Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200203199/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/2731 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203199/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], en

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2002, kenmerk EMT/2001/3990, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een landbouwloonbedrijf, grondverzet- en mechanisatiebedrijf, alsmede een inrichting voor recycling van groenafval, veredeling van compost, en opslag en verkleining van hout en opslag en bewerking van grond - voorzover het de activiteiten betreft inzake het opslaan, be- en verwerken van van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen tot 8 juni 2012 en voorzover het de overige activiteiten betreft voor onbepaalde tijd - op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Dalfsen. Dit besluit is op 3 mei 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 11 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 13 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar appellanten sub 1, van wie [naam] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], appellanten sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. van Grieken, ing. J.J. Dop en ing. W. Mulder, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], gemachtigden, als partij daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De verandering van de inrichting betreft met name het composteren van groenafval, het opslaan en verkleinen van houtafval, het opslaan en bewerken van verontreinigde grond, zand en houtafval en het veredelen van compost tot organische meststoffen.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten sub 1 niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen stankhinder ter plaatse van de bedrijfswoning.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de grond van appellanten sub 1 inzake stankhinder ter plaatse van de bedrijfswoning wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat stankhinder van het composteerbedrijf wordt gevreesd. Het beroep van appellanten sub 1 is daarom ontvankelijk.

Appellanten sub 2 hebben evenwel de grond inzake stofhinder niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten sub 1 betogen dat verweerder miskent dat ten gevolge van het composteringsproces ernstige stankhinder zal optreden ter plaatse van hun woning, die is gelegen op ongeveer 135 meter van het onderdeel van de inrichting waar dit proces zal plaatsvinden. Verweerder merkt volgens appellanten sub 1 de woning van [vergunninghoudster] op minder dan 100 meter van dit onderdeel ten onrechte aan als bedrijfswoning. Dat op 60 meter geen verslechtering van het woon- en leefklimaat zal optreden, achten appellanten sub 1 niet geloofwaardig.

Appellanten sub 2 betogen dat verweerder miskent dat de stank tengevolge van de vergunde activiteiten ondraaglijk zal zijn, mede gelet op het feit dat de reeds gedoogde activiteit, die achter de gebouwen van het loonbedrijf plaatsvindt, al regelmatig overlast geeft.

Volgens appellanten sub 1 overweegt verweerder ten onrechte dat al het aangevoerde houtafval na verkleining direct wordt afgevoerd voor verdere bewerking, terwijl volgens de aanvraag naast de aangeleverde 20.000 ton groenafval ook een deel van de 12.000 ton houtafval in het composteringsproces wordt gebracht. Hierdoor is volgens appellanten sub 1 onduidelijk of de geurnormering op juiste wijze is bepaald.

2.4.1. Verweerder betoogt dat aan de bijzondere regeling van de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht (hierna: NeR) wordt voldaan, nu binnen 100 meter van de compostering geen burgerwoningen zijn gelegen. Voorts is in een landelijke omgeving, zoals de onderhavige, de geur van compostering volgens verweerder niet geheel ongebruikelijk.

Bedrijfswoningen genieten volgens verweerder, mede gelet op het gestelde in paragraaf 2.9 van de NeR, minder bescherming. De woning van [vergunninghoudster] binnen de 100 metergrens is volgens verweerder een bedrijfswoning, aangezien van belang is wie er woont op het moment van vergunningverlening en niet of de woning volgens de tekeningen deel uitmaakt van de inrichting.

Verweerder stelt voorts dat volgens de aanvraag ten hoogste 20.000 ton groenafval mag worden gecomposteerd. Daarnaast mag 12.000 ton houtafval worden verwerkt. Indien voor het composteringsproces hout nodig is, kan volgens verweerder uiteraard minder groenafval worden gecomposteerd, aangezien houtafval ook groenafval is. Voor de geurnormering heeft dit volgens verweerder geen gevolgen.

2.4.2. Blijkens de stukken heeft verweerder bij de beoordeling van geurhinder de bijzondere regeling G2 “Compostering van groenafval” van paragraaf 3.3 van de NeR tot uitgangspunt genomen.

In deze regeling worden vier verschillende composteringsmethoden onderscheiden (de methoden A, B, C en D). Afhankelijk van de productiecapaciteit en de gehanteerde composteringsmethode worden indicatieve afstanden gegeven vanaf de rand van de feitelijke compostering tot de te beschermen geurgevoelige objecten waarop de resterende hinder aanvaardbaar kan worden geacht.

