Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200205266/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205266/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Schouwen-Duiveland vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een loswal voor het laden, lossen en overslaan van ongevaarlijke koopmansgoederen op het perceel [locatie].

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, gemachtigde, en bijgestaan door [appellanten], en verweerder, vertegenwoordigd door R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, en bijgestaan door J.A. van Dalen en A.H.B. Scheers, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten hun beroepsgrond inzake voorschrift 6.3.2 ingetrokken.

2.2. Eerst bij nadere memorie hebben appellanten de gronden inzake de voorschriften 1.1.8 en 8.1.1 aangevoerd. Het aanvoeren van deze gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellanten deze gronden niet eerder in de procedure naar voren hadden kunnen brengen. Voornoemde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Appellanten kunnen zich niet verenigen met voorschrift 5.2.1, waarin - samengevat weergegeven - is bepaald dat maximaal 12 keer per jaar mag worden afgeweken van de geluidgrenswaarden die zijn gesteld in de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2. Zij voeren hiertoe het volgende aan.

Appellanten stellen dat voorschrift 5.2.1 niet bedoeld is voor incidenten, maar ertoe strekt dat reguliere bedrijfsactiviteiten mogelijk worden gemaakt. Uit de vergunningaanvraag wordt volgens appellanten onvoldoende duidelijk of de uitzonderingsregeling in dit voorschrift noodzakelijk is om activiteiten te kunnen verrichten buiten de normale bedrijfstijden, dan wel om binnen de normale bedrijfstijden meer geluidhinder te kunnen veroorzaken dan ingevolge de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 is toegestaan. Verder is het appellanten onduidelijk of de uitzonderingsregeling bedoeld is om activiteiten in de periode tussen 21.00 uur en 23.00 uur, dan wel activiteiten gedurende de gehele avond- en nachtperiode mogelijk te maken. Ten slotte betogen appellanten dat uit het akoestisch rapport van Cauberg-Huygen van 19 december 2001 blijkt dat de activiteiten die onder de regeling vallen, een langtijdgemiddeld geluidniveau van niet meer dan 52 dB(A) veroorzaken. De grenswaarde van 55 dB(A) die in voorschrift 5.2.1 voor de dagperiode is gesteld, biedt huns inziens dan ook meer geluidruimte dan vergunninghoudster nodig heeft.

2.3.1. Uit de aanvraag blijkt dat laad- en losactiviteiten in de regel plaatsvinden tussen 07.00 uur en 21.00 uur, maar dat incidenteel - niet vaker dan 12 keer per jaar - ook buiten deze werktijden activiteiten plaatsvinden. De aard van de activiteiten die buiten de normale werktijden mogen plaatsvinden en de geluidbelasting die daarbij optreedt, zijn in de voorschriften beperkt. Ingevolge voorschrift 5.2.2 mag overslag van puin niet plaatsvinden tussen 19.00 uur en 07.00 uur en op zon- en feestdagen. Tussen 21.00 uur en 07.00 uur mogen ingevolge voorschrift 5.4.3 geen mobiele kranen worden gebruikt. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting en de daardoor veroorzaakte geluidbelasting moeten ook tijdens incidentele bedrijfssituaties blijven binnen de grenzen die zijn gesteld in voorschrift 5.3.2, respectievelijk voorschrift 5.3.1. Ten slotte zijn in voorschrift 5.2.1 geluidgrenswaarden gesteld die gelden tijdens incidentele bedrijfssituaties.

De Afdeling is van oordeel dat uit dit samenstel van bepalingen voldoende duidelijk blijkt welke rechten vergunninghoudster aan de incidentenregeling kan ontlenen en aan welke verplichtingen zij zich dient te houden wanneer zij van die regeling gebruikmaakt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich, mede gezien de genoemde beperkingen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de vergunde 12 incidentele bedrijfssituaties per jaar geen onaanvaardbare geluidhinder valt te duchten.

Wat de in voorschrift 5.2.1 opgenomen normering voor de dagperiode betreft overweegt de Afdeling nog als volgt. Uit voorschrift 5.2.1, in samenhang bezien met voorschrift 5.1.1, volgt dat ter plaatse van de gevel van woningen van derden binnen een straal van 500 meter van de inrichting de geluidbelasting niet meer mag bedragen dan 55 dB(A). Deze vergunde waarde stemt, zoals door appellanten aangevoerd, niet overeen met de in tabel 6.2 van het van het bestreden besluit deel uitmakende akoestisch rapport weergegeven, ter plaatse gemeten, waarden. Ter plaatse van Zijpe 1, in het rapport weergeven als bedrijfswoning brasserie, is een waarde gemeten van 52 dB(A). Het verschil van 3 dB(A) tussen deze gemeten waarde en de in het voorschrift opgenomen grenswaarde kan, zoals ter zitting onweersproken is gesteld, echter worden verklaard door de omstandigheid dat in de dagperiode op 1,5 meter hoogte is gemeten terwijl de brasseriewoning op 5 meter hoogte is gelegen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ter plaatse van de betreffende woning vergunde grenswaarde niet overeenkomt met de feitelijk ondervonden geluidbelasting vanwege de inrichting. Ter plaatse van de overige woningen die binnen een straal van 500 meter van de inrichting zijn gelegen is echter eveneens een waarde van 55 dB(A) voor de dagperiode vergund, terwijl uit eerdergenoemde tabel 6.2 van het rapport blijkt, en ook door verweerder ter zitting is erkend, dat voor deze periode met een grenswaarde van 51 dB(A), zijnde de hoogst gemeten waarde ter plaatse van woning perceel 1178, Zijpe 3, kan worden volstaan. De Afdeling is daarom van oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig heeft voorbereid.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.4. Appellanten wijzen erop dat in voorschrift 5.3.1 een grenswaarde is opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting die in de nachtperiode wordt veroorzaakt door verkeer van en naar de inrichting, terwijl uit de vergunningaanvraag en het daarbij behorende akoestisch rapport blijkt dat in de nachtperiode geen verkeersbewegingen plaatsvinden.

