Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8936

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
200206651/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206651/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 3 september 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 1999 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam ten behoeve van appellant de vergoeding toevoeging vastgesteld.

Bij besluit van 2 juli 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 3 september 2002 heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Op 4 november 2002 is aan partijen afschrift verzonden van het proces-verbaal van die mondelinge uitspraak. Dit proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 januari 2003 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 11 april 2003. Partijen zijn daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat de raad bij de vaststelling van de vergoeding voor appellant er ten onrechte van is uitgegaan dat appellant niet aanwezig was ter zitting van de politierechter op 15 april 1999, terwijl dit volgens hem wel degelijk het geval was. Appellant heeft het niet nodig geacht in te gaan op het aanbod van de rechtbank om alsnog zijn aanwezigheid ter zitting van de politierechter te bewijzen, omdat hij verwacht als beëdigd deelnemer aan de rechtspraktijk geloofd te worden. In hoger beroep biedt appellant - indien nodig - aan om door middel van getuigenverklaringen te bewijzen dat hij ter zitting van de politierechter aanwezig was.

2.2. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft er terecht op gewezen, dat de griffie van de rechtbank te Utrecht desgevraagd tweemaal ondubbelzinnig aan de raad heeft meegedeeld dat appellant op 15 april 1999 niet ter zitting aanwezig is geweest, terwijl appellant voorts niet heeft gereageerd op het verzoek van de raad een kopie van het proces-verbaal van de zitting van 15 april 1999 toe te zenden waaruit zijn aanwezigheid bleek. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad hiermee heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht en dat het dientengevolge op de weg van appellant lag om aannemelijk te maken dat hij wél ter zitting aanwezig was, waarin appellant niet is geslaagd. De enkele stelling van appellant dat hij op zijn woord geloofd moet worden, is daartoe niet voldoende.

2.3. Het in hoger beroep voor het eerst gedaan - voorwaardelijk - bewijsaanbod van appellant wordt door de Afdeling gepasseerd, omdat, gelet op het vorenoverwogene, het besluit van 2 juli 2001 voldoende zorgvuldig is voorbereid, zodat het mogelijk resulterend bewijs niet tot het oordeel kan leiden dat dit besluit niet in stand kan blijven.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

195-209.