Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8989

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200205567/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/186 met annotatie van A.M.L.J

Uitspraak

200205567/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 11 september 2002 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een bedrijfsruimte en een bedrijfswoning aan de [locatie] (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 26 november 2001 heeft het college het daartegen door appellant [verzoeker], respectievelijk door [appellant], gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2002, nr. WW44 02/38, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college opnieuw dient te besluiten op het bezwaarschrift met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Op dezelfde datum heeft de rechtbank ten aanzien van het door [appellant] ingestelde (afzonderlijke) beroep een gelijkluidende uitspraak gedaan (nr. WW44 02/39).

Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft het college het bezwaarschrift van [verzoeker] tegen het besluit van 27 februari 2001 opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van de rechtbank met nr. WW44 02/38 hebben [appellant] en [verzoeker] bij brief van 17 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 november 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 december 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2003, waar [verzoeker] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mevrouw mr. A.J. de Vegt-Ortelee en mr. R. Bergman, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ten aanzien van het hoger beroep van [verzoeker]

2.1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang met artikel 7:1, eerste lid en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Bij een besluit om een bouwvergunning te weigeren is slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks getroffen. Vast staat dat de bouwvergunning in opdracht van [appellant] is aangevraagd en dat het college heeft geweigerd deze bouwvergunning te verlenen. Nu [verzoeker] niet de aanvrager is van de bouwvergunning kan hij derhalve niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat hij geen bezwaar kon maken. Het college had gelet hierop [verzoeker] in zijn bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep van [verzoeker] is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, evenals de beslissing op bezwaar. De Afdeling zal, zelf voorziende, het bezwaar van [verzoeker] alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.3. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, moet het hoger beroep van [verzoeker] mede worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 15 oktober 2002 waarbij het college het door hem ingediende bezwaar wederom ongegrond heeft verklaard. Gelet op het hiervoor overwogene kon het college niet meer op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar beslissen. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2002 gegrond is en dat dit besluit moet worden vernietigd.

2.4. Van proceskosten van [verzoeker] die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Ten aanzien van het hoger beroep van [appellant]

2.5. [verzoeker] en [appellant] hebben beiden bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 27 februari 2001. Het college heeft bij afzonderlijke besluiten van 26 november 2001 deze bezwaren ongegrond verklaard. [verzoeker] en [appellant] hebben vervolgens ieder afzonderlijk beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft vervolgens ook afzonderlijk op beide beroepen uitspraak gedaan. [verzoeker] en [appellant] hebben echter uitsluitend tegen de uitspraak met nummer WW44 02/38, inzake [verzoeker], hoger beroep ingesteld.

2.6. Nu de Afdeling het bezwaar van [verzoeker] alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het belang van [appellant] niet rechtstreeks betrokken bij de beslissing op het bezwaar van [verzoeker]. Naar het oordeel van de Afdeling kan [appellant] derhalve niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij de beslissing op bezwaar van [verzoeker] worden beschouwd. De Afdeling zal het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank inzake [verzoeker] derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

2.7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep voor zover dat is ingesteld door [verzoeker] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 11 september 2002, WW44 02/38;

III. verklaart het door [verzoeker] bij de rechtbank ingesteld beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 26 november 2001, AZ/AdV/2584 inzake [verzoeker];

V. verklaart het bezwaar van [verzoeker] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 27 februari 2001 niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. verklaart het beroep van [verzoeker] gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 15 oktober 2002, BMO/AdV/1858, gegrond;

VIII. vernietigt dat besluit;

IX. verklaart het hoger beroep voor zover dat is ingesteld door [appellant] niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

47-398.