Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9205

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
200100090/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/183
M en R 2003, 120K
Milieurecht Totaal 2003/2024

Uitspraak

200100090/2.

Datum uitspraak: 28 mei 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2000, kenmerk 413365, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het ontvangen, bewerken, opslaan, verpakken, groeperen en distribueren van verse groenten en fruit, alsmede het bereiden, verpakken en leveren van complete maaltijden, soepen en sauzen ten behoeve van bedrijfsmatige gebruikers, op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 23 november 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 en 2 bij brieven van 2 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 30 januari 2001.

Bij brief van 23 maart 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 mei 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 18 juli 2002.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2002, waar appellanten sub 1 in de persoon van [gemachtigde], appellanten sub 2 in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door M.M.W. Schrier, ambtenaar van de bij gemeenschappelijke regeling ingestelde dienst DCMR, bijgestaan door L. van Riet, R. Balkema en A.M. van Wijk, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Volgens appellanten sub 1 had verweerder de toename van de luchtverontreiniging en het optreden van geurhinder ten gevolge van wegverkeer van en naar de inrichting moeten beoordelen. Zij vrezen luchtverontreiniging vanwege de verwerking van groenten en fruit.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten sub 1 hebben de gronden inzake luchtverontreiniging en geurhinder ten gevolge van wegverkeer van en naar de inrichting en luchtverontreiniging vanwege de verwerking van groenten en fruit niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellanten sub 1 en 2 voeren aan dat de aanvraag gebrekkig is, en dat verweerder deze om die reden niet in behandeling had mogen nemen. Appellanten sub 2 wijzen erop dat in bijlage 1 van de aanvraag vlees als grondstof is genoemd, maar bij de beantwoording van vraag 9 op het aanvraagformulier niet, zodat de aanvraag in zoverre gebrekkig is.

2.2.1. De Afdeling stelt vast dat in de aanvraag onder vraag 9 een grond- en hulpstoffenlijst is opgenomen. In deze lijst is vlees niet opgenomen. De aanvraag is nader uitgewerkt in bijlage 1 van de aanvraag. In bijlage 1, onder vraag 3, is onder meer vermeld dat complete maaltijden, soepen en sauzen, inclusief vlees, worden bereid, verpakt en uitgeleverd. Hieruit blijkt dat de aanvraag onder meer betrekking heeft op maaltijden, soepen en sauzen die vlees bevatten. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Ook overigens is geen grond aanwezig voor een dergelijk oordeel.

De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.3. Appellanten sub 1 en 2 voeren aan dat verweerder hun bedenkingen onvoldoende heeft behandeld. Appellanten sub 1 stellen dat de inrichting zich, anders dan verweerder overweegt in de considerans bij het bestreden besluit, niet bevindt op 40 meter afstand van hun woning, maar op 25 meter afstand. Volgens appellanten sub 2 zijn de overwegingen van verweerder in de considerans van het bestreden besluit redactioneel negatief gekleurd ten aanzien van de belangen van de omwonenden.

De Afdeling stelt vast dat verweerder op alle bedenkingen is ingegaan, zodat artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht niet is geschonden. De overwegingen van verweerder - wat daarvan verder ook zij - dienen ter motivering van het bestreden besluit en kunnen van belang zijn voor de door de Afdeling te verrichten rechtmatigheidstoets van het bestreden besluit, maar komen als zodanig niet voor vernietiging in aanmerking.

De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellanten sub 2 verwijzen in het kader van hun beroep naar een bedenking, inhoudende dat de voorschriften moeten worden uitgebreid met de eerder door hen ingediende zienswijzen op het ontwerp van het “Geluidsbeheerplan Bedrijventerrein Veren Ambacht; (Gemeentelijke geluidsnota Industrielawaai van de gemeente Ridderkerk)” (hierna: het GBP).

De Afdeling stelt vast dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenking. Appellanten sub 2 hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenking in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenking onjuist zou zijn. Het beroep van appellanten sub 2 is in zoverre ongegrond.

