Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200204701/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Algemene bijstandswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2003/120 met annotatie van Wiggers

Uitspraak

200204701/2.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Woonschepen Bosscherveld Maastricht", gevestigd te Maastricht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2002, kenmerk SOG 2002-24045, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de "Maastrichtse Motor Club" (verder: vergunninghoudster) een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein, gelegen op het perceel Sandersweg, ongenummerd, te Maastricht, kadastraal bekend gemeente Oud-Vroenhoven, sectie A, nummer 2581. Dit besluit is op 18 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen bij gelijke datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 2 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen. Verweerder is met bericht van afwezigheid niet verschenen. Voorts is vergunninghoudster daar gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op een motorcrossterrein dat is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, waarop zich meerdere grote lawaaibronnen bevinden. Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein. Dit besluit is bij uitspraak van 3 november 2000, no. E03.98.0380, door de Afdeling vernietigd. Bij besluit van 4 mei 2001 heeft verweerder opnieuw een oprichtingsvergunning verleend. Deze oprichtingsvergunning is door de Afdeling op 13 februari 2002 vernietigd met de opdracht aan verweerder binnen 12 weken na verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Bij besluit van 20 juni 2002 heeft verweerder een nieuwe oprichtingsvergunning verleend. Dit besluit staat thans ter beoordeling. Van het bestreden besluit maakt deel uit het akoestisch rapport van Amoc, kenmerk 2205 van 11 juni 2002, dat in opdracht van vergunninghoudster is opgesteld. Tevens is de aanvraag gewijzigd in zoverre dat de lengte van de motorcrossbaan is ingeperkt.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante vreest geluidhinder ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Zij voert hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. De geluidbelasting vanwege de inrichting ter plaatse van de woonschepen gelegen aan de Willemsvaart en de woningen in de wijk Boschpoort vermindert niet door het verkleinen van de lengte van de motorcrossbaan. Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte geen voorschriften inzake de maximaal toelaatbare cilinderinhoud en het toe te passen uitlaatsysteem van de in de inrichting gebruikte motoren aan de vergunning heeft verbonden. Zij voert verder aan dat voor een aantal met name genoemde referentiepunten ten onrechte geen straffactor voor tonaal geluid geldt. In dit verband stelt zij dat op minimaal negen referentiepunten, zoals deze zijn aangeven in het bij de vergunning behorend akoestisch rapport van Amoc, niet aan de equivalente geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Tot slot stelt zij dat de gecumuleerde geluidbelasting van het totale industrieterrein de zonegrenswaarde van 50 dB(A) overschrijdt.

2.3.1. Verweerder bevestigt de stelling van appellante dat ter hoogte van de woonschepen gelegen aan de Willemsvaart en de woonwijk Boschpoort de ligging van de motorcrossbaan niet is gewijzigd en de geluidbelasting vanwege de inrichting op dit punt niet is verminderd, omdat op de daar vastgestelde referentiepunten reeds aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Volgens verweerder is voorts het verbinden van voorschriften aan de vergunning terzake van het motorvermogen en de gemonteerde uitlaten niet noodzakelijk, aangezien in het akoestisch rapport, dat deel uitmaakt van de vergunning, het bronvermogen van de motoren op een representatieve wijze is vastgesteld en dit vermogen als uitgangspunt dient voor de in de vergunning vastgelegde geluidgrenswaarden. Verder bestrijdt verweerder dat bij het bepalen van de geluidbelasting vanwege de inrichting voor woningen gelegen op of buiten de zonegrens rekening moet worden gehouden met de straffactor van 5 dB(A) voor tonaal geluid. Tot slot stelt verweerder dat in het bestreden besluit de zonegrenswaarde wordt gerespecteerd.

2.3.2. Vooreerst stelt de Afdeling vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de geluidbelasting door het verkleinen van de lengte van de motorcrossbaan ter hoogte van de woonschepen gelegen aan de Willemsvaart en de woningen in de wijk Boschpoort niet vermindert, zodat dit beroepsonderdeel ongegrond is.

2.3.3. Wat betreft het ontbreken van voorschriften inzake de maximaal toelaatbare cilinderinhoud en het toe te passen uitlaatsysteem van de in de inrichting gebruikte motoren, overweegt de Afdeling het volgende. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de akoestische kwaliteit van de gebruikte motoren in samenhang met de gebruiksduur en het tijdstip waarop de motoren worden gebruikt bepalend is voor de veroorzaakte geluidbelasting van de motoren. Het op deze wijze vastleggen van het maximaal toelaatbaar (gemiddeld) geluidvermogenniveau biedt, blijkens het deskundigenbericht, een goed uitgangspunt voor het bepalen van de grenswaarden. Gesteld noch gebleken is dat in het akoestisch rapport het gemiddeld geluidvermogenniveau op een onjuiste wijze is berekend of vastgesteld. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voorschriften terzake van de cilinderinhoud en het uitlaatsysteem achterwege kunnen laten. Dit beroepsonderdeel faalt derhalve.

2.3.4. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat niet voor alle referentiepunten een straffactor voor tonaal geluid geldt, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 2C geschiedt de controle op of de berekening van de in de voorschriften 2A en 2B vastgestelde geluidniveaus overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01” van maart 1981 (hierna: de Handleiding). Ook de beoordeling van de meetresultaten moet blijkens dit voorschrift overeenkomstig deze Handleiding plaatsvinden. In paragraaf 2.3.1 van de Handleiding wordt aanbevolen, indien het geluid nabij de ontvanger een tonaal karakter bezit, de equivalente geluidgrenswaarde vanwege de inrichting met 5 dB(A) te verhogen waarna toetsing aan de grenswaarden kan plaatsvinden.

Uit het bestreden besluit blijkt niet althans onvoldoende duidelijk waarom niet voor alle referentiepunten een straffactor voor tonaal geluid geldt. Wat betreft de stelling van verweerder dat de zonegrenswaarde van 50 dB(A) wordt gerespecteerd, overweegt de Afdeling dat een onderbouwing van dit standpunt ontbreekt.

Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot de slotsom dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dat eist dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.4. Het beroep is gegrond. Nu evengenoemde aspecten bepalend zijn voor de vraag of verweerder de vergunning had mogen verlenen, komt het hele besluit voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht van 20 juni 2002, kenmerk: SOG 2002-24045;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maastricht in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 63,01; het totale bedrag dient door de gemeente Maastricht te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Maastricht aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

179-414.