Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9207

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200204569/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/4308

Uitspraak

200204569/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2002, kenmerk Wm 66, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een metaalharderij-en slijperij aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Enschede. Dit besluit is op 10 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op gelijke datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 september 2002.

Bij brief van 23 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door[gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.P.M. Kleinheerenbrink en ing. M.A. Reekers, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar namens vergunninghoudster gehoord [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op een inrichting bestaande uit een metaalharderij en een metaalslijperij. De inrichting wordt uitgebreid met een tweede metaalslijperij, een kantine en een ruimte voor de opslag van oliën en koelvloeistoffen. De inrichting is gelegen in een woonwijk.

2.2. Eerst ter zitting hebben appellanten betoogd dat de gegevens in de aanvraag niet overeenkomen met de werkelijk situatie en dat het voorschrift terzake van het maximaal geluidniveau niet naleefbaar is. Het aanvoeren van deze gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellanten deze niet eerder in de procedure naar voren hadden kunnen brengen. Voornoemde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de grond inzake de stijging van de grondwaterstand en de daarmee vermeende samenhang met een versnelde verspreiding van mogelijke verontreiniging in de bodem, niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4. Appellanten betogen dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit ten onrechte stelt dat het Besluit veiligheidssignalering op de arbeidsplaats is opgevolgd door de norm NEN 3011.

Voorzover het beroep is gericht tegen onderdelen van de considerans van het besluit merkt de Afdeling op dat de overwegingen van een besluit, ofschoon die dienen ter motivering van het dictum van dat besluit en van belang kunnen zijn voor de door de Afdeling te verrichten rechtmatigheidstoets, op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven roepen en om die reden niet voor vernietiging in aanmerking kunnen komen. Het beroep is in zoverre dan ook ongegrond.

2.5. Appellanten stellen verder dat verweerder ten onrechte hun bedenkingen van 28 november 2001 niet bij het bestreden besluit heeft betrokken.

De Afdeling stelt vast dat het ontwerp van het besluit twee maal ter inzage is gelegd. Appellanten hebben respectievelijk op 28 november 2001 en 8 april 2002 tegen dit ontwerpbesluit bedenkingen ingediend. De Afdeling stelt vast dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit zowel de bedenkingen van appellanten van 8 april 2002 als de bedenkingen van 28 november 2001 gemotiveerd heeft weerlegd. Dit beroepsonderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.6. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte de aanvraag om een vergunning in behandeling heeft genomen. In dit verband voeren zij aan dat in dit geval sprake is van een inrichting waarvoor, gelet op artikel I, aanhef en onder d, van het Besluit van 4 november 1983 houdende aanwijzing van soorten van inrichtingen als bedoeld in de artikelen 1, tweede lid, en 31, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: het Besluit van 4 november 1983), een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist is. Nu geen aanvraag voor een vergunning op grond van deze wet is ingediend, moet de aanvraag buiten behandeling worden gelaten, aldus appellanten.

2.6.1. Ingevolge artikel 8.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, moeten, voorzover hier van belang, de aanvraag om een vergunning of wijziging van een vergunning tegelijk worden ingediend met de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvraag om een vergunning of wijziging van de vergunning krachtens deze wet is ingediend, de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk, afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

In artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, is, voorzover hier van belang, bepaald dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Deze uitzondering geldt niet voor lozingen waarbij door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen in oppervlaktewateren worden gebracht en voor lozingen vanuit door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soorten van inrichtingen. Hieraan is uitvoering gegeven in het Besluit van 4 november 1983.

Ingevolge artikel I, aanhef en onder d, van het Besluit van 4 november 1983, zijn inrichtingen die oppervlakken van materialen behandelen aangewezen krachtens dit besluit.

Ingevolge artikel IA, van het Besluit van 4 november 1983, is artikel I niet van toepassing op inrichtingen waaruit alleen afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd.