In de onderhavige inrichting zal volgens het bestreden besluit de composteringsmethode genoemd onder D worden toegepast (intensieve methode met geforceerde beluchting).

In de regeling is vermeld dat voor groencomposteringsbedrijven waar methode D wordt toegepast, bij een productie van 15.000-20.000 ton te composteren materiaal per jaar een waarde van 100 meter geldt als indicatieve afstand vanaf de rand van de feitelijke compostering tot de te beschermen geurgevoelige objecten waarop de resterende hinder aanvaardbaar kan worden geacht; bij een productie van >20.000 ton per jaar geldt een waarde van 200 meter als indicatieve afstand.

Ten aanzien van de productiecapaciteit overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 4.2 van de aanvraag is, voorzover hier van belang, vermeld dat de jaarlijkse hoeveelheden in te nemen afvalstoffen bedragen:

* groenafval ter compostering: 20.000 ton;

* houtafval : 12.000 ton.

Blijkens bijlage 4 (flowschema), behorende bij de aanvraag, vindt onder meer gescheiden aanvoer van grof hout plaats. Een deel van het geshredderde grof hout (met uitzondering van de niet composteerbare zeefrest) wordt blijkens het schema toegevoegd aan de gemengde aanvoer van groenafval, plantsoenafval en snoeihout in de omzettingsfase, die voorafgaat aan de composteringsfase.

Uit hetgeen ter zitting door vergunninghoudster is verklaard, is gebleken dat met hetgeen aan het composteringsproces wordt toegevoegd uitsluitend wordt gedoeld op minimale zeefresten van hout, die alsdan mede worden begrepen onder het groenafval ter compostering. Verweerder is er dan ook terecht van uitgegaan dat de productiecapaciteit ten aanzien van de groencompostering 20.000 ton/jaar bedraagt en dat derhalve moet worden voldaan aan een indicatieve afstand van 100 meter.

Nu in de vergunning evenwel niet eenduidig is bepaald dat geen grof hout in het composteringsproces mag worden gebracht, en dat de zeefresten mede worden begrepen onder het groenafval ter compostering, verdraagt het bestreden besluit zich in zoverre niet met het algemene rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

Uit de stukken blijkt dat de afstand van de rand van de feitelijke compostering tot de woningen van appellanten ongeveer 135 meter bedraagt, zodat ten aanzien van deze woningen aan de indicatieve afstand van de NeR-regeling wordt voldaan.

Verder blijkt uit de stukken dat zich dichter bij de compostering, binnen de grens van 100 meter, nog een woning bevindt, die wordt bewoond door [vergunninghoudster]. In paragraaf 2.9 van de NeR wordt gesteld dat hoewel in principe alle geurgevoelige objecten horen te worden beschermd tegen geuroverlast, wel verschillen in het niveau van bescherming kunnen worden gehanteerd. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hoger niveau worden gehanteerd dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In dergelijke situaties is de afweging tussen de te verwachten vermindering van de hinder en de redelijkheid van het uitvoeren van maatregelen belangrijk. De Afdeling overweegt dat de desbetreffende woning wordt bewoond door [vergunninghoudster en derhalve als bedrijfswoning dient te worden aangemerkt. Verweerder heeft betoogd dat hij voor dergelijke woningen in principe een verdubbeling van de geurbelasting aanvaardbaar acht, aan welke maatstaf in dit geval wordt voldaan. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling de ter plaatse van onderhavige woning veroorzaakte hogere geurbelasting in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

Voorts wordt in de NeR-regeling een aantal standaardmaatregelen aanbevolen. In de voorschriften behorende bij het bestreden besluit zijn voorschriften gesteld ter beperking van stankhinder in de hoofdstukken 2 “Geur” en 7 “Groencompostering”, welke laatste zijn ontleend aan de in de NeR aanbevolen maatregelen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden besluit toereikend is ter beperking van stankhinder van de compostering. De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.5. Appellanten sub 1 betogen dat de term “melding” in voorschrift 1.5.5 onduidelijk is. Appellanten sub 1 vrezen dat met toepassing van de voorschriften 1.5.5 en 7.17 proefprojecten met mest zullen plaatsvinden, waardoor nog meer stankhinder zal optreden. Voorschrift 7.1.7 biedt volgens appellanten sub 1 ten onrechte de mogelijkheid om proeven met mest te verrichten en voorschrift 1.5.5 dient volgens appellanten sub 1 aldus te worden gewijzigd dat proefprojecten niet zonder openbare besluitvorming kunnen plaatsvinden.