2.6. Appellanten sub 1 en 2 voeren aan dat de inrichting niet op de aangevraagde locatie mag worden gevestigd, omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan. Appellanten sub 2 voegen daaraan toe dat vestiging ter plaatse in strijd is met het stand still-beginsel dat volgens hen is neergelegd in het bestemmingsplan, alsmede met het streekplan Zuid-Holland Zuid. Daarnaast stellen appellanten sub 2 dat een deugdelijke milieubeoordeling in het kader van de vrijstellingsprocedure in de weg staat aan vestiging. Appellanten sub 1 en 2 stellen dat de plaats van de condensoren niet kan worden gecontroleerd, omdat de condensoren niet zijn aangeduid in de aanvraag om een bouwvergunning. Appellanten sub 2 voeren daarnaast aan dat de condensoren hierdoor ten onrechte niet zijn beoordeeld in het kader van de welstandstoetsing. Volgens hen is de landschappelijke inpassing van de gebouwen niet goed beoordeeld, en had groenblijvende beplanting moeten worden voorgeschreven. Zij voeren aan dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.1.1 onvoldoende is om lichthinder tegen te gaan en dat verlichting met uitstraling die, direct of indirect, gericht is naar omwonenden, verboden moet worden in verband met een goede landschappelijke inpassing en ter voorkoming van overlast.

2.6.1. De beroepsgronden inzake het bestemmingsplan en het streekplan hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen. De beroepsgronden inzake de vrijstellingsprocedure, de aanvraag om een bouwvergunning en de welstandstoetsing hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning. Zij treffen derhalve geen doel.

2.6.2. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.1.1 is bepaald:

”De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden, wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen.”

Visuele hinder en landschappelijke inpassing komen primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets.

De Afdeling stelt vast dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.1.1 het optreden van directe lichthinder reeds uitsluit. De stukken en het verhandelde ter zitting bieden geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat de vergunning vanwege overige lichthinder, visuele hinder of uit het oogpunt van landschappelijke inpassing te weigeren, dan wel op dit punt nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden.

De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.7. Appellanten sub 1 en 2 vrezen geurhinder vanwege voedselbereiding en open opslag van GFT-afval in containers. Volgens appellanten sub 2 had moeten worden onderzocht welke geurbelasting kan worden verwacht ten gevolge van de activiteiten in de inrichting, en had een geurnorm aan de vergunning moeten worden verbonden. Zij betwijfelen of de afzuiginstallatie voldoet ter voorkoming van geurhinder. Onderzocht had moeten worden welke verdere maatregelen kunnen worden getroffen om de geurhinder terug te dringen, aldus appellanten sub 2. Gelet op het feit dat soepen en maaltijden worden bereid, hadden volgens appellanten sub 2 voorschriften ter voorkoming van geurhinder vanwege vlees niet mogen ontbreken. Zij betogen dat in het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.1 het afsluiten van GFT-containers moet worden voorgeschreven, en dat in voorschrift 3.2.3 een concrete termijn moet worden opgenomen uit oogpunt van rechtszekerheid.

2.7.1. Verweerder gaat er blijkens zijn overwegingen in de considerans van het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting van uit dat binnen de inrichting vlees niet als grondstof in maaltijden wordt gebruikt en dat de traiteurkeuken van bescheiden omvang is. Hij baseert dit op mondelinge informatie die vergunninghoudster hem desgevraagd heeft verstrekt. Afzuiging van de kookdampen via de schoorsteen die op twee meter hoogte boven het dak uitmondt, acht hij voldoende omdat de traiteurkeuken van geringe omvang is in verhouding tot de overige bedrijfsactiviteiten. Volgens verweerder is het gebruikelijk om de afzuiging van kookdampen voor te schrijven. Het voorschrijven van een concrete termijn waarbinnen het afval moet worden afgevoerd acht hij niet nodig, omdat het afval inpandig wordt verzameld in een (dichte) perscontainer.

2.7.2. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.1.1. is bepaald:

”De in de traiteur (warm) vrijkomende wasem, bakdampen en rook, worden, zonder zich buiten de traiteur (warm) te kunnen verspreiden, afgezogen. De afvoerleiding voor de dampen is gasdicht uitgevoerd. De afgezogen dampen worden ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van het bedrijfsgebouw afgevoerd. De dampen die worden afgezogen bij het bakken in olie of vet, worden alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, geleid door een verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.”