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat in de onderhavige inrichting oppervlakken van materialen worden behandeld. Uit de aanvraag, welke blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat vanuit de inrichting uitsluitend huishoudelijk afval wordt geloosd. De Afdeling overweegt dat, gelet op artikel IA van het Besluit van 4 november 1983, voor de inrichting terzake geen vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist is. Dit beroepsonderdeel faalt in zoverre.

2.6.3. Appellanten betogen dat de aanvraag ten onrechte in behandeling is genomen, omdat een deel van de aanvraag in een vreemde taal is gesteld.

2.7. Ingevolge artikel 4:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan - voor zover hier van belang - besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is.

2.7.1. Blijkens de overgelegde stukken zijn drie van de zes van de aanvraag deel uitmakende veiligheidsinformatiebladen gesteld in de Duitse taal. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een vertaling van de drie veiligheidsinformatiebladen niet noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag en bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Hij acht in dit verband van belang dat de drie stoffen koelolie, smeerolie en koelvloeistof niet als gevaarlijk worden beschouwd en niet als gevaarlijke stof in het kader van de Wet milieugevaarlijke stoffen zijn aangewezen. Hij stelt dat de belangen van derden bij het niet vertalen van de veiligheidsbladen niet onevenredig zijn geschaad.

Gelet op de overgelegde stukken is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat een vertaling van de drie veiligheidsinformatiebladen voor de beoordeling van de aanvraag en bij de voorbereiding van de beschikking niet noodzakelijk is. Verder is de Afdeling niet gebleken dat derden door het niet vertalen van deze bescheiden in hun belangen zijn geschaad. Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling dan ook op goede gronden de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Dit bezwaar faalt in zoverre.

2.8. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.9. Appellanten vrezen geluidoverlast ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting.

2.9.1. Verweerder is van mening dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om de geluidhinder van de inrichting te beperken.

2.9.2. Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder vanwege de inrichting heeft verweerder onder meer de voorschriften 8.1.1 en 8.1.2 aan de vergunning verbonden, waarin de grenswaarden voor het langtijdgemiddeldbeoordelingsniveau respectievelijk het piekgeluidniveau zijn neergelegd. De in deze voorschriften gestelde grenswaarden heeft verweerder ontleend aan het akoestisch rapport van 18 mei 2001, kenmerk: 00-145-01, van akoestisch buro [naam], dat aangevuld is met een brief van 15 juni 2001. Het langtijdgemiddeldbeoordelingsniveau vanwege de inrichting varieert ter plaatse van de in het akoestisch rapport genoemde 13 referentiepunten van 31 dB(A) tot maximaal 49 dB(A) voor de dagperiode. Voor de avondperiode variëren de grenswaarden van 22 dB(A) tot maximaal 42 dB(A). Het maximaal geluidniveau (Lmax) varieert op de 13 referentiepunten ingevolge voorschrift 8.1.2 van 26 dB(A) tot 47 dB(A). Hierbij zijn de grenswaarden die optreden ten gevolge van mobiele bronnen ten behoeve van vervoersbewegingen en laden en lossen, variërend van 55 dB(A) tot en met 80 dB(A) buiten beschouwing gelaten. Voor de avondperiode variëren de grenswaarden van 40 dB(A) tot maximaal 66 dB(A). Verweerder heeft geen grenswaarden opgenomen voor de nachtperiode. De waarden ter plaatse van woningen gelden op de gevels van woningen van derden.

2.9.3. Blijkens de considerans van het bestreden besluit heeft verweerder bij de beoordeling van de geluidbelasting van de inrichting aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Omdat in de gemeente Enschede nog geen gemeentelijk beleid als bedoeld in de Handreiking is vastgesteld, heeft verweerder overeenkomstig het bepaalde in de Handreiking de in hoofdstuk 4 van de Handreiking aanbevolen beoordelingswijze tot uitgangspunt genomen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder de aard van de omgeving heeft gekwalificeerd als “rustige woonwijk, weinig verkeer”. Niet gebleken is dat deze kwalificatie onjuist is.

