Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200206713/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206713/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 4 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam een aanvraag van appellant in de zin van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 januari 2003 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 11 april 2003. Partijen zijn daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb kan het bureau de toevoeging weigeren indien het verzoek - voor zover hier van belang - niet is voorzien van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde verklaringen of andere bewijsstukken en de verzoeker na op dat verzuim te zijn gewezen heeft nagelaten dit binnen een door het bureau gestelde termijn te herstellen.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen, dat niet is gebleken dat appellant alle gevraagde stukken heeft ingezonden. Zo ontbraken de verklaring omtrent inkomen en vermogen, alsmede een kopie van de inkomsten uit dienstbetrekking over de periode juni, juli en augustus 2000.

Het, overigens verder niet onderbouwde, betoog van appellant dat hij alle stukken heeft ingezonden, moet dan ook falen.

2.3. De rechtbank heeft het beroep mitsdien terecht ongegrond verklaard.

2.4. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

195-209.