2.7.3. De Afdeling heeft hiervoor al overwogen dat uit bijlage 1 van de aanvraag moet worden afgeleid dat de aanvraag onder meer betrekking heeft op maaltijden, soepen en sauzen die vlees bevatten. Verweerder heeft in het dictum van het bestreden besluit bepaald dat de aanvraag deel uitmaakt van het bestreden besluit. In het dictum en de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften heeft verweerder niet uitgesloten dat vlees wordt bereid. Het bereiden van vleeshoudende maaltijden, soepen en sauzen is derhalve vergund. De overweging van verweerder in de considerans van het bestreden besluit dat binnen de inrichting vlees niet als grondstof zal worden gebruikt, doet daaraan niet af, aangezien deze geen neerslag heeft gevonden in het bestreden besluit of de daaraan verbonden voorschriften. De Afdeling stelt voorts vast dat het bestreden besluit geen grenzen stelt aan de aard en de omvang van het gebruik van de keuken. Daarnaast is in het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.1.1 bepaald dat afzuiging van dampen moet plaatsvinden op ten minste één meter boven de hoogste daklijn, in plaats van de door verweerder als uitgangspunt genomen twee meter. Dit is niet in overeenstemming met de kennelijke bedoeling van verweerder om vleesbereiding uit te sluiten, de voedselbereiding kleinschalig te houden en een schoorsteen op een hoogte van 2 meter te verlangen. Het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat eist dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid wordt genomen. Tevens heeft verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht geen onderzoek verricht naar de van de voedselbereiding te duchten geurhinder.

De beroepen treffen in zoverre doel.

2.7.4. In het aan de vergunningverbonden voorschrift 3.1.1 is bepaald:

”De binnen de inrichting aanwezige vaste afvalstoffen worden in afsluitbare containers opgeslagen, zodanig dat gescheiden afgifte mogelijk blijft. De containers zijn inpandig opgesteld.”

In het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.2.3 is bepaald:

”Alle binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.”

Gelet op het samenstel van deze bepalingen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geurhinder vanwege de opslag van GFT-afval in containers niet behoeft te worden gevreesd en dat aanvulling van de voorschriften derhalve niet nodig is.

De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.8. Appellanten sub 2 verwijzen in het kader van hun beroep naar een bedenking die zij tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht, luidende dat het GBP en het “Akoestisch inrichtingsplan bedrijventerrein Veren Ambacht te Ridderkerk” (hierna: het akoestisch inrichtingsplan) nog in de ontwerpfase verkeerden ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp. Zij vinden om die reden dat verweerder ten onrechte het GBP en het akoestisch inrichtingsplan bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het GBP en het akoestisch inrichtingsplan reeds waren vastgesteld. Dat dit nog niet het geval was toen het ontwerp van het besluit ter inzage lag, doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.9. Volgens appellanten sub 1 is de beoordeling van de geluidhinder onvoldoende zorgvuldig. Appellanten sub 2 achten de onderbouwing onvoldoende van de grenswaarden voor de gecumuleerde geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein, zijnde 52 en 54 dB(A), die zijn opgenomen in het GBP en het akoestisch inrichtingsplan en die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Zij wijzen er op dat in het geluidbeleid het stand still-beginsel is opgenomen. De betekenis van de in het GBP genoemde richtwaarde van 53 dB(A) (etmaalwaarde) is hun niet duidelijk. Zij vrezen onvoldoende bescherming tegen geluidhinder vanwege de cumulatieve beschermingswaarden, welke vrees wordt versterkt door de mogelijkheden tot afwijking van het akoestisch inrichtingsplan. De door verweerder erkende en toegestane overschrijding van het emissiebudget achten appellanten sub 1 en 2 onvoldoende gemotiveerd. Het argument van verweerder in dit verband dat dankzij de positionering van de verkeersgebonden bronnen achter het bedrijfsgebouw een gedegen geluidafscherming kan worden bereikt, vinden appellanten sub 2 niet valide, omdat volgens hen de vergunning deze afscherming niet garandeert. De overschrijding van het immissiebudget, met name in de nachtperiode, achten appellanten sub 1 en 2 niet gerechtvaardigd door het argument van verweerder dat toekomstige bebouwing zal zorgen voor afscherming waardoor de geluidbelasting van woningen achter de inrichting lager zal zijn. Zij stellen in dit verband dat niet vaststaat dat de afscherming er komt. Appellanten sub 2 zijn het niet eens met de redenering van verweerder dat de overschrijding van het immissiebudget slechts een beperkte invloed heeft op het gecumuleerde geluidniveau dat wordt veroorzaakt door het gehele bedrijfsterrein. Zij vrezen een toename van de geluidbelasting door cumulatie van de onderhavige overschrijding van het immissiebudget met toekomstige overschrijdingen van budgetten door andere bedrijven. Appellanten sub 1 en 2 wijzen erop dat in het GBP is vermeld dat niet wordt toegestaan dat de grenswaarden worden overschreden.