De voor een dergelijke omgeving in de Handreiking aanbevolen richtwaarden bedragen 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Volgens de Handreiking kan voor bestaande inrichtingen op grond van een bestuurlijk afwegingsproces een overschrijding van de richtwaarden tot maximaal 55 dB(A) toelaatbaar worden geacht.

Piekgeluiden worden volgens de Handreiking bij voorkeur bepaald op 10 dB(A) boven de getalswaarde voor de equivalente geluidgrenswaarde, doch maximaal op 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode.

2.9.4. Appellanten stellen dat de in voorschrift 8.1.1 voorgeschreven geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Zij betogen dat ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden strekkende tot het gesloten houden van deuren en ramen bij het in werking zijn van de inrichting.

Niet in geding is dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder vanwege de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Deze grenswaarden komen blijkens de overgelegde stukken overeen met de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting. De Afdeling stelt vast dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden zijn ontleend aan het akoestisch rapport van akoestisch buro [naam]. Ter bepaling van de geluidbelasting voor de representatieve situatie zijn in het akoestisch rapport de geluidproducerende activiteiten en geluidbronnen op het terrein van de inrichting en op het openbare terrein gelegen rondom de inrichting geïnventariseerd. In dit onderzoek zijn enkele ramen bij de harderij en de deur aan de zijkant van de inrichting ter plaatse van de harderij en de slijperij niet gemodelleerd. Op grond van de overgelegde stukken stelt de Afdeling vast dat de geluidbelasting vanwege het geopend zijn van de ramen bij de harderij verwaarloosbaar is omdat het geluid wordt overstemd door de muurventilator. Mede op grond van het deskundigenbericht, concludeert de Afdeling evenwel dat de geluidbelasting vanwege de inrichting ten gevolge van het geopend zijn van de deuren tijdens het laden en lossen aan de zijkant van de inrichting ter plaatse van de harderij en slijperij hoger kan zijn dan vorengenoemde geluidgrenswaarden. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat aan de zijkant van de inrichting niet wordt geladen en gelost en in zoverre niet voor geluidhinder behoeft te worden gevreesd. Een voorschrift strekkende tot het verbieden van laden en lossen aan de zijkant van de inrichting is echter niet aan de vergunning verbonden. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit op dit punt niet met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat eist dat het bestreden besluit zorgvuldig moet worden genomen. Dit beroep slaagt in zoverre.

2.9.5. Appellanten betogen dat in het bestreden besluit ten onrechte geen geluidnormen voor de nachtperiode zijn opgenomen. In dit verband stellen zij dat ten onrechte voorschriften ontbreken dat tussen 19.00 en 07.00 uur laden en lossen, het verplaatsen van materialen en het transport op open terrein, niet is toegestaan.

De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit bepaalt dat de aanvraag in zijn geheel deel uitmaakt van de vergunning. Nu onder punt 2 van de aanvraag is aangegeven dat de inrichting op maandag tot en met vrijdag van 07.00 uur tot 17.00 uur, op zaterdag van 07.00 uur tot 14.00 uur en in geval van overwerk, op maandag tot en met donderdag tot 20.00 uur in werking is, betekent dit dat de inrichting niet na 17.00 uur in werking mag zijn, behoudens de in de aanvraag omschreven overwerksituaties. Verweerder heeft zich onder deze omstandigheden, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is voor de nachtperiode nadere voorschriften te stellen. Dit bezwaar van appellanten treft derhalve geen doel.

2.9.6. Appellanten zijn voorts van mening dat ten onrechte het schoonblazen van producten met compressoren niet in het akoestisch rapport als geluidbron is meegenomen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geluidbelasting van de compressoren, die zich in een afgesloten ruimte binnen de inrichting bevinden, verwaarloosbaar is.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat de geluidbelasting vanwege de compressoren buiten de inrichting niet waarneembaar is. Niet is gebleken dat deze vaststelling onjuist is. Gelet op het deskundigenbericht bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de compressoren in de apart afgesloten ruimte bij het onderzoek hadden moeten worden betrokken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de aannames in het akoestisch rapport op dit onderdeel juist zijn. Dit beroepsonderdeel faalt in zoverre.

