Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200205572/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205572/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 11 september 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de aan appellant over het tijdvak van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 toegekende huursubsidie nader vastgesteld op nihil en van hem een bedrag van ƒ 3.540,00 (€ 1.606,38) teruggevorderd.

Bij besluit van 22 december 1999 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep, voorzover thans van belang, gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het bedrag aan huursubsidie over het voormelde tijdvak vastgesteld op € 133,81 en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 december 2002 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S.H.G. Wijen, advocaat te Nijmegen, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts zijn als getuigen gehoord [zoon van appellant], [dochter van appellant], en haar [partner].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) wordt huursubidie slechts toegekend:

a. als de huurder, alsmede degenen die op de peildatum medebewoner of onderhuurder van de woning zijn, zich uiterlijk vijf dagen na de peildatum op het adres van die woning hebben doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

b. als op de peildatum op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, behoudens eventueel personen die behoren tot het huishouden van de onderhuurder.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Hsw kan in afwijking van het eerste lid huursubsidie worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw kan de Minister ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, bij de toepassing van de artikelen 2, 3, eerste lid, en 4, eerste lid, bepaalde medebewoners buiten beschouwing laten.

2.2. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staatssecretaris over het tijdvak van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 geen toepassing heeft behoeven te geven aan artikel 9, tweede lid, van de Hsw en evenmin aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw.

2.3. Volgens de door de Staatssecretaris ter zake gevolgde vaste gedragslijn kan tussentijds vertrek tijdens het subsidietijdvak reden zijn om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw.

2.4. Vast staat dat op de peildatum van 1 juli 1998 op het adres van appellant tevens zijn [zoon] stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Nijmegen en dat appellant hiervan op de hoogte was. Voorts wordt als vaststaand aangenomen dat de voornoemde zoon pas per 25 mei 1999 niet meer in de gemeentelijke basisadministratie van de voornoemde gemeente stond ingeschreven. De feitelijke woonsituatie, wat er overigens ook van zij, moet, nu de Staatssecretaris ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Hsw bij de toekenning van huursubsidie dient uit te gaan van de persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie, worden daargelaten, behoudens toepassing van het bepaalde in het tweede artikellid.

2.5. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, komt neer op een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en waarover de rechtbank een juist oordeel heeft gegeven.

Appellant was op de hoogte van de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op de peildatum van 1 juli 1998. Geenszins is gebleken dat appellant zodanige pogingen heeft gedaan om zijn zoon zich te laten uitschrijven, dat appellant geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat zulks pas per 25 mei 1999 is geschied. Evenmin is overigens gebleken van feiten of omstandigheden die de uitschrijving pas op dat tijdstip zouden kunnen verontschuldigen. Daarom moet worden geoordeeld dat de Staatssecretaris geen toepassing heeft behoeven te geven aan het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Hsw. Hij is dan ook terecht uitgegaan van de in de gemeentelijke basisadministratie vermelde persoonsgegevens.

Gelet op de door de Staatssecretaris gevolgde vaste gedragslijn, moet, nu geen sprake is van tussentijds vertrek van zijn zoon tijdens het onderhavige subsidietijdvak, eveneens geoordeeld worden dat de Staatssecretaris geen toepassing heeft behoeven te geven aan het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

66-424.