2.5.1. Verweerder heeft ter zitting erkend dat er een spanning bestaat tussen de voorschriften 1.5.5 en 7.1.7 en dat in voorschrift 7.1.7 ten onrechte een uitzondering is gemaakt voor het inzetten van mest ten behoeve van proefprojecten. Andere proeven moeten volgens verweerder conform voorschrift 1.5.5 worden gemeld. Verweerder stelt dat is bedoeld hieraan een goedkeuringsprocedure te koppelen, die leidt tot een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.

2.5.2. Ingevolge voorschrift 1.5.5 moet van incidenteel optredende bedrijfsactiviteiten, welke mogelijkerwijs beïnvloeding van de omgeving en/of verhoogde risico’s voor het milieu tot gevolg kunnen hebben, waarmee ook plannen voor proefprojecten en haalbaarheidsprojecten worden bedoeld, vooraf melding worden gedaan aan het college van gedeputeerde staten.

In voorschrift 7.1.7 is bepaald dat bij het composteringsproces geen mest mag worden ingezet, toegevoegd en verwerkt, behoudens ten behoeve van proefprojecten. Het verrijken van de compost door het bijmengen van (varkens)mest is niet toegestaan.

2.5.3. In voorschrift 1.5.5 is uitsluitend bepaald dat van de desbetreffende bedrijfsactiviteiten melding moet worden gedaan. Verweerder voert evenwel aan te hebben beoogd in voorschrift 1.5.5 een goedkeuringsprocedure neer te leggen die leidt tot een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Voorts wordt in voorschrift 7.1.7, bij wijze van uitzondering op de daarin neergelegde hoofdregel, toegestaan om onder omstandigheden bij het composteringsproces mest in te zetten ten behoeve van proefprojecten. Verweerder betoogt thans dat deze uitzondering ten onrechte is gemaakt. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, wat de voorschriften 1.5.5 en 7.1.7 betreft, in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.6. Appellanten sub 1 betogen dat verweerder miskent dat geluidoverlast zal optreden ter plaatse van hun woning, met name in de vroege avonduren en op zaterdag, vanwege de forse toename van aan- en afvoerbewegingen van met name vrachtwagens en de inzet van materieel zoals een shovel, een verkleiner en een omzetmachine.

Appellanten sub 2 betogen dat verweerder miskent dat de inrichting, die is gelegen op ongeveer 60 meter van hun woning, enorme geluidhinder zal veroorzaken, met name ten gevolge van de verplaatsing van de verkleiningsmachine die in de nieuwe situatie voor hun voorgevel komt te staan.

Appellanten sub 1 betogen voorts dat verweerder ten aanzien van de gestelde geluidgrenswaarden, die de richtwaarden fors overschrijden, verwijst naar bestaande rechten, terwijl de geluidgrenswaarden van de onderliggende vergunning van toepassing waren op andere immissiepunten (te weten 50 meter van de toenmalige grens van de inrichting). Verder voeren zij aan dat niet is getoetst aan het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Het beroep op bestaande rechten is volgens appellanten sub 1 niet redelijk nu verweerder destijds overduidelijk onnodig ruime geluidgrenswaarden heeft gesteld. Appellanten sub 1 vragen zich af of deze rechten niet zijn vervallen nu er in de afgelopen jaren blijkbaar geen beroep op is gedaan. Volgens appellanten sub 1 had verweerder op zijn minst moeten motiveren waarom de feitelijke toename van de geluidbelasting acceptabel wordt geacht. Volgens appellanten sub 1 hadden de openingstijden moeten worden beperkt of had ervoor moeten worden gekozen de activiteiten op een grotere afstand van hun woning uit te voeren.

Voorts zijn volgens appellanten sub 1 ten onrechte op enkele beoordelingspunten hogere waarden toegestaan dan in de onderliggende vergunning, zowel voor het equivalente geluidniveau als voor het maximale geluidniveau. Voor de beoordelingspunten 2, 3, 4 en 5 wordt dit volgens appellanten sub 1 ten onrechte gemotiveerd met het argument dat deze zijn gelegen ter plaatse van bedrijfswoningen.

