Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200206531/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 118

Uitspraak

200206531/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 25 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage een aanvraag om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), afgewezen.

Bij besluit van 27 november 2001 heeft de raad onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaar en beroep van de raad voor rechtsbijstand ‘s-Gravenhage het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 oktober 2002, verzonden op 30 oktober 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2003 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door zijn echtgenote, bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op de in de aangevallen uitspraak uitvoerig gemotiveerde gronden heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de schulden welke appellant op zijn vermogen in mindering gebracht wil zien, niet zijn aan te merken als schulden, bedoeld in artikel 9, tweede en derde lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand.

Tevens is juist het oordeel van de rechtbank dat de raad, uitgaande van de door appellant zelf op de verklaring omtrent inkomen en vermogen opgegeven waarde van zijn woning, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het vermogen van appellant de in artikel 34, tweede lid, van de Wrb gestelde grens overschrijdt.

Voor zover appellant voor het onderhavige rechtsbelang, dat betrekking heeft op een erfrechtelijke kwestie, aanspraak op een (voorwaardelijke) toevoeging meent te kunnen ontlenen aan een voor een ander rechtsbelang door de raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch verleende voorwaardelijke toevoeging, faalt dit betoog. Volgens vaste jurisprudentie kan het ene bestuursorgaan het andere niet kan binden door zijn wijze van uitvoeren van een wettelijke regeling.

2.2. Hetgeen appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van zijn betoog bij de rechtbank en kan niet leiden tot een andere uitspraak dan waartoe de rechtbank is gekomen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

238.