunnel op tracé 3, de technische orderspecificatie voor de tunnelaanleg en verkeersveiligheidsvoorzieningen. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Op het verzoek van de Afdeling om toezending van de niet-openbare stukken in het kader van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft het college bij brief van 21 augustus 2002 aangekondigd dat deze stukken separaat zouden worden toegezonden. Aansluitend zijn de stukken bij de Afdeling binnengekomen.

Bij brief van 19 juni 2002 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C. Smals-Van Dijk, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.C. Brouwer, advocaat van de provincie, en J.C. van Houte, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Bij brief van 19 februari 2003 heeft het college, op verzoek van de Afdeling, nadere – geschoonde - stukken inzake de WOV in kopie overgelegd. Na doorzending door de Afdeling van deze stukken aan appellant, heeft appellant hierop bij brief van 28 februari 2003 een reactie gegeven. Deze reactie is in kopie aan het college gezonden.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft de Afdeling het college verzocht te reageren op de brief van appellant van 28 februari 2003, ontbrekende - geschoonde - stukken in kopie aan de Afdeling en aan appellant te doen toekomen, en voorts met toepassing van artikel 8:29 van de Awb de desbetreffende originele - niet geschoonde - stukken aan de Afdeling over te leggen.

Bij brief van 24 maart 2003 heeft het college zijn reactie gegeven, de gevraagde geschoonde stukken alsnog aan de Afdeling doen toekomen en aangekondigd dat de originele stukken separaat zouden worden toegezonden. Aansluitend, op 27 maart 2003, zijn deze stukken bij de Afdeling binnengekomen.

Na doorzending door de Afdeling van de door het college toegezonden geschoonde stukken aan appellant, heeft appellant hierop bij brief van 8 april 2003 gereageerd.

Aangezien partijen tijdens de zitting, voornoemd, toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb op 9 april 2003 het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is komen vast te staan dat het college aan het (oorspronkelijke) verzoek van appellant om openbaarmaking van een groot aantal stukken die betrekking hebben op de aanleg van de WOV, in de loop van de procedure grotendeels heeft voldaan. Appellant wenst in hoger beroep thans nog inzage in de totaalbedragen van de bij het college berustende initiële offertes van 11 december 1992 ten behoeve van de aanleg van de WOV van de bedrijven Kombinatie Middelplaat Westerschelde (hierna: KMW), versie A en versie B, en Konsortium Westerschelde Oever Verbinding (hierna: KWOV).

2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geconcludeerd dat informatie over de totaalprijs van de verschillende aanbiedingen reeds is openbaar gemaakt als onderdeel van de besluitvorming van Provinciale Staten van Zeeland van 17 december 1993. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de documenten dienaangaande zich in het procesdossier bevinden, zij moet aannemen dat ten aanzien daarvan kennisname aan appellant niet is onthouden. Aangezien, aldus de rechtbank, appellant heeft kunnen kennisnemen van de stukken waarin hij is geïnteresseerd, is de grond van het verzoek van appellant hiermee naar haar oordeel komen te vervallen. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het beroep van appellant niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3. De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat de totaalbedragen van de initiële offertes van KMW (versie A en B) en KWOV niet als zodanig zijn opgenomen in de besluitvorming van Provinciale Staten van Zeeland van 17 december 1993. Daarnaast is gebleken dat de door appellant gevraagde gegevens evenmin zijn opgenomen in enig ander openbaar stuk. De Afdeling heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen en het vooronderzoek te hervatten. Desgevraagd heeft het college ter zitting aangegeven dat de desbetreffende initiële offertes, voorzover het betreft de totaalprijzen, alsnog aan appellant zullen worden verstrekt. Appellant heeft ter zitting aangegeven zijn hoger beroep in te trekken indien met de door het college over te leggen stukken wordt voldaan aan zijn verzoek.

Het college heeft bij brief van 19 februari 2003 kopieën van de initiële offertes van KMW (versie A en B) overgelegd en bij brief van 24 maart 2003 kopieën van de initiële offerte van KWOV, met dien verstande dat alleen de totaalbedragen van die offertes zichtbaar zijn en de overige bedragen van de posten zijn weggelakt. De Afdeling heeft deze stukken vervolgens aan appellant doorgezonden. Appellant heeft zich bij brieven van 28 februari 2003 en 8 april 2003 op het standpunt gesteld - kort samengevat - dat met die stukken niet aan zijn verzoek is tegemoet gekomen, zodat hierin geen aanleiding is gelegen zijn hoger beroep in te trekken.

2.4. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de namens het college op 24 maart 2003 ingezonden originele initiële offertes en deze te hebben vergeleken met de aan appellant gezonden geschoonde stukken, stelt de Afdeling vast dat de aan appellant toegezonden geschoonde stukken, kopieën van de initiële offertes van KMW (versie A en B) en KWOV van 11 december 1992 betreffen en dat deze kopieën de desbetreffende totaalbedragen bevatten. Nu appellant ter zitting in beroep en hoger beroep expliciet heeft aangegeven dat het hem louter om de totaalbedragen van de initiële offertes van KMW (versie A en B) en KWOV van 11 december 1992 is te doen, vermag de Afdeling niet in te zien dat met de openbaarmaking hiervan niet aan het verzoek van appellant is voldaan.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat appellant inzage heeft gekregen in de stukken waarop zijn verzoek was gericht. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen en heeft het beroep van appellant derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard. Appellant bestrijdt de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep dan ook zonder succes.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

204-391.