Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8938

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200206322/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 273 met annotatie van M.P. Jongma
Milieurecht Totaal 2003/3911
JOM 2006/919
OGR-Updates.nl 1000543
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206322/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

de Staatssecretaris van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2002, kenmerk ANW 2002/6970, heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Afvalzorg Deponie B.V.” te Haarlem een vergunning krachtens artikel 1, eerste lid, van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren verleend voor het lozen van afvalwater afkomstig van de stortplaats Nauernasche Polder, gelegen te Assendelft via een biologische waterzuivering op het Noordzeekanaal.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 december 2002.

Bij brief van 29 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn op 27 maart 2003 nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2003, waar appellanten [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door drs. F.B. van Baar en ing. J.J.H. Heeren, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Appellanten stellen niet op de hoogte te zijn geweest van het ontwerpbesluit en dus ook niet in staat te zijn geweest hiertegen bedenkingen in te brengen. Onomstreden is dat verweerder geen mededeling heeft gedaan van het ontwerpbesluit in een in de omgeving van de inrichting verspreid huis-aan-huisblad.

Het bepaalde onder b en c van bovenstaand artikel is hier niet van toepassing. Wat betreft het bepaalde onder d overweegt de Afdeling dat onder het begrip 'belanghebbende' moet worden verstaan belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat wil zeggen degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat alle appellanten op een aanzienlijke afstand van de onderhavige inrichting woonachtig zijn. Gelet hierop, en nu het tegendeel niet is gesteld, noch is gebleken, kan het belang van geen van de appellanten worden geacht rechtstreeks te zijn betrokken bij het bestreden besluit. Appellanten kunnen derhalve niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 20.6, tweede lid, onder d, zodat zij aan dat artikellid geen beroepsrecht kunnen ontlenen. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten niet-ontvankelijk is.

2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Klap

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

315.