Voorzover het beoordelingspunt 1 betreft miskent verweerder volgens appellanten sub 1 dat de ten hoogste aanvaardbare grenswaarde voor de maximale geluidniveaus van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt overschreden.

Voorts achten appellanten sub 1 het toegestane aantal uitzonderingen ten behoeve van gladheidsbestrijding in de winterperiode te hoog.

Anders dan in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) wordt geadviseerd, bedraagt het verschil tussen de equivalente geluidniveaus en de maximale geluidniveaus volgens appellanten sub 1 ten onrechte meer dan 10 dB. De grenswaarden voor de maximale geluidniveaus stroken volgens appellanten sub 1 bovendien niet de waarden in tabel 2 van de Handreiking. Aangegeven had moeten worden welke maatregelen zijn getroffen om de geluidbelasting te beperken, aldus appellanten sub 1.

2.6.1. Verweerder betoogt dat de hoogst vergunde waarden blijkens de Handreiking geen geluidniveaus zijn waarbij de overlast valt te verwachten die appellanten vrezen. De geluidoverlast wordt hiermee volgens verweerder dan ook voldoende beperkt.

Tabel 2 van hoofdstuk 3 van de Handreiking is volgens verweerder niet van toepassing, nu geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld. Conform het gestelde in hoofdstuk 4 dient volgens verweerder in dat geval te worden aangesloten bij de systematiek van de circulaire Industrielawaai dan wel voornoemd hoofdstuk 4.

Hoewel de onderliggende vergunning als basis heeft gediend bij het opstellen van de geluidvoorschriften, is het omgevingskarakter volgens verweerder opnieuw in beschouwing genomen. Verweerder voert aan dat de omgeving dient te worden gekwalificeerd als landelijke omgeving, maar dat overschrijding mogelijk is tot het referentieniveau. Reeds bij de onderliggende vergunning is geconstateerd dat het LAeq van het wegverkeerslawaai minus 10 dB bepalend is voor het referentieniveau en zijn de equivalente geluidgrenswaarden dienovereenkomstig vastgesteld. Een indicatieve meting van het L95 bevestigt dat het wegverkeerslawaai bepalend is. Aangezien de verkeersintensiteit sindsdien niet dramatisch is afgenomen, kon volgens verweerder worden aangesloten bij de grenswaarden van de oude vergunning.

Voorts zullen maatregelen worden getroffen waardoor aan deze waarden kan worden voldaan.

Dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tijdens de nachtperiode 1 dB meer wordt vergund dan de richtwaarde is het gevolg van de omstandigheid dat in de onderliggende vergunning de activiteiten tussen 06.00 en 07.00 uur waren toegerekend aan de dagperiode, terwijl deze nu conform de Handreiking aan de nachtperiode zijn toegerekend; ten opzichte van de onderliggende vergunning wordt niet meer geluidruimte vergund, aldus verweerder. Hetzelfde geldt voor de verruiming van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau met 2 dB in de nachtperiode. Ter plaatse van de immissiepunten 2 tot en met 5 bevinden zich volgens verweerder bedrijfswoningen.

Het voorschrift inzake de gladheidsbestrijding betreft volgens verweerder geen uitzondering, maar een afwijkende bedrijfssituatie, waarbij tijdens de nachtperiode op twee immissiepunten een 1 dB hogere geluidbelasting optreedt. Het aantal keren is volgens verweerder redelijk en de overlast wordt zoveel mogelijk beperkt. Voorts voert verweerder aan dat vergunninghoudster met de gladheidsbestrijding een maatschappelijke taak heeft.

2.6.2. Ingevolge voorschrift 3.1.1 mogen op de in figuur 6 van het akoestisch rapport (rapportnr. M+P.SCM.00.3.3, revisie 3 d.d. 5 juni 2001, opgesteld door M+P Raadgevende Ingenieurs BV te Aalsmeer) aangegeven immissiepunten de hieronder genoemde waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege het in werking zijn van de inrichting niet worden overschreden:

Immissiepunt Omschrijving LAr,LT in dB(A)

Dag Avond Nacht

Woningen 07.00-19.00 19.00-23.00 23.00-07.00

1 [locatie 2] 41 33 36

6 [locatie 3] 45 21 23

7 [locatie 4] 44 29 31.