Appellanten sub 1 en 2 trekken de juistheid van het gehanteerde piekgeluidbronvermogen van optrekkende vrachtwagens (zijnde 108 dB(A)) in twijfel, en voeren aan dat het bronvermogen mogelijk 112 dB(A) bedraagt. Appellanten sub 2 betogen dat het dichtslaan van portieren, dat een bronvermogen heeft van 112 dB(A), claxonneren, alsmede verschillende andere piekgeluidbronnen, ten onrechte niet zijn betrokken bij de berekening van de piekgeluidbelasting. Volgens appellanten sub 1 en 2 staat verder niet vast dat elektrische koelaggregaten minder geluid emitteren dan dieselaangedreven koelaggregaten.

Appellanten sub 2 richten zich tegen het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.6, dat bepaalt dat binnen zes maanden moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de geluidvoorschriften. Zij achten de termijn van zes maanden te kort, nu ervan uit is gegaan dat de optredende geluidbelasting mede afhankelijk is van de aangrenzende bebouwing van derden en/of door de gemeente te plaatsen geluidschermen. De toegestane piekgeluidbelasting in de nachtperiode vinden appellanten sub 2 te hoog. Volgens appellanten sub 2 zijn de aanvraag en het akoestisch rapport van 23 maart 2000 op het punt van de periode-indeling van het etmaal niet met elkaar in overeenstemming; de periode tussen 6.00 en 7.00 uur moet volgens hen worden gerekend tot de nacht. Zij stellen dat in het akoestisch rapport ten onrechte wordt getoetst aan waarden van 50 en 55 dB(A) (etmaalwaarden), die afwijken van de cumulatieve beschermingswaarden uit het GBP en het akoestisch inrichtingsplan. Maatregelen ter reductie van de geluidhinder zoals good housekeeping en logistieke maatregelen, genoemd in het akoestisch rapport, zijn volgens appellanten sub 2 niet voorgeschreven, zodat ten onrechte mede op basis daarvan is geconcludeerd dat is voldaan aan het ALARA-beginsel.

Volgens appellanten sub 1 miskent verweerder dat op de tekening bij de aanvraag geen enkele condensor is aangeduid, en is niet gebleken dat een dakcondensor op een juiste wijze is verdisconteerd in het akoestisch onderzoek. Daarnaast voeren appellanten sub 1 en 2 aan dat de locatie van condensoren op het dak ongeschikt is uit oogpunt van geluidhinder, en dat bij volharding in deze locatiekeuze afscherming nodig is. Appellanten sub 1 en 2 bestrijden de stelling van verweerder dat afscherming van de condensor niet mogelijk is vanwege het platte dak. Volgens appellanten sub 2 wordt in de vergunning gesproken van één condensor, maar in de aanvraag van meerdere condensoren. Appellanten sub 1 en 2 vinden dat hierdoor niet kan worden gecontroleerd of de locatie van de condensor, overeenkomstig het ALARA-beginsel, akoestisch optimaal is gekozen. Volgens appellanten sub 2 had moeten worden onderzocht welke maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelasting terug te dringen.

2.9.1. Volgens verweerder volgt uit het akoestisch inrichtingsplan dat de geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein Veren Ambacht in de geprognosticeerde situatie ter plaatse van de meest nabij de inrichting gelegen woningen een geluidbelasting geeft van 53 dB(A) etmaalwaarde. Gelet op de doelstelling om de vestiging van bedrijven die zijn gerelateerd aan de agrarische sector (AGF-bedrijven) mogelijk te maken, de behoefte aan een zekere flexibiliteit, de onvermijdelijke verschillen tussen prognose en uitvoering en het feit dat voor veel benedendijkse woningen een etmaalwaarde van 54 dB(A) is berekend, heeft verweerder voor alle benedendijkse woningen en een woning aan de noordkant van de Rijksstraatweg een cumulatieve beschermingswaarde van 54 dB(A) (etmaalwaarde) vastgesteld. Voor alle overige woningen heeft verweerder een cumulatieve beschermingswaarde vastgesteld van 52 dB(A) (etmaalwaarde). Volgens verweerder is niet te vermijden dat de bedrijven die zich vestigen op Veren Ambacht in werkelijkheid anders vorm krijgen dan waarvan is uitgegaan bij het bepalen van de emissie- en immissiebudgetten. Hij vindt dat geen bezwaar voor vergunningverlening, mits de afstand van de geluidbron tot de woningen dermate groot is, dat het cumulatieve beschermingsniveau wordt verzekerd. Verweerder stelt dat – in afwijking van hetgeen de deskundige van de StAB vermeldt – niet de nachtelijke geluidgrenswaarde die aan de vergunning is verbonden wordt overschreden met 2 dB(A), maar het geluidimmissiebudget dat is opgenomen in het akoestisch inrichtingsplan. De overschrijding van het immissiebudget betekent volgens verweerder niet dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Hij betwist ook de bevinding van de deskundige van de StAB dat ten gevolge van de overschrijding van het immissiebudget in de nachtperiode een overschrijding met 0,4 dB(A) plaatsvindt van de cumulatieve beschermingswaarde die geldt ter plaatse van de maatgevende woningen aan [locatie 2] en [locatie 3]. Volgens hem leidt de overschrijding van het immissiebudget met 2 dB(A) in de nachtperiode samen met de geprognosticeerde overige immissiebudgetten tot een toename van de totale geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein met 0,4 dB(A), maar komt de totale immissie daarmee op 43,4 dB(A). De horizontale afschermende werking van toekomstige bebouwing rond de inrichting is niet verwerkt in de berekening van de geluidbelasting vanwege de onderhavige inrichting, aldus verweerder. Volgens verweerder blijkt uit de berekeningen dat ook zonder afscherming door toekomstige bebouwing rond de inrichting kan worden voldaan aan de voor de nachtperiode vastgestelde cumulatieve beschermingwaarde van 44 dB(A) die geldt bij de woningen aan [locatie 2] en [locatie 3].

