Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2003
Datum publicatie
15-05-2003
Zaaknummer
200302477/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/155
Module Vastgoed en wonen 2003/552

Uitspraak

Raad

van State

200302477/2.

Datum uitspraak: 9 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

tspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"[eiser] B.V.", gevestigd te Papendrecht,

2. het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 10 april 2003 in het geding tussen:

1. [bezwaarde 1]

2. [bezwaarde 2]

3. [bezwaarde 3]

4. [bezwaarde 4]

5. [bezwaarde 5 en 5a]

6. [bezwaarde 6] en

7. [bezwaarde 7],

allen wonend te [woonplaats].

en

verzoeker sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2001 heeft verzoeker sub 2 (hierna: het college) aan verzoekster sub 1 (hierna: [eiser]) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend voor de realisering van een woonwijk met ongeveer 340 woningen, enkele bedrijfsruimten/maatschappelijke voorzieningen, ondergrondse parkeergarage, parkeer-, groen- en andere voorzieningen, speelgelegenheid, waterloop, kunst en bijbehorende infrastructuur op het voormalige Fokkerterrein (Merwehoofd) te Papendrecht, welk gebied wordt begrensd door Veerdam, Havenstraat, Eilandstraat, de Beneden Merwe en Slobbengors(weg).

Bij besluit van 17 april 2002 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [bezwaarde 4] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en de overige daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Tegen deze uitspraak hebben [eiser] bij brief van 16 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en het college bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2003, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 16 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft [eiser] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2003, heeft het college de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 1 mei 2003, waar [eiser], vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn [bezwaarde 1], vertegenwoordigd door mr. M. Vukovic, advocaat te Rotterdam, en [bezwaarde 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. E. Schaap Enterman, gemachtigde, daar gehoord.

Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [eiser] en het college hebben de Voorzitter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het college in afwachting van de uitspraak op de hoger beroepen niet opnieuw op de bezwaarschriften hoeft te beslissen. Dit opdat bij de nog te nemen beslissing op de bezwaren tegen de voor de realisering van fase I van de woonwijk inmiddels verleende bouwvergunningen gebruik kan worden gemaakt van de op 12 november 2001 verleende vrijstelling.

2.3. Vast staat dat de voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplannen niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) zijn herzien en dat de raad van de gemeente Papendrecht daarom, gezien artikel 19, vierde lid, van de WRO, ten einde de verlening van vrijstelling met toepassing van het eerste lid van deze bepaling niettemin mogelijk te maken, op 31 mei 2001 een voorbereidingsbesluit heeft genomen. De rechtbank heeft de vernietiging van het besluit van 17 april 2002 gegrond op de overweging dat – kort weergegeven - van de feitelijke voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan geen sprake is en de verleende vrijstelling daarom in strijd is met artikel 19 van de WRO.

2.4. De Voorzitter betwijfelt in ernstige mate of de Afdeling in de bodemprocedure de rechtbank in dit oordeel zal volgen. Daargelaten of de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan artikel 19 van de WRO juist is, was er, mede gelet op de desbetreffende mededeling van het college in zijn verweerschrift bij de rechtbank van 30 juli 2002, onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat niet daadwerkelijk het voornemen bestond om binnen afzienbare tijd een herziening van het bestemmingsplan te bewerkstelligen. Dat ten tijde van de zitting bij de rechtbank nog geen opdracht was verleend aan een extern stedenbouwkundig bureau om een bestemmingsplan op te stellen vormt op zichzelf onvoldoende grond voor een ander oordeel. Overigens is deze opdracht inmiddels verleend aan het bureau dat eerder een Beeldkwaliteitplan voor het betrokken gebied heeft opgesteld.

2.5. Voorts is gebleken dat fase I van de te bouwen woonwijk 116 woningen omvat, die zijn geprojecteerd op het deel van het betrokken gebied dat het verst verwijderd is van de woningen van de derde-belanghebbenden in deze zaak. Hun bezwaren zien met name op de bouw van de dichterbij geprojecteerde woningen en appartementen, vervat in de fasen II en III. De bouwvergunningen voor deze woningen zullen naar ter zitting van de zijde van [eiser] en het college is medegedeeld niet worden verleend voordat de Afdeling naar verwachting uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure in deze zaak.

2.6. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de bezwaren van de derde-belanghebbenden tegen de woningen vervat in fase I, afgewogen tegen de met de bouw hiervan betrokken belangen niet doorslaggevend worden geacht, ziet de Voorzitter aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Een redelijke toepassing van artikel 41, vierde lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat – naar analogie van artikel 41, vijfde lid – het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [eiser] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht geen nieuwe beslissing op de bezwaren hoeft te nemen, voordat de Afdeling in hoger beroep heeft beslist;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [eiser] B.V. onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (elk € 348,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2003

201.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,