2.6.3. Blijkens de stukken heeft verweerder bij de beoordeling van geluidhinder tengevolge van het in werking zijn van de inrichting zelve de Handreiking tot uitgangspunt genomen.

In hoofdstuk 4 van de Handreiking wordt, voor het geval dat nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, verwezen naar de systematiek van de circulaire Industrielawaai. In dit verband wordt de volgende werkwijze aangeraden bij het verlenen van een vergunning voor een bestaande inrichting:

- bij herziening van vergunningen worden de richtwaarden volgens tabel 4 steeds opnieuw getoetst;

- overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid;

- overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

- Wanneer het bestaande (vergunde) niveau ten gevolge van de inrichting hoger is dan de etmaalwaarde van 55 dB(A), dient de laatstgenoemde waarde of het referentieniveau van het omgevingsgeluid als maximum te worden gehanteerd.

Voorzover appellanten sub 1 betogen dat door verweerder had moeten worden getoetst aan de waarden van tabel 2 van de Handreiking, treft dit betoog gelet op het vorenstaande, nu nog geen nota industrielawaai is vastgesteld, geen doel.

Gelet op de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, heeft verweerder de omgeving terecht gekarakteriseerd als landelijke omgeving, waarvoor richtwaarden zijn aanbevolen van 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Verder is in een aan de onderliggende vergunning van 9 januari 1996 gehecht rapport gesteld dat het LAeq van het wegverkeerslawaai bepalend is voor het referentieniveau van het omgevingsgeluid en dat dit referentieniveau 44 tot 45 dB(A) bedraagt. Nu er geen indicaties zijn dat de in dit rapport vermelde uitkomsten van het onderzoek naar de hoogte van het referentieniveau niet juist waren dan wel dat het wegverkeerslawaai sindsdien is afgenomen, heeft verweerder de in voorschrift 3.1.1 gestelde geluidgrenswaarden, die op of onder de waarde van het referentieniveau liggen, behoudens voorzover het waarde voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode betreft, in redelijkheid toereikend kunnen achten.

Wat de in voorschrift 3.1.1 gestelde waarde voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode betreft, overweegt de Afdeling dat verweerder deze in redelijkheid heeft kunnen rechtvaardigen met een beroep op bestaande rechten, nu de activiteiten van het landbouwloonbedrijf en het grondbedrijf, waarvoor de werktijden om 06.00 uur aanvangen, voorzover het de periode tussen 06.00 en 07.00 uur betreft, in de onderliggende vergunning waren gerekend tot de dagperiode, terwijl deze in de bij het bestreden besluit verleende vergunning conform de Handreiking zijn gerekend tot de nachtperiode, zonder dat hierdoor evenwel de thans toegestane geluidbelasting in de periode tussen 06.00 uur en 07.00 uur toeneemt.

Voorzover appellanten sub 1 betogen dat ten onrechte ter plaatse van de beoordelingspunten 2, 3, 4 en 5 een hogere equivalente geluidbelasting mag worden veroorzaakt dan in de onderliggende vergunning was toegestaan, overweegt de Afdeling dat deze punten zijn gelegen ter plaatse van bedrijfswoningen behorende tot de inrichting, ten aanzien waarvan verweerder in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de hieraan door hem geboden lagere mate van bescherming.

Voorzover appellanten sub 1 betogen dat de gestelde waarden ontoereikend zijn voor de zaterdag, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 5.7 van de Handreiking wordt gesteld dat de zaterdag wordt beschouwd als een gewone werkdag, zodat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor deze dag geen strengere waarden nodig zijn.

Gelet op de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) niet kan worden voldaan.

2.6.4. Ingevolge voorschrift 3.1.3 mogen maximale geluidniveaus (LAmax) vanwege het in werking zijn van de inrichting op de gevel van de in onderstaande tabel genoemde woningen of andere geluidgevoelige objecten de daarbij vermelde waarden niet overschrijden:

Immissiepunt Omschrijving LAmax in dB(A)

Dag Avond Nacht

Woningen 07.00-19.00 19.00-23.00 23.00-07.00

1 [locatie 2] 58 62 62

6 [locatie 3] 53 43 43

7 [locatie 4] 58 54 54.

