Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200205080/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 324 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Gst. 2003, 189 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2003/803
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205080/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vennootschap onder firma "Suikerland", gevestigd te Arnhem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 8 augustus 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van het amusementscenter op het perceel Suikerland 7 te Arnhem met het voormalige cafégedeelte op het perceel Suikerland 3 te Arnhem.

Bij besluit van 18 december 2000 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en besloten dat de bouwaanvraag op grond van artikel 50, eerste lid, van de Woningwet moet worden aangehouden.

Bij uitspraak van 8 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar van 18 april 2000 tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem van 8 maart 2000 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 18 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 oktober 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2003, heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.J.B. Ross, advocaat te Zevenaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.M. Kapteijns, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Nu de aanvraag om bouwvergunning is ingediend op 9 december 1999, derhalve vóór 3 april 2000, is daarop artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, zoals die wet tot die datum gold, van toepassing.

2.2. Appellante is in beroep niet opgekomen tegen het oordeel van het college in de beslissing op bezwaar dat er geen grond is om de bouwvergunning te weigeren en dat de aanvraag om bouwvergunning aangehouden dient te worden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Woningwet. Zij heeft in het beroepschrift slechts aangevoerd dat het bouwplan in overeenstemming is met het ontwikkelingsplan “Malburgen” en dat er daarom aanleiding bestaat om de aanhoudingsplicht op grond van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet te doorbreken. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, omdat de gevraagde bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten worden geweigerd. Gelet op de inhoud van het beroep richtte dit zich niet tegen de beslissing van het college dat de gevraagde bouwvergunning niet kon worden geweigerd. Dit betekent dat de rechtbank is getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil, en dusdoende, de betekenis van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft miskend.

2.3. Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van appellante behandelen.

2.4. Het betoog van appellante dat er aanleiding bestaat de aanhoudingsplicht op grond van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, te doorbreken, treft geen doel. Op de kaart behorende bij het ontwikkelingsplan “Malburgen”, vastgesteld op 2 maart 1998, waarin de toekomstvisie voor de wijk Malburgen voor een periode van 15 jaar is weergegeven, is het gebied ter plaatse van de geplande uitbreiding aangewezen voor “te handhaven woningen”. Deze woningen zijn thans op de eerste verdieping gevestigd. Het plan spreekt zich niet uit over de toekomstige bestemming van de begane grond. Nu derhalve niet op voorhand duidelijk is dat het bouwplan niet in strijd is met het toekomstige planologische regime heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen reden aanwezig was om de aanhoudingsplicht op grond van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet te doorbreken. Het betoog van appellante dat het bestaande amusementscenter in het nieuwe bestemmingsplan positief bestemd moet worden kan daaraan niet afdoen, nu het bouwplan de uitbreiding van het bestaande center betreft. Voorts kon appellante aan de brief van het college 22 december 1999 waarin is vermeld dat het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan zich niet tegen het bouwplan verzet niet de gerechtvaardige verwachting ontlenen dat het college de gevraagde bouwvergunning zou verlenen. In deze brief wordt appellante erop gewezen dat zulks afhankelijk is van het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten. Bij brief van 23 februari 2000 is appellante bovendien medegedeeld dat de brief van 22 december 1999 op het punt van de beoordeling van het toekomstige bestemmingsplan onjuist was.

2.5. Het bij de rechtbank ingesteld beroep dient alsnog ongegrond verklaard te worden.

2.6. De Afdeling acht, nu de beslissing op bezwaar rechtmatig wordt geoordeeld, geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. In deze situatie is er ook geen aanleiding te bepalen dat het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht door de gemeente Arnhem wordt vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat – naar analogie van artikel 41, vijfde lid - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 8 augustus 2002, Awb 01/220;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellant het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327, 00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

47-398.