Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200206433/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206433/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 28 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het bestuur van het Jachtfonds te Dordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2001 heeft het bestuur van het Jachtfonds (hierna ook: het Jachtfonds) het verzoek van appellant om een tegemoetkoming in de door hazen in 2000 aangerichte schade aan knolvenkel op het bij hem in gebruik zijnde perceel aan de [locatie] te [plaats], gemeente Venray, afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2002 heeft het Jachtfonds het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2003 heeft het Jachtfonds van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.J. Likkel, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, en het Jachtfonds, vertegenwoordigd door mr. K.J. Oost, gemachtigde, vergezeld van [gemachtigde], secretaris-penningmeester, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4 van de krachtens artikel 28, tweede lid, van de Jachtwet door de Minister van Landbouw en Visserij vastgestelde Beschikking van 10 oktober 1978, no. J 3268, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken (Stcrt. 1978, 200), verleent het bestuur van het Jachtfonds slechts een tegemoetkoming aan de grondgebruiker in door wild aangerichte schade aan de landbouw, indien en voor zover deze naar zijn oordeel niet had kunnen worden voorkomen door maatregelen of inspanningen, waartoe de jachthouder of grondgebruiker op grond van de wet of het gebruik verplicht is.

2.2. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het bestuur van het Jachtfonds zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de schade aan de knolvenkel van appellant voorzienbaar was. Hetgeen appellant in dit verband in hoger beroep naar voren heeft gebracht, te weten dat de hazenpopulatie in het jaar 2000 explosief is toegenomen, en hij er gelet op de intensieve bejaging in 1999 en 2000 vanuit mocht gaan dat de hazenstand op een aanvaardbaar niveau was, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Niet bestreden is dat in de omgeving van het perceel van appellant een hazenkolonie voorkomt en dat knolvenkel een voor hazen aantrekkelijk gewas is. Bovendien blijkt uit de stukken dat appellant in voorgaande jaren reeds met hazenschade te maken heeft gehad.

2.3. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat gegeven de voorzienbaarheid van de schade het bestuur van het Jachtfonds in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant tijdig maatregelen had moeten nemen om schade aan zijn gewas te voorkomen, hetgeen hij niet of onvoldoende heeft gedaan.

Appellant betoogt tevergeefs dat hij tijdig al het mogelijke heeft gedaan om de schade waarvan hij vergoeding wenst te voorkomen. Appellant heeft weliswaar schadevoorkomende maatregelen getroffen, maar deze maatregelen, zoals onder meer het aanbrengen van schriklint, schrikdraad en gaas en het bespuiten van het veld met stankmiddel, zijn alle na het constateren van de schade getroffen. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat, samengevat weergegeven, het bestuur van het Jachtfonds zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deugdelijke preventieve maatregelen, zoals het tijdig aanbrengen van een klassiek of elektrisch hazenwerend raster rond zijn perceel, door appellant niet zijn getroffen, terwijl dit gelet op het kapitaalintensieve karakter van de knolvenkelteelt wel van hem mocht worden verwacht. De door appellant in hoger beroep benadrukte omstandigheid dat hij op eigen initiatief een kostbare afrastering rond zijn perceel heeft geplaatst, maakt dit niet anders, nu ook dit na het constateren van de schade is gebeurd.

Indien een dermate kapitaalintensief gewas als knolvenkel in een voor wildschade gevoelig gebied wordt geteeld zonder dat voldoende preventieve maatregelen worden aangewend, behoort mogelijke wildschade tot het normale risico van een ondernemer indien hij desondanks besluit op deze wijze zijn gewas te telen.

2.4. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003

204-426.