2.6.5. De in voorschrift 3.1.3 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau vallen, behoudens de waarde voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode, binnen de waarden die volgens de circulaire Industrielawaai ten hoogste aanvaardbaar zijn. Dat volgens de circulaire moet worden gestreefd naar piekgeluidgrenswaarden van ten hoogste 10 dB(A) boven het equivalente geluidniveau, doet hieraan niet af. Verweerder heeft zich dan ook, behoudens voorzover het de waarde voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode betreft, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze waarden toereikend zijn.

Gelet op de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan deze waarden niet kan worden voldaan.

Wat de waarde voor de maximale geluidniveaus voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode betreft, overweegt de Afdeling dat verweerder op ondeugdelijke gronden heeft gesteld dat deze kan worden gerechtvaardigd met een beroep op bestaande rechten, nu deze waarde, anders dan in de onderliggende vergunning, niet alleen betrekking heeft op activiteiten in de periode tussen 06.00 en 07.00 uur, maar tevens op de activiteiten in verband met de gladheidbestrijding, die in de desbetreffende gevallen in de gehele nachtperiode (23.00 uur tot 07.00 uur) plaatsvinden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.6. Ingevolge voorschrift 3.1.2 mag op maximaal 52 dagen per jaar ten behoeve van de gladheidsbestrijding en calamiteitenbestrijding in de nachtperiode (23.00 uur tot 07.00 uur) een extra aantal voertuigbewegingen plaatsvinden. Als gevolg van de toename van het aantal transportbewegingen mag ter plaatse van de in figuur 6 van het in voorschrift 3.1.1 genoemde akoestisch rapport aangegeven immissiepunten de hieronder genoemde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege het in werking zijn van de inrichting niet worden overschreden:

Immissiepunt Omschrijving LAr,LT in dB(A)

Dag Avond Nacht

Woningen 07.00-19.00 19.00-23.00 23.00-07.00

1 [locatie 2] 41 33 37

6 [locatie 3] 45 21 24

7 [locatie 4] 44 29 31.

2.6.7. Met betrekking tot de in voorschrift 3.1.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) in het geval van gladheidsbestrijding, overweegt de Afdeling als volgt. De in dit voorschrift gestelde waarden liggen, behoudens de waarde voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode, op of onder de waarde van het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Gelet hierop heeft verweerder de in voorschrift 3.1.2 gestelde geluidgrenswaarden, behoudens voorzover het de waarde voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode betreft, in redelijkheid toereikend kunnen achten.

Ten aanzien van de waarde voor beoordelingspunt 1 in de nachtperiode in voorschrift 3.1.2, heeft verweerder betoogd dat het hier een afwijkende bedrijfssituatie betreft.

Volgens paragraaf 5.3 van de Handreiking kan voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie, waarbij in principe wordt uitgegaan van een frequentie van maximaal circa een dag-, avond- of nachtperiode per week, na een bestuurlijk afwegingsproces een hogere grenswaarde worden gesteld.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 juli 2002, zaak no. 200100451/1 (aangehecht), overweegt de Afdeling dat, gelet op de Handreiking op dit punt, door verweerder met een goede motivering kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat een verhoging van de geluidemissie zal optreden met een frequentie van maximaal een dag-, avond- of nachtperiode per week. De door verweerder gegeven motivering dat het hier onder meer bestrijding van gladheid betreft en het optreden van gladheid zich niet laat sturen, acht de Afdeling in dit geval voldoende.

Nu de activiteiten in vergunningvoorschrift 3.1.2 zijn beperkt tot 52 maal per jaar, alsmede gezien de omstandigheid dat het een verhoging van 1 dB ten opzichte van de waarde van voorschrift 3.1.1 betreft, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift in zoverre toereikend is ter beperking van geluidhinder die door deze activiteit wordt veroorzaakt.

2.6.8. De beroepsgronden terzake van geluidhinder van de inrichting zelve treffen derhalve geen doel, behoudens voorzover het de in voorschrift 3.1.3 voor beoordelingspunt 1 gestelde waarde voor LAmax in nachtperiode betreft.

2.7. Appellanten sub 1 betogen dat de geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van twee woningen, waaronder de hunne, in de nachtperiode de voorkeursgrenswaarde overschrijdt van de circulaire Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer (hierna: de circulaire Geluidhinder wegverkeer van en naar de inrichting). Verweerder heeft volgens appellanten sub 1 ten onrechte niet gemotiveerd waarom dit aanvaardbaar wordt geacht.