De Afdeling overweegt dat de inrichting blijkens de aanvraag in werking is tussen 07.00 uur en 21.00 uur. Buiten deze werktijden vinden geen verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats. De aangevraagde incidentele bedrijfssituaties betreffen activiteiten die buiten de vorengenoemde werktijden, derhalve tussen 21.00 uur en 07.00 uur, worden verricht. De alsdan verrichte werkzaamheden zullen met name laad- en loswerkzaamheden betreffen. Hiermee samenhangend kunnen, zo heeft verweerder ter zitting gesteld, ook verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaatsvinden. De Afdeling merkt op dat vorenstaande niet impliceert dat eventuele buiten de reguliere werktijden plaatsvindende verkeersbewegingen als onderdeel van de representatieve bedrijfssituatie zijn vergund. De Afdeling wijst er verder op dat de door de verkeersbewegingen van en naar de inrichting veroorzaakte geluidbelasting tijdens incidentele bedrijfssituaties binnen de grenzen van voorschrift 5.3.1 moet blijven. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de gestelde norm van 40 dB(A) in de nachtperiode overbodig zou zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. De begrippen “op hinderlijke wijze” en “lawaaiveroorzakende werkzaamheden, zoals gebruik van mobiele kranen en dergelijke” in respectievelijk voorschrift 5.4.2 en voorschrift 5.4.3 scheppen volgens appellanten rechtsonzekerheid.

De Afdeling is - mede gelet op de omstandigheid dat het hier om niet ongebruikelijke voorschriften gaat - van oordeel dat de door appellanten aangehaalde zinsneden niet zodanig onduidelijk zijn, dat de voorschriften op die grond voor vernietiging in aanmerking komen.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.6. Appellanten zijn van mening dat de voorschriften ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stofhinder niet stroken met de Nederlandse emissierichtlijnen lucht (hierna: de NeR), die verweerder bij het beoordelen van het stofaspect als beoordelingskader heeft gehanteerd. Huns inziens is ten onrechte niet voorgeschreven dat stofemissie bij het laden en lossen van zogeheten S2-, S4- en S5-goederen moet worden beperkt door bevochtiging met behulp van een nevelgordijn.

De Afdeling overweegt dat in voorschrift 6.1.5 is bepaald dat S2- en S4-stoffen ter beperking van stofemissie tijdig afdoende moeten worden bevochtigd. S5-stoffen zijn uit de aard der zaak vochtig. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorschrijven van een nevelgordijn niet noodzakelijk is.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Het is appellanten onduidelijk of het gebruik van storttrechters binnen de inrichting is vergund. Zij leiden uit voorschrift 6.1.6 af dat dit het geval is en zijn van mening dat ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stofhinder aan de vergunning een voorschrift had moeten worden verbonden, inhoudende een verplichting om de storttrechters te voorzien van een afzuiginrichting en reductieschermen.

Verweerder stelt dat het gebruik van storttrechters aangevraagd noch vergund is. Ter zitting heeft verweerder erkend dat voorschrift 6.1.6 in dat licht bezien overbodig is.

Gelet op vorenstaande overweegt de Afdeling dat verweerder in zoverre in strijd heeft gehandeld met het algemene beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.8. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het de in voorschrift 5.2.1 opgenomen waarde van 55 dB(A) op 1,5 meter hoogte bij de andere woningen dan Zijpe 1 die binnen een straal van 500 meter van de inrichting zijn gelegen betreft en voorzover het voorschrift 6.1.6 betreft. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak te voorzien op de hierna aangegeven wijze.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland van 16 augustus 2002, voorzover het de in voorschrift 5.2.1 opgenomen waarde van 55 dB(A) op 1,5 meter hoogte bij de andere woningen dan Zijpe 1 die binnen een straal van 500 meter van de inrichting zijn gelegen betreft en voorzover het voorschrift 6.1.6 betreft;

III. bepaalt dat voorschrift 5.2.1, eerste gedachtestreepje, als volgt komt te luiden:

”- 51 dB(A) op 1,5 m hoogte en bij de woning op Zijpe 1 op 5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 675,41, welk bedrag gedeeltelijk is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Schouwen-Duiveland te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat gemeente Schouwen-Duiveland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

179-318.