Het feit dat in het akoestisch rapport als grenswaarden voor het cumulatieve geluidniveau 50 en 55 dB(A) (etmaalwaarden) worden genoemd, in plaats van de cumulatieve beschermingswaarden uit het GBP en het akoestisch inrichtingsplan, verklaart verweerder doordat het GBP en het akoestisch inrichtingsplan nog niet gereed waren ten tijde van het uitvoeren van het akoestisch onderzoek ten behoeve van de aanvraag om vergunning.

Wat betreft de condensor stelt verweerder dat bij het akoestisch onderzoek één dakcondensor als geluidbron is opgevoerd, die model staat voor meerdere condensoren. Afscherming van de condensoren door het gebouw is volgens verweerder niet mogelijk vanwege het platte dak. Mede dankzij het type condensor en de aansluitmogelijkheden voor de koelunits van vrachtwagens op het elektriciteitsnet wordt volgens hem voldaan aan het ALARA-beginsel. Onderzoek naar aanvullende geluidreducerende maatregelen acht verweerder niet opportuun omdat volgens hem ook zonder verdere maatregelen aan de cumulatieve beschermingswaarden kan worden voldaan. Hij stelt dat elektrische koeling een bronvermogen heeft van 90 dB(A) en dat een dieselaangedreven koelaggregaat een bronvermogen heeft tot circa 104 dB(A). Het piekgeluidbronvermogen van 108 dB(A) voor optrekkende vrachtwagens is volgens verweerder gebaseerd op herhaalde metingen. Alleen als zeer hard wordt opgetrokken zal een bronvermogen van 112 dB(A) aan de orde zijn, aldus verweerder. Het dichtslaan van portieren en de overige piekgeluidbronnen die appellanten sub 2 noemen, veroorzaken volgens hem een lager piekgeluidniveau dan een normaal optrekkende vrachtwagen waarop de piekgeluidgrenswaarden zijn afgestemd. Verweerder wijst er in dit verband op dat claxonneren is uitgesloten in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.18.

Verweerder leidt uit de aanvraag af dat in de avond- en nachtperiode niet wordt gewerkt, met uitzondering van verkeersbewegingen en laden en lossen in de vroege ochtend. Hij stelt dat deze activiteiten zijn betrokken bij het akoestisch onderzoek en zijn gerekend tot de nachtperiode.

2.9.2. De Afdeling overweegt ten aanzien van het GBP en het akoestisch inrichtingsplan het volgende.

Verweerder heeft op basis van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 21 oktober 1998 (hierna: de Handreiking) het GBP en het daarbij behorende akoestisch inrichtingsplan opgesteld. Het GBP en het akoestisch inrichtingsplan zijn tezamen aan te merken als gemeentelijke nota industrielawaai in de zin van de Handreiking. Verweerder heeft in het kader van het bestreden besluit dit gemeentelijke geluidbeleid gehanteerd bij de invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid.

De maximaal toelaatbare cumulatieve geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein in zijn geheel ter plaatse van woningen is door verweerder in het GBP en het daarbij behorende akoestisch inrichtingsplan vastgesteld op 52 of 54 dB(A) (etmaalwaarden). Verder heeft verweerder onder meer een emissiebudget en een immissiebudget (ter plaatse van omliggende woningen) per kavel op het bedrijventerrein opgenomen.

