Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200206643/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206643/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 6 december 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2000 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage het verzoek van appellant om toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 12 maart 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2002 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 maart 2001 vernietigd.

Bij besluit van 10 april 2002 heeft de raad het administratief beroep van appellant andermaal ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 december 2002, verzonden op 11 december 2002, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 januari 2003 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2003, waar appellant in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het rechtsbelang waarop het verzoek betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand.

2.2. Vast staat dat het geschil aangaande een aannemingsovereenkomst betreffende de nieuwbouw van het bedrijf van appellant, waarvoor toevoeging is verzocht, zijn oorsprong vindt in de uitoefening van het bedrijf van appellant. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad op juiste gronden heeft aangenomen dat de onderneming van appellant sedert 31 december 1995 is beëindigd, zodat voortzetting van de onderneming niet afhankelijk kan zijn van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand

2.3. Appellant herhaalt voorts tevergeefs zijn beroep op het door de raad gedurende enige tijd gevoerde buitenwettelijk beleid, dat inhield dat in het geval het bedrijf niet meer werd uitgeoefend, onder omstandigheden toch een toevoeging kon worden verstrekt. De raad heeft er in zijn besluit van 10 april 2002 terecht op gewezen, dat in dergelijke situaties geen toevoeging kan worden verstrekt en dat de raad vorenbedoeld beleid niet meer voert, omdat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb, voor het voeren ervan geen ruimte biedt.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

195-209.