2.10. Appellanten stellen dat zij stofoverlast ondervinden omdat ten gevolge van de activiteiten in de inrichting stof vrijkomt dat zich in de omgeving van de inrichting verspreidt. Zij stellen zich in dit verband op het standpunt dat ten onrechte voorschriften ontbreken die bedoelde hinder wegnemen.

2.10.1. In voorschrift 9.1.1 is bepaald dat uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen, luchtbehandelingsinstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in deze vergunning geen andere voorschriften zijn gesteld, zodanig gesitueerd moeten zijn dat een afdoende verspreiding van de dampen is gewaarborgd, zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt.

2.10.2. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat bij het overpakken van koolstof in beperkte mate stof vrij komt. Het overpakken vindt plaats onder een in werking zijnde afzuiginstallatie, die is aangesloten op een centraal afzuigsysteem. De afgezogen lucht wordt naar een met een deur afsluitbare inpandige vaste wandkast afgevoerd waarin een mechanische afzuiginstallatie is bevestigd. Deze afzuiginstallatie is niet voorzien van een filter. Op grond van het algemene voorschrift 9.1.1 moet de afvoer van de afzuiginstallatie zodanig zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen is gewaarborgd zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat hij ten onrechte, in aanvulling op dit algemene voorschrift, in het bestreden besluit niet het gebruik van een stoffilter in de mechanische afzuiginstallatie heeft voorgeschreven. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.11. Appellanten stellen geuroverlast te ondervinden van de dampen van de harderij.

2.11.1. Verweerder is van mening dat de dampen van de afkoelbaden geen hinderlijke geur verspreiden. Hij wijst erop dat bij het inbrengen van de af te koelen producten in de baden dampen vrijkomen die zich verspreiden in de werkruimte en via de mechanische afzuiginstallatie worden afgevoerd. Voorts is in voorschrift 9.1.1 een algemene bepaling opgenomen die beoogt een afdoende verspreiding van dampen te waarborgen zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt.

2.11.2. De Afdeling is gezien de door verweerder gegeven motivering van oordeel, mede gelet op het deskundigenbericht, dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van het vrijkomen van dampen in de afkoelbaden geen sprake is van zodanige geurhinder dat aanvullende voorschriften aan de vergunning zouden moeten worden verbonden.

2.12. Appellanten voeren aan te vrezen voor gevaar en brand vanwege de opslag en het gebruik van brandbare en ontplofbare stoffen in de inrichting en de aanwezigheid van ovens. In dit kader stellen zij dat de opslag van gevaarlijke stoffen binnen de inrichting te veel op één plek is geconcentreerd. Daarnaast stellen appellanten zich op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft beoordeeld in hoeverre de inrichting in de woonwijk gehandhaafd kan blijven. Daarbij wijzen zij op de ligging van de inrichting midden in de woonwijk. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met het Ontwerpbesluit vaststelling milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen van 22 februari 2002 (verder: het Ontwerpbesluit), aldus appellanten.

2.12.1. Verweerder heeft overwogen dat aan de vergunning terzake van de opslag en het gebruik van gasflessen en de opslag en het gebruik van hardingszouten zodanig beperkende voorschriften zijn verbonden dat gevaar voor de omgeving niet te verwachten is. Bovendien is in de inrichting alleen de gevaarlijke stof Durferrit AS 140 aanwezig.

2.12.2. De Afdeling stelt vast dat vergunning is aangevraagd voor de opslag van 50 kilogram Durferrit AS 140, 200 liter Isorapid 277 HM, 50 liter acetyleen, 50 liter zuurstof, 18 kilogram propaan, 30 liter Cor Stargon K15, 50 liter stikstof en de opslag van een LPG-wisselreservoir van 39 liter.