Aan de cumulatieve beschermingswaarden heeft verweerder mede ten grondslag gelegd dat op het bedrijventerrein Veren Ambacht vestiging mogelijk moet worden van AGF-bedrijven. Conform de Handreiking heeft verweerder het heersende geluidniveau geïnventariseerd en bezien welke ontwikkelingen aan de orde zijn die van invloed zijn op de geluidkwaliteit, in dit geval ontwikkelingen die verband houden met industrie, wegverkeer en railverkeer, de aanleg van nieuwe wegen, de afsluiting van een weg en de bestemming tot bedrijventerrein. Verweerder heeft zich ten doel gesteld dat de vestiging van bedrijven op het bedrijventerrein Veren Ambacht geen grote nadelige gevolgen heeft voor het akoestisch leefklimaat van omwonenden. Mede daarom is hij ten behoeve van het bepalen van de nieuwe akoestische situatie uitgegaan van een cumulatieve geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein van ten hoogste 52 en 54 dB(A) (etmaalwaarden) bij woningen. Verweerder heeft de oude en de nieuwe akoestische situatie met elkaar vergeleken met behulp van een klasse-indeling, variërend van “goed” tot “zeer slecht”, waarbij hij heeft beoogd een indeling te maken conform de zogeheten methode Miedema. Afgezien van het antwoord op de vraag of de methode Miedema geheel correct is toegepast, stelt de Afdeling vast dat bij een indelingswijze conform die methode slechts vijf van de vijftig beoordelingspunten in de nieuwe akoestische situatie belanden in een aangrenzende klasse die ongunstiger is dan de toepasselijke klasse in de oude situatie. Op de overige vijfenveertig beoordelingspunten blijft het akoestisch leefklimaat gelijk of verbetert het. Derhalve wordt bij het hanteren van de cumulatieve beschermingswaarden van 52 en 54 dB(A) (etmaalwaarden) voldaan aan de doelstelling van het geluidbeleid dat de vestiging van bedrijven op het bedrijventerrein Veren Ambacht geen grote nadelige gevolgen heeft voor het akoestisch leefklimaat van omwonenden.

In aanmerking genomen de vorenstaande onderbouwing, alsmede de door verweerder gegeven motivering van de cumulatieve beschermingswaarden van 52 en 54 dB(A) (etmaalwaarden), is de Afdeling van oordeel dat het geluidbeleid als zodanig, dat is neergelegd in het GBP en het akoestisch inrichtingsplan, niet berust op onjuiste uitgangspunten, noch in strijd is met de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid en motivering.

De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.9.3. Ten aanzien van de door appellanten aangevoerde overschrijdingen van het emissie- en immissiebudget overweegt de Afdeling het volgende.

Het GBP voorziet in de mogelijkheid om van het akoestisch inrichtingsplan af te wijken onder de voorwaarde dat de doelstelling van het geluidbeleid niet in gevaar komt, en dus de grenswaarden niet worden overschreden. Het GBP stelt derhalve het in acht nemen van de cumulatieve beschermingswaarden voorop. Het stand still-beginsel is niet als zodanig neergelegd in het GBP en het akoestisch inrichtingsplan.

Gelet op het deskundigenbericht van de StAB en het verhandelde ter zitting moet worden vastgesteld dat het emissiebudget voor de kavel van vergunninghoudster in alle perioden van het etmaal fors wordt overschreden. De overschrijdingen hebben echter geen significante gevolgen voor de geluidbelasting vanwege de inrichting ter plaatse van woningen, mede dankzij afscherming van de meeste geluidbronnen door het bedrijfsgebouw van de onderhavige inrichting. Zij doen dan ook geen afbreuk aan de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden in de aan de vergunning verbonden voorschriften, en ook niet aan de cumulatieve beschermingswaarden die zijn neergelegd in het GBP en het akoestisch inrichtingsplan. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de overschrijdingen van het emissiebudget niet zodanig groot zijn dat het belang van de bescherming van het milieu zou nopen tot het weigeren van de vergunning, dan wel het verbinden van nadere voorschriften aan de vergunning.