Appellanten sub 2 betogen dat verweerder miskent dat het optrekken en afremmen van het vrachtverkeer vlak voor hun woning geluidoverlast zal veroorzaken.

Hoewel daar in de bedenkingen om is verzocht, heeft verweerder volgens appellanten sub 1 kennelijk niet gezocht naar een alternatieve locatie voor de inrit met weegbrug. Dat dit niet mogelijk zou zijn in verband met de fysieke scheiding tussen vers groenafval en de opslag/nabewerking van het product, achten appellanten sub 1 niet overtuigend, nu een en ander volgens hen even goed op een andere locatie in de inrichting kan worden gerealiseerd. Appellanten sub 2 keren zich eveneens tegen de thans vergunde locatie van de weegbrug en betogen dat de plaats van de weegbrug en de entree van het terrein, zoals deze in de bestaande situatie is, acceptabel is en zo moet worden gelaten, aangezien deze voor derden geen overlast geeft.

Nu is uitgegaan van een worst-case scenario waarin alle verkeer van of naar Hoonhorst rijdt, vragen appellanten sub 1 zich voorts af of de geluidbelasting op beoordelingspunt 1 dan in de praktijk hoger is dan voorgesteld.

Verder betogen appellanten sub 1 dat niet voldoende vaststaat dat de binnengrenswaarde niet wordt overschreden, nu verweerder enkel op basis van een visuele controle heeft vastgesteld dat de geluidwering van de gevel 20 dB(A) bedraagt, terwijl de woning uit 1878 dateert en niet is voorzien van gevel- en dakisolatie.

Voorts hadden de aan- en afvoerbewegingen volgens appellanten sub 1 over een langere afstand in het akoestisch onderzoek moeten worden betrokken, omdat geluiden van optrekken en afremmen over een veel langere afstand hoorbaar zijn. Verder blijkt niet of in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met reflectie van geluid via de aarden wal aan de andere kant van de weg.

Ten slotte betogen appellanten sub 1 dat onduidelijk is of het is toegestaan dat varkenshandelaren en tankwagens gebruikmaken van de weegbrug.

2.7.1. Verweerder betoogt dat de grenswaarde voor het binnenniveau 35 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Nu de geluidbelasting in de nachtperiode ter plaatse van de immissiepunten 1 en 7 respectievelijk 41 en 45 dB(A) bedraagt, dient de geluidwering van de gevels ten minste 16 en 20 dB te bedragen. De isolatiegetallen uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 in acht nemende, acht verweerder het onwaarschijnlijk dat dit niet het geval is.

2.7.2. Blijkens de stukken heeft verweerder voor de beoordeling van geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting de circulaire Geluidhinder wegverkeer van en naar de inrichting tot uitgangspunt genomen.

In deze circulaire wordt geadviseerd om de aan de inrichting toe te rekenen verkeersbewegingen uitsluitend te beoordelen aan hand van de etmaalwaarde van het bij die verkeersbewegingen behorende equivalente geluidniveau. Hiertoe wordt in de circulaire geadviseerd een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde aan te houden, waarvan overschrijding is toegestaan tot 65 dB(A) etmaalwaarde indien en voorzover redelijkerwijs geen bron- of geluidwerende maatregelen in de overdrachtssfeer kunnen worden getroffen én wordt voldaan aan een maximale binnengrenswaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde.

Uit de stukken blijkt dat ter plaatse van de beoordelingspunten 1 en 7 de equivalente geluidbelasting van de verkeersbewegingen respectievelijk 41 en 45 dB(A) in de nachtperiode bedraagt, zodat de voorkeursgrenswaarde hier in de nachtperiode met respectievelijk 1 en 5 dB wordt overschreden.

Verweerder stelt dat mag worden aangenomen dat de geluidwering van de gevels van de desbetreffende woningen respectievelijk 16 en 20 dB(A) bedraagt, zodat aan de binnengrenswaarde van 25 dB(A) in de nachtperiode kan worden voldaan. Verweerder heeft zich hiertoe uitsluitend gebaseerd op visuele waarneming en de passage in de Handreiking (p. 21), waar wordt gesteld dat de geluidwering bij goed onderhouden woningen in de praktijk tenminste 20 dB(A) bedraagt. Nu geen metingen zijn verricht en de woningen op beoordelingspunt 7 dateren uit 1878 en niet beschikken over gevelisolatie en dubbel glas, is naar het oordeel van de Afdeling echter in het onderhavige geval onvoldoende komen vast te staan of ter plaatse van beoordelingspunt 7 kan worden voldaan aan een binnengrenswaarde van 25 dB(A) in de nachtperiode. Het bestreden besluit is gelet hierop, voorzover hierbij verkeersbewegingen van en naar de inrichting zijn vergund in de nachtperiode, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8. Appellanten sub 1 betogen dat verweerder miskent dat met het aanleggen van een wal met beplanting op 60 meter afstand van hun woning, teneinde 4,5 meter hoge composthopen aan het zicht te onttrekken, hun wijdse uitzicht verloren gaat.

