Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200205496/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205496/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 27 augustus 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2000 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een ontheffing verleend voor het verplaatsen en innemen van een vaste ligplaats [woonschip] alsmede het aanbrengen en behouden van vier palen ten behoeve van het afmeren van het woonschip in de provinciale vaarweg de Rijn, ten westen van Leiden, ter hoogte van [km] in de gemeente Valkenburg (ZH).

Bij besluit van 27 november 2000 heeft het college aan [vergunninghouder] een ontheffing verleend voor het innemen van een vaste ligplaats met een [pleziervaartuig] in de provinciale vaarweg de Rijn, ten westen van Leiden, ter hoogte van [km] in de gemeente Valkenburg (ZH).

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2002, verzonden op 30 augustus 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 januari 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 februari 2003 heeft [vergunninghouder] een reactie gegeven op het hoger-beroepschrift van appellant.

Bij brieven van 3 april 2003 heeft appellant de gronden nader aangevuld en producties overgelegd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar appellant in persoon, [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. W. Visser, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door J.F.W. Laban, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. In zaken waarbij een belanghebbende, niet zijnde een aanvrager, van het verlenen van een ontheffing niet schriftelijk op de hoogte is gesteld en daarvan geen publicatie in een huis-aan-huisblad heeft plaatsgevonden, dient deze in beginsel binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt zijn bezwaren kenbaar te maken. De wettelijke termijn gaat niet opnieuw lopen.

2.3. Appellant heeft betoogd dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg heeft verzuimd zijn bezwaarschrift van 16 oktober 2000, gericht tegen de gemeentelijke vergunning inzake toewijzing van een ligplaats aan [vergunninghouder], door te zenden aan het college. Als gevolg daarvan is hem de mogelijkheid ontnomen tegen de verlening van de ontheffingen van 27 november 2000 ten gunste van [vergunninghouder] tijdig zijn bezwaren kenbaar te maken. De rechtbank heeft dan ook naar het oordeel van appellant miskend dat de termijnoverschrijding niet aan hem is te wijten. Voorts heeft appellant betoogd dat hij pas op 15 maart 2001 kennis heeft genomen van de primaire besluiten van 27 november 2000 zodat de rechtbank heeft miskend dat hij binnen twee weken nadat hij heeft kennisgenomen van deze besluiten daartegen middels zijn bezwaarschrift van 25 maart 2001 bezwaar heeft gemaakt.

2.4. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een bezwaarschrift gericht tegen een besluit van een orgaan van de gemeente Valkenburg niet aangemerkt kan worden als een bezwaarschrift tegen de besluiten van het college. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de vraag of de gemeente Valkenburg het college op de hoogte diende te stellen van het door haar ontvangen bezwaarschrift niet relevant is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van appellant in zijn bezwaar van 25 maart 2001.

Op 9 maart 2001 zijn in een mondeling onderhoud met een medewerker van het college de besluiten van 27 november 2000 ter sprake gekomen. Appellant heeft toen direct aangegeven tegen deze besluiten bezwaar te maken. Gelet hierop staat vast dat appellant in elk geval op die datum op de hoogte is geraakt van het bestaan van die besluiten, is toen de in rechtsoverweging 2.2. genoemde termijn van twee weken gaan lopen en had hij binnen die termijn een bezwaarschrift moeten indienen. Dat appellant naar eigen zeggen toen nog niet precies wist om welke specifieke ligplaats het ging, maakt dit niet anders nog daargelaten dat appellant naar voren heeft gebracht dat hij mondeling aanstonds bezwaren heeft geuit. De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift van appellant niet tijdig is ingediend en dat het college het bezwaar van appellant op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5. Aan de inhoudelijke behandeling van hetgeen appellant in het kader van de door hem gestelde schending van artikel 3:2 van de Awb naar voren heeft gebracht, komt de Afdeling niet toe. Deze grond wordt voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht terwijl niet valt in te zien waarom appellant dit punt niet eerder in de procedure naar voren heeft kunnen brengen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

45-395.