Het immissiebudget wordt in de nachtperiode overschreden met 2 dB(A). De afschermende werking van mogelijke toekomstige bebouwing is niet betrokken bij de berekeningen van de geluidbelasting vanwege de onderhavige inrichting. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling aannemelijk dat – ook bij gebreke van afscherming door andere bedrijfsgebouwen dan die van de onderhavige inrichting – de overschrijding van het immissiebudget geen nadelige gevolgen heeft voor de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden die zijn verbonden aan de vergunning en voor de cumulatieve beschermingswaarden die zijn neergelegd in het GBP en het akoestisch inrichtingsplan. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de overschrijding van het immissiebudget niet zodanig groot is dat het belang van de bescherming van het milieu zou nopen tot het weigeren van de vergunning, dan wel het verbinden van nadere voorschriften aan de vergunning.

De door appellanten sub 2 gestelde toekomstige overschrijdingen van budgetten door de komst van andere bedrijven waren – wat daarvan verder ook zij – ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling in de zin van artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Verweerder behoefde de door appellanten sub 2 gevreesde toename van de geluidbelasting vanwege mogelijke cumulatie van de onderhavige overschrijding van het immissiebudget met toekomstige overschrijdingen van budgetten door andere bedrijven dan ook niet te betrekken bij zijn beslissing op de aanvraag.

De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.9.4. Voorzover appellanten sub 2 aanvoeren dat de periode tussen 6.00 en 7.00 uur moet worden gerekend tot de nacht, stelt de Afdeling vast dat dit in de aan het bestreden besluit verbonden geluidvoorschriften is gebeurd. Het beroep van appellanten sub 2 treft in zoverre geen doel.

2.9.5. Voorzover appellanten de deugdelijkheid in twijfel trekken van het onderzoek naar de geluidbelasting vanwege de onderhavige inrichting, overweegt de Afdeling als volgt.

Verweerder is er terecht van uit gegaan dat de elektrische koeling een lager bronvermogen heeft dan dieselaangedreven koeling. Verder is aannemelijk dat het dichtslaan van portieren en de overige piekgeluidbronnen die appellanten sub 2 noemen, een lager piekgeluidniveau veroorzaken dan een normaal optrekkende vrachtwagen. Verweerder kon de piekgeluidgrenswaarden daarop afstemmen, nu niet omstreden is dat het piekgeluidbronvermogen van 108 dB(A) voor optrekkende vrachtwagens is gebaseerd op herhaalde metingen, evenmin omstreden is dat het bronvermogen van 112 dB(A) waarnaar appellanten verwijzen zich slechts voordoet onder de niet-representatieve omstandigheid dat zeer hard wordt opgetrokken, het claxonneren is uitgesloten in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.18 en ook overigens geen grond aanwezig is om aan de juistheid van de gehanteerde bronvermogens te twijfelen.

De beroepen treffen in zoverre geen doel.

2.9.6. De gestelde piekgeluidgrenswaarden vallen ruim binnen de marges die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde piekgeluidgrenswaarden toereikend zijn ter voorkoming van onaanvaardbare piekgeluidhinder.

Het beroep van appellanten sub 2 treft in zoverre geen doel.

2.9.7. De hoogte van de equivalente geluidgrenswaarden is blijkens bijlage 4 van het akoestisch rapport afgestemd op de geluidbelasting vanwege de inrichting, en niet op de in het akoestisch rapport genoemde waarden van 50 en 55 dB(A). Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat de geluidbelasting vanwege de inrichting geen overschrijding tot gevolg heeft van de door verweerder tot uitgangspunt genomen cumulatieve beschermingswaarden.

Het beroep van appellanten sub 2 treft in zoverre geen doel.

2.9.8. Wat betreft de beroepsgronden inzake de condensor(en) en aanvullende geluidreducerende maatregelen overweegt de Afdeling als volgt.

In het akoestisch onderzoek is een condensor-unit verdisconteerd die model staat voor meerdere condensoren. De positie van de condensor-unit is aangeduid op de tekening bij de aanvraag. Niet is gebleken dat in het akoestisch rapport in zoverre is uitgegaan van onjuistheden.