2.8.1. Verweerder betoogt dat de mogelijke visuele hinder door het zicht op bergen groenafval, houtafval en de activiteiten daaromheen zoveel mogelijk is beperkt door het voorschrijven van een groenstrook met beplanting. De resterende beperkte visuele hinder is statisch en in het landschap ingepast dient volgens verweerder acceptabel te worden geacht. Anders dan appellanten sub 1 stellen, mogen de composthopen ingevolge voorschrift 7.3.6 slechts 3 meter hoog worden; ingevolge voorschrift 7.2.6 mag nog te composteren materiaal en hout wel tot een hoogte van 4,5 meter worden opgeslagen, aldus verweerder.

2.8.2. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich, mede gezien de hoogte van de opslag en de afstand tot de woning, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.9. Appellanten sub 1 achten voorschrift 1.3.9 niet voldoende; de inrichting zou moeten worden ingeplant voordat wordt begonnen met composteren.

2.9.1. Ingevolge voorschrift 1.3.6 moet het composteringsterrein aan de noord-, oost- en zuidzijde blijvend aan het zicht worden onttrokken door een groenstrook met beplanting. Het landschapinpassings- c.q. beplantingsplan moet ter beoordeling aan het college van gedeputeerde staten worden voorgelegd.

Ingevolge voorschrift 1.3.9 moet binnen 3 maanden na het in gebruik stellen van de composteringsactiviteiten en/of de gronddepotactiviteiten, de strook rondom de inrichting worden ingeplant conform het goedgekeurde beplantingsplan.

2.9.2. Uit de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, blijkt dat een termijn als de onderhavige niet ongebruikelijk is. Voorts kan, gelet op de tijd die is gemoeid met het opstellen en goedkeuren van het beplantingsplan als bedoeld in voorschrift 1.3.6, de verplichting tot inplanting niet onmiddellijk ingaan bij het in werking treden van het besluit. Verweerder heeft de in voorschrift 1.3.9 gestelde termijn dan ook in redelijkheid toereikend kunnen achten. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.10. Voorzover appellanten sub 2 aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.11. Het beroep van appellanten sub 1 is derhalve gedeeltelijk gegrond. Het beroep van appellanten sub 2, voorzover ontvankelijk, is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover in de vergunning niet eenduidig is bepaald dat geen grof hout in het composteringsproces mag worden gebracht en dat de zeefresten mede worden begrepen onder het groenafval ter compostering, voorzover het betreft de voorschriften 1.5.5, 3.1.3, voorzover het de daarin voor beoordelingspunt 1 gestelde waarde in nachtperiode betreft, en 7.1.7, alsmede voorzover vergunning is verleend voor verkeersbewegingen van en naar de inrichting in de nachtperiode.

2.12. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voorzover het stofhinder betreft;

II. verklaart het beroep van appellanten sub 1 en het beroep van appellanten sub 2, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 3 april 2002, kenmerk EMT/2001/3990, voorzover in de vergunning niet eenduidig is bepaald dat geen grof hout in het composteringsproces mag worden gebracht en dat de zeefresten mede worden begrepen onder het groenafval ter compostering, voorzover het betreft de voorschriften 1.5.5, 3.1.3, voorzover het de daarin voor beoordelingspunt 1 gestelde waarde in nachtperiode betreft, en 7.1.7, alsmede voorzover vergunning is verleend voor verkeersbewegingen van en naar de inrichting in de nachtperiode;

IV. draagt het college van gedeputeerde staten van Overijssel op binnen 10 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 50,77, en in de door appellanten sub 2 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 50,77; de bedragen dienen door de provincie Overijssel te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de provincie Overijssel aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellanten sub 1 en € 109,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

271.