De voorschriften 10.2.1 tot en met 10.2.5 en de voorschriften 13.1.1 tot en met 13.1.4 bevatten eisen met betrekking tot het gebruik van gasflessen respectievelijk de opslag van oliën in emballages. In de voorschriften 16.3.1, 16.3.2 en 16.3.7 zijn eisen vastgelegd met betrekking tot het gebruik en de opslag van LPG-wisseltanks en in de voorschriften 17.1.1, 17.1.3 en 17.3.1 zijn bepalingen opgenomen inzake de opslag en het gebruik van hardingszouten. Ingevolge voorschrift 17.1.3 dient de opslag en het gebruik van hardingszout te geschieden overeenkomstig de bij de vergunning behorende veiligheidsinformatiebladen van de hardingszouten.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder de vergunning wegens de opslag en het gebruik van brandbare en ontplofbare stoffen had moeten weigeren dan wel aanvullende voorschriften terzake had moeten stellen. De Afdeling is verder niet gebleken dat er aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat verweerder onvoldoende de risico’s van de aanwezigheid van de inrichting in de woonwijk heeft beoordeeld. Verweerder is voorts naar het oordeel van de Afdeling bij de beoordeling van de externe veiligheid van de inrichting terecht niet vooruitgelopen op het Ontwerpbesluit, aangezien dit besluit eerst in een ontwerpfase verkeert en uit dien hoofde geen rechtsgevolgen in het leven roept. Dit beroepsonderdeel slaagt in zoverre niet.

2.13. Appellanten keren zich op hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit voorzover daarin niet of naar hun mening niet juist de onderwerpen afval en energie zijn geregeld.

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer worden onder de gevolgen voor het milieu mede verstaan de gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen alsmede de gevolgen die verband houden met het verbruik van energie en grondstoffen. Onder de bescherming van het milieu wordt ingevolge dit artikellid mede verstaan de zorg voor een doelmatig beheer van afvalstoffen alsmede de zorg voor een zuinig gebruik van energie en grondstoffen.

2.13.1. Appellanten betogen in dit kader dat verweerder ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden op het gebied van afvalpreventie, één en ander conform het werkboek Milieumaatregelen metaal- en elektrotechnische industrie (hierna: het Werkboek). Tevens stellen zij zich op het standpunt dat het in de inrichting gebruikte straalgrit hergebruikt moet worden.

Uit de considerans van de vergunning blijkt dat verweerder bij de beoordeling van het aspect afvalpreventie, aansluiting heeft gezocht bij de gemeentelijke nota “Aanpak verruimde reikwijdte bij amvb- en vergunningplichtige bedrijven” van december 1999 en het Werkboek. Om vast te stellen of binnen de inrichting een zodanige hoeveelheid afval vrijkomt dat het voorschrijven van voorschriften op het gebied van afvalpreventie zinvol is, heeft verweerder een zogenoemde ‘checklist Afvalpreventie’ gehanteerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de omvang van het afval dat bij de inrichting vrijkomt, gering is. Gelet hierop acht hij het voorschrijven van een afvalpreventieonderzoek en een afvalpreventieplan niet zinvol en heeft hij terzake geen voorschriften aan de vergunning verbonden.

In hetgeen appellanten stellen, ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich, gelet op de in het Werkboek voorgeschreven maatregelen op het gebied van afvalpreventie, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen van voorschriften terzake niet nodig is. Dit bezwaar is derhalve tevergeefs aangedragen.

2.13.2. Appellanten voeren aan dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte heeft beperkt tot het voorschrijven van een energiebesparingsonderzoek. In dit verband betogen zij dat ten onrechte geen middelvoorschriften aan de vergunning zijn verbonden.

