Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200204018/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204018/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting tot behoud Monumentaal Amstelveen" en anderen, gevestigd te Amstelveen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen het wijzigingsplan "Eerste wijziging Bestemmingsplan Westelijk Bovenland" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 mei 2002, kenmerk 2002-8944, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E.J. de Valk, ambtenaar van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij], vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Met het wijzigingsplan wordt ingevolge artikel 15 van de voorschriften van het bestemmingsplan “Westelijk Bovenland” (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” aan de Amsterdamseweg 285 gewijzigd in de bestemmingen “Woondoeleinden (W en Wp)” en “Groen (G)” ten behoeve van nieuwe woningen ter plaatse van de voormalige kweekschool van het Leger des Heils. De woonbestemming bevindt zich zoveel mogelijk binnen de contouren van het bestaande gebouw.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten hebben eerst ter zitting gesteld dat het verkeerde Hoogheemraadschap ontheffing heeft verleend voor de bouw van het appartementencomplex, dat zich in de procedure van de bouwvergunning onregelmatigheden hebben voorgedaan en dat een ondergrondse parkeergarage in het plangebied de ondergrondse waterstromen zal veranderen. Deze bezwaren zijn niet eerder door appellanten naar voren gebracht, niet in hun zienswijze tegen het ontwerp van het plan, noch in hun beroepschrift. De Afdeling acht het in dit geval in strijd met een goede procesorde dat appellanten eerst in deze fase van de procedure niet voordien aangevoerde bezwaren naar voren brengen. Gelet hierop ziet zij aanleiding om aan deze bezwaren voorbij te gaan.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren aan dat de wijzigingsvoorwaarden niet voorzien in sloop en vervangende nieuwbouw. Voorts stellen zij dat de derde en vierde bouwlaag niet telkens 3 meter terugliggen ten opzichte van de onderliggende bouwlaag, zoals voorgeschreven in de wijzigingsregels. Ook de ontsluiting van de parkeerplaatsen is in hun ogen niet overeenkomstig de voorschriften van het bestemmingsplan.

2.4.1. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijzigingsvoorwaarden in acht zijn genomen. Verweerder heeft zich hierbij aangesloten.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat in de wijzigingsvoorwaarden, zoals neergelegd in artikel 15 van de voorschriften van het bestemmingsplan, is opgenomen dat de woonfunctie kan plaatsvinden in het bestaande gebouw of in nieuwbouw. Gelet hierop behoorde sloop van het gebouw tot de mogelijkheden. In het wijzigingsplan is aan de gronden binnen de contouren van het bestaande gebouw de bestemming “Woondoeleinden (W en Wp)” toegekend. Deze bestemming legt enkel vast dat deze gronden een woonfunctie hebben. De stelling van appellanten, dat het wijzigingsplan zou verplichten tot sloop en vervangende nieuwbouw, is onjuist. Dat bij de uitvoering van het plan zal worden gekozen voor sloop en vervangende nieuwbouw betreft de wijze waarop de bestemming zal worden verwezenlijkt, welke in dit kader niet aan de orde is.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan moeten de derde en vierde bouwlaag aan beide kopgevels van het haakvormige gebouw telkens drie meter terugliggen ten opzichte van de onderliggende bouwlaag. De Afdeling stelt vast dat hieraan blijkens de planvoorschriften in samenhang met de plankaart, wordt voldaan.

Ingevolge artikel 15, vijfde lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan dient de ontsluiting van de parkeerplaatsen vanaf de westzijde van het bestemmingsvlak direct of indirect naar de noordgevel plaats te vinden. In het wijzigingsplan is deze ontsluiting niet expliciet vastgelegd. Uit de voorschriften, in samenhang met de plankaart, is de Afdeling evenwel niet gebleken dat niet aan genoemde voorwaarde kan worden voldaan.

2.5. Appellanten stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, aangezien woningbouw wordt toegestaan binnen de 40-45 Ke-zone van de geluidszone van Schiphol.

2.5.1. Artikel 1, eerste lid, van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart (hierna: Bggl) luidt, voor zover van belang:

”In dit besluit wordt verstaan onder:

[…]

c. ander geluidsgevoelig gebouw:

[…]

3º. school voor beroepsonderwijs;

[…]”

Artikel 4, eerste lid, van het Bggl luidt als volgt:

“35 Kosteneenheden is de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en woonwagenstandplaatsen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend.”

Artikel 6 van het Bggl luidt als volgt:

”1. In afwijking van artikel 4, eerste lid is 55, respectievelijk 65 Kosteneenheden de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in dat artikel die woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of woonwagenstandplaatsen vervangen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen reeds aanwezig zijn, respectievelijk op dat tijdstip reeds een hogere geluidsbelasting ondervinden dan 40 Kosteneenheden.

2. Het eerste lid geldt niet indien de vervanging zou leiden tot:

a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige functie of structuur;

b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden, of

c. een wezenlijke toename van de aan de uitwendige scheidingsconstructie optredende geluidsbelasting.”

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat het plangebied is gelegen in de 40-45 Ke-zone. De voormalige kweekschool voor het Leger des Heils kan worden gelijkgesteld met een school voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, sub 3, van het Bggl. Het plan maakt derhalve binnen een geluidszone vervanging mogelijk van geluidsgevoelige gebouwen door nieuwe woningen.

De vraag die thans dient te worden beantwoord, is of eventuele vervanging zou leiden tot een van de in artikel 6, tweede lid, van het Bggl genoemde gevallen, zodat het eerste lid van dat artikel desondanks niet van toepassing zou zijn.

De Afdeling overweegt in dit verband dat de in het tweede lid genoemde gevallen praktisch gelijkluidend zijn aan de gevallen genoemd in artikel 8a, tweede lid, van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen, welk besluit ten tijde van goedkeuring van het bestemmingsplan gold en dat thans is vervangen door het Bggl. In haar uitspraak van 13 oktober 1998, nr. E01.96.0149 (aangehecht) heeft de Afdeling overwogen dat eventuele woningbouw ter plaatse niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat veranderde omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan daarover thans anders moet worden geoordeeld. De Afdeling achtte in voornoemde uitspraak voorts niet aannemelijk gemaakt dat het aantal geluidgehinderden bij eventuele woningbouw zou toenemen ten opzichte van het aantal geluidgehinderden dat vroeger van deze bebouwing gebruik maakte. Voorts achtte zij niet aannemelijk gemaakt dat bij eventuele nieuwbouw een zodanige toeneming van de aan de gevel optredende geluidbelasting ten gevolge van het vliegverkeer zou ontstaan dat om die reden goedkeuring had dienen te worden onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid. Thans hebben appellanten dit evenmin aannemelijk gemaakt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheden die het wijzigingsplan biedt in strijd zijn met het Bggl.

2.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden of met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

280-410.