De Afdeling kan verweerder niet volgen in zijn betoog dat afscherming van de condensor-unit niet mogelijk is en dat onderzoek naar aanvullende geluidreducerende maatregelen niet opportuun is omdat ook zonder verdere maatregelen aan de cumulatieve beschermingswaarden kan worden voldaan. Gelet op het verhandelde ter zitting behoort het gedeeltelijk afschermen van de condensor-unit tot de technische mogelijkheden; vergunninghoudster heeft immers ter zitting onweersproken gesteld dat gedeeltelijke afscherming technisch mogelijk is, omdat daarmee – anders dan bij algehele omkasting – geen afbreuk wordt gedaan aan de warmteafgifte van de condensor-unit. De Afdeling wijst er verder op dat volgens de Handreiking de gemeentelijke nota industrielawaai primair tot doel heeft een beleidskader te scheppen dat richtinggevend is voor de milieuvergunningverlening voor het onderdeel industrielawaai. Dat betekent niet dat verweerder daarmee zonder meer is ontslagen van de plicht om ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer te beoordelen of het nodig is om ter bescherming van het milieu maatregelen voor te schrijven, die mogelijk een verdergaande reductie van de geluidbelasting bewerkstelligen dan waarop het gemeentelijke geluidbeleid aanstuurt. Verweerder had gelet op hetgeen ter zitting is gebleken in dit geval moeten beoordelen of het afschermen van de condensor-unit dienstig en nodig is ter reductie van de geluidhinder van omwonenden en redelijkerwijs kan worden gevergd van vergunninghoudster – overigens zonder bij deze beoordeling de individuele economische belangen van vergunninghoudster te betrekken – alsmede of het in verband daarmee nodig is om de equivalente geluidgrenswaarden bij te stellen die zijn opgenomen in de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.1 en 1.1.2. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Gelet op het vorenstaande treffen de beroepen in zoverre doel.

2.9.9. Voorzover appellanten sub 2 aanvoeren dat maatregelen ter reductie van de geluidhinder die zijn genoemd in het akoestisch rapport niet zijn voorgeschreven, zodat ten onrechte mede op basis daarvan is geconcludeerd dat aan het ALARA-beginsel is voldaan, wijst de Afdeling er nogmaals op dat verweerder in het dictum van het bestreden besluit heeft bepaald dat de aanvraag daarvan deel uitmaakt. Het akoestisch rapport maakt deel uit van de aanvraag. De daarin genoemde maatregelen zijn dan ook voorgeschreven. Het betoog van appellanten sub 2 mist in zoverre feitelijke grondslag en treft geen doel.

2.9.10. Voorzover appellanten sub 2 aanvoeren dat de termijn in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.6 te kort is omdat de geluidbelasting mede afhankelijk is van de aangrenzende bebouwing van derden en/of door de gemeente te plaatsen geluidschermen, overweegt de Afdeling nogmaals dat de afschermende werking van mogelijke toekomstige bebouwing niet is betrokken bij de berekeningen van de geluidbelasting vanwege de onderhavige inrichting. Het beroep van appellanten sub 2 treft reeds daarom in zoverre geen doel.

2.10. Appellanten sub 1 voeren aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met eventuele ontwikkelingen in de toekomst, zoals verwerking van vlees en een verschuiving van de activiteiten naar de nachtperiode. In deze niet nader gemotiveerde beroepsgrond ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door appellanten sub 1 aangehaalde ontwikkelingen moeten worden beschouwd als redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen in de zin van artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Verweerder behoefde deze dan ook niet te betrekken bij zijn beslissing op de aanvraag. Ook anderszins biedt de beroepsgrond geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het recht. Het beroep van appellanten sub 1 treft in zoverre geen doel.

2.11. Gelet op al het vorenstaande is het beroep van appellanten sub 1 gedeeltelijk niet-ontvankelijk. De beroepen van appellanten sub 1 – voorzover ontvankelijk – en sub 2 zijn gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het bereiden van voedsel is vergund, alsmede voorzover het betreft de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.1 en 1.1.2. Teneinde te voorkomen dat gedurende langere tijd geen grenswaarden gelden voor het equivalente geluidniveau, ziet de Afdeling reden om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de hieronder aangegeven voorlopige voorziening te treffen.

2.12. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 niet-ontvankelijk voorzover het betreft luchtverontreiniging en geurhinder ten gevolge van wegverkeer van en naar de inrichting en luchtverontreiniging vanwege de verwerking van groenten en fruit;

II. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en 2 gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk van 21 november 2000, kenmerk 413365, voorzover het bereiden van voedsel is vergund, alsmede voorzover het betreft de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.1 en 1.1.2;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en 2 voor het overige ongegrond;

VI. treft de voorlopige voorziening dat de vernietigde, voorheen aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.1 en 1.1.2 blijven gelden tot zes weken na de bekendmaking van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk als genoemd in het hiervoor onder IV bepaalde;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 349,37, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de gemeente Ridderkerk te worden betaald aan respectievelijk appellanten sub 1 en 2;

VIII. gelast dat de gemeente Ridderkerk aan appellanten sub 1 en 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (ieder € 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. M. Oosting en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Können

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003.

301.