In voorschrift 18.1.1 is bepaald dat binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning een beperkt energiebesparingsonderzoek moet zijn uitgevoerd met betrekking tot de gehele inrichting. De resultaten van dit onderzoek worden vastgelegd in een rapport dat tenminste de volgende gegevens bevat:

- beschrijving activiteiten, processen en producten;

- beschrijving van de energiehuishouding;

- een inschatting van het energiebesparingspotentieel toegespitst op de installaties en (deel)processen die volgens de energiehuishouding de grootste bijdrage in het totale verbruik hebben;

- een overzicht van de energiebesparende maatregelen die reeds zijn of worden getroffen;

- terugverdientijd van de maatregelen;

- technische en organisatorische haalbaarheid van de maatregelen;

- de gekwantificeerde milieuwinst van die maatregelen.

In voorschrift 18.1.2 is bepaald, voorzover hier van belang, dat op basis van het rapport een plan van aanpak wordt opgesteld. Ingevolge voorschrift 18.1.3 dienen binnen vier maanden na het van kracht worden van de vergunning de rapportage van het energiebesparingsonderzoek en het plan van aanpak aan het bevoegd gezag ter goedkeuring te worden overgelegd. Ingevolge voorschrift 18.1.4 dient de vergunninghouder de maatregelen uit het goedgekeurde plan van aanpak binnen de daarin gestelde termijn uit te voeren.

Uit de stukken blijkt dat verweerder bij het stellen van voorschriften terzake van energie de Circulaire “Energie in de milieuvergunning” van oktober 1999 (verder: de Circulaire) en de gemeentelijke nota “Aanpak verruimde reikwijdte bij amvb- en vergunningplichtige bedrijven” van december 1999 tot uitgangspunt heeft genomen. Om vast te stellen wanneer het energiegebruik van een inrichting relevant is, hanteert de Circulaire een ondergrens. Als het energiegebruik minder is dan 25.000 m3 aardgas of 50.000 kWh elektriciteit per jaar, adviseert de Circulaire om geen voorschriften terzake van energie in de vergunning op te nemen. Binnen de inrichting ligt het energieverbruik hoger dan deze ondergrens. Met behulp van een checklist energiebesparing heeft verweerder geïnventariseerd wat de kosten van het energieverbruik binnen de inrichting zijn en welke indicatoren binnen de inrichting aanwezig zijn voor energiebesparing. Op basis van deze gegevens heeft verweerder in de voorschriften 18.1.1 en verder een beperkt energiebesparingsonderzoek voorgeschreven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid een dergelijk onderzoek kunnen voorschrijven.

Nu in de voorschriften een onderzoeksplicht is opgenomen, waarvan de uitkomst aan de goedkeuring van verweerder is onderworpen en die moet leiden tot een plan van aanpak, bestaat voor deze inrichting naar het oordeel van de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding reeds nu, bij het verlenen van de vergunning, middelvoorschriften op te nemen, zoals door appellanten gewenst. De Afdeling overweegt hiertoe dat niet op voorhand concreet duidelijk is dat aanzienlijke besparingsmogelijkheden, die zijn te verwezenlijken binnen de grondslag van de aanvraag, aanwezig zijn. Krachtens de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer kan verweerder, zonodig op verzoek, indien daartoe aanleiding bestaat op grond van meergenoemd energieonderzoek of nieuwe ontwikkelingen, aan de vergunning verbonden voorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog (middel)voorschriften aan de vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ook in hetgeen appellanten voor het overige inzake afval en energie hebben betoogd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen van aanvullende voorschriften terzake niet nodig is. Dit bezwaar treft dan ook geen doel.

2.14. Appellanten stellen voorts dat verweerder ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning heeft verbonden terzake van een olie- en slibafscheider.

Blijkens de stukken wordt het bij het productieproces vrijkomende olie- en slibmengsel via een erkende inzamelaar afgevoerd. Verweerder heeft terzake geen voorschrift aan de vergunning verbonden. In dit niet nader toegelichte bezwaar van appellanten vindt de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen van voorschriften terzake niet nodig is. Dit bezwaar treft evenmin doel.

2.15. Appellanten stellen dat, gelet op onder meer de tekst in het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, de kring van toegelaten keuringsinstanties terzake van gasflessen te beperkt is. Daarnaast voeren zij aan dat, gelet op diverse algemene maatregelen van bestuur, in de inrichting een exemplaar aanwezig moet zijn van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

De Afdeling merkt op dat noch het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer noch andere algemene maatregelen van bestuur ten aanzien van onderhavige inrichting van toepassing zijn. Reeds om deze reden kunnen deze bezwaren van appellanten in zoverre niet slagen.

2.16. Appellanten achten de met het oog op de brandveiligheid genomen maatregelen onvoldoende. Zij menen dat de in de inrichting aanwezige brandblussers moeten voldoen aan de eisen van de Stichting milieukeur.

Onder het hoofdstuk brandveiligheid zijn aan de vergunning de voorschriften 6.1.1 tot en met 6.1.5 verbonden. In dit niet nader toegelichte bezwaar van appellanten vindt de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aanvullende voorschriften met betrekking tot dit aspect niet nodig zijn. Ook dit bezwaar treft in zoverre geen doel.

2.17. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder in de begrippenlijst van de vergunning de begrippen afgewerkte olie, afvalstoffen, afvalwater en bevoegd gezag hebben gedefinieerd. Nu de Wet milieubeheer en andere wetten reeds een definitie van deze begrippen bevat, achten appellanten de begrippenlijst in zoverre overbodig.

2.17.1. De Afdeling stelt vast dat het door appellanten genoemde begrip afgewerkte olie niet in de Wet milieubeheer is gedefinieerd. Nu appellanten dit onderdeel van het bezwaar in het beroepschrift niet hebben onderbouwd noch ter zitting nader hebben toegelicht, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid in de bij de bestreden vergunning behorende begrippenlijst het begrip afgewerkte olie had mogen opnemen. Dit beroepsonderdeel faalt in zoverre.

Voorts stelt de Afdeling vast dat de door appellanten genoemde begrippen afvalstoffen, afvalwater en bevoegd gezag in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn gedefinieerd en dat deze definities ook gelden voor vergunningen. Onder deze omstandigheden bestaat er geen ruimte om in de onderhavige vergunning ook definities van deze begrippen op te nemen. Het bestreden besluit is daarom voorzover het betreft de begrippen afvalstoffen, afvalwater en bevoegd gezag in de begrippenlijst van de vergunning in strijd met het systeem van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond treft derhalve doel.

2.18. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Gelet op het vorenstaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voorzover het betrekking heeft op de begrippen afvalstoffen, afvalwater en bevoegd gezag in de begrippenlijst van de vergunning, voorzover in het bestreden besluit een voorschrift ontbreekt strekkende tot een verbod op het laden en lossen aan de zijkant van de inrichting en voorzover een voorschrift ontbreekt ter voorkoming dan wel voldoende beperking van het buiten de inpandige vaste wandkast geraken van stof.

2.19. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk ,voorzover het de stijging van de grondwaterstand en de verwijzing naar de norm NEN 3011 betreft;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede van 8 juli 2002, kenmerk Wm 66, voorzover het de begrippen afvalstoffen, afvalwater en bevoegd gezag in de begrippenlijst van de vergunning betreft, voorzover in het bestreden besluit een voorschrift ontbreekt strekkende tot een verbod op het laden en lossen aan de zijkant van de inrichting en voorzover een voorschrift ontbreekt ter voorkoming dan wel voldoende beperking van het buiten de inpandige vaste wandkast geraken van stof;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Enschede op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het ontbreken van een voorschrift strekkende tot een verbod op het laden en lossen aan de zijkant van de inrichting en ter voorkoming dan wel beperking van het buiten de inpandige vaste wandkast geraken van stof en dit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enschede in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Enschede te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de gemeente